Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

22-06-2022

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2022:105

Zaaknummer

22-246/DH/DH

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Verweerder heeft niet onbetamelijk gehandeld in de wijze waarop hij heeft getracht zijn declaratie op klaagster te verhalen. Klacht deels kennelijk ongegrond en deels niet-ontvankelijk in verband met het verstrijken van de termijn.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 22 juni 2022 in de zaak 22-246/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 23 maart 2022 met kenmerk K114 2021 ia/nm, door de raad ontvangen op eveneens 23 maart 2022, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 5 (inhoudelijk) en 1 tot en met 9 (procedureel). 

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Verweerder heeft klaagster in 2012 van juridisch advies gediend in het kader van een geschil met betrekking tot de aanschaf van een auto.  1.2    Op 9 januari 2013 heeft verweerder een declaratie voor de verrichte werkzaamheden opgemaakt en aan klaagster gezonden. De declaratie bedroeg een bedrag van € 1.731,51. 1.3    Klaagster heeft vervolgens een specificatie van die declaratie bij verweerder opgevraagd en ontvangen.  1.4    De declaratie is onbetaald gebleven.  1.5    Bij beschikking van de rechtbank Turnhout van 30 april 2021 is klaagster veroordeeld om de declaratie van € 1.731,51, vermeerderd met bijkomende kosten, aan het kantoor van verweerder te betalen.  1.6    Op 14 mei 2021 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

2    KLACHT 2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder dat hij:  a) negen jaar na de beëindiging van zijn werkzaamheden voor klaagster een onbetaalde declaratie is gaan incasseren via de Belgische rechter, die niet op de hoogte is van het Nederlandse recht en het feit dat de vordering naar Nederlands rechts is verjaard; b) nooit aangetekende brieven heeft gestuurd ter incasso van die declaratie; c) niet kan aantonen dat hij bepaalde aanmaningen heeft gestuurd of dat deze door klaagster zijn ontvangen; d) verschillende keren heeft gesteld dat hij een Europees betalingsbevel zou laten uitvaardigen en/of over zou gaan tot het treffen van incassomaatregelen, zonder dat daarvan sprake was; e) in 2013 een factuur heeft gestuurd voor in 2012 verrichte werkzaamheden, waarmee klaagster het om verschillende redenen niet eens was; f) in 2012 zijn voorwaarden, uurtarief en kantoorkosten niet schriftelijk heeft bevestigd; g) ten onrechte met een deurwaarder blijft dreigen ter incasso van zijn vordering. 2.2    De stellingen die klaagster ter onderbouwing van de klacht naar voren heeft gebracht worden hierna, voor zover van belang, besproken. 

3    VERWEER 3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING 4.1    De voorzitter stelt voorop dat de tuchtrechter slechts oordeelt over de vraag of de beklaagde advocaat zich heeft gedragen zoals dat een behoorlijk handelend advocaat betaamt. De  tuchtrechter dient het handelen of nalaten van de advocaat over wie wordt geklaagd te toetsten aan de norm van artikel 46 Advocatenwet. De gedragsregels voor advocaten vormen daarbij een richtlijn, maar of het niet naleven van een gedragsregel ook tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen oplevert, hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt per geval door de tuchtrechter beoordeeld. Het handelen van verweerder dient aan de hand van deze maatstaf beoordeeld te worden. klachtonderdelen a) tot en met d) en g)  4.2    De klachtonderdelen hebben betrekking op de wijze waarop verweerder zijn declaratie van 9 januari 2013 tracht te incasseren. Om die reden zal de voorzitter deze onderdelen gezamenlijk behandelen. 4.3    De voorzitter overweegt als volgt. De tuchtrechter oordeelt niet over de stellingen die zijn ingenomen in de kwestie die aan de klacht ten grondslag heeft gelegen. Dit betekent dat voor zover klaagster inhoudelijk ingaat op de gegrondheid van de door verweerder ingestelde vordering (in verband met verjaring) dat niet zal worden besproken. Het oordeel daarover is voorbehouden aan de civiele rechter.  4.4    De voorzitter kan wel een oordeel geven over de vraag of verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld bij de incasso van de vordering.  4.5    Niet in geschil is dat klaagster, om haar moverende redenen, de declaratie van verweerder van 9 januari 2013 niet heeft voldaan.  4.6    De voorzitter acht het niet onbetamelijk dat verweerder uiteindelijk de gang naar de rechter heeft gemaakt om zijn vordering te verhalen en evenmin dat hij dat pas na negen jaar heeft gedaan. Uit het klachtdossier komt naar voren dat verweerder zich heeft ingespannen om de declaratie in de achterliggende periode van klaagster betaald te krijgen, hetgeen niet is gelukt. Klaagster heeft die inspanningen van verweerder als zodanig ook niet weersproken. Zij heeft enkel de rechtsgeldigheid van zijn ondernomen acties betwist.  4.7    Het staat verweerder naar het oordeel van de voorzitter ook vrij om door middel van de tussenkomst van een deurwaarder tot het incasseren van zijn vordering over te gaan. 4.8    De voorzitter heeft in het klachtdossier ook anderszins geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerder bij het incasseren van de vordering kunnen bespeuren.    4.9    De conclusie uit het voorgaande is dat de klachtonderdelen a) tot en met d) en g) kennelijk ongegrond zijn.  Klachtonderdelen e) en f)  4.10    In artikel 46g lid 1 sub a Advocatenwet is bepaald dat een klacht door de voorzitter van de raad van discipline niet-ontvankelijk wordt verklaard indien het klaagschrift wordt ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. Op grond van het bepaalde in lid 2 van datzelfde artikel blijft na afloop van die termijn van drie jaar een niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien de gevolgen van het handelen of nalaten van de advocaat redelijkerwijs pas nadien bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken. 4.11    De voorzitter stelt vast dat de klachtonderdelen e) en f) betrekking hebben op het handelen van verweerder in 2012 en 2013. De klacht is pas ingediend bij brief van 15 mei 2021 en daarmee buiten de genoemde termijn van drie jaar. Niet gesteld noch gebleken is dat klaagster van dit handelen eerst op de hoogte zou zijn gekomen nadat de verjaringstermijn van drie jaren is verstreken, zodat ook het tweede lid van artikel 46g Advocatenwet niet van toepassing is. De voorzitter zal de klachtonderdelen e) en f) niet-ontvankelijk verklaren.

BESLISSING De voorzitter verklaart:  -    klachtonderdelen e) en f), met toepassing van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet, niet-ontvankelijk; -    klachtonderdelen a) tot en d) en g), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. M.P.J.G. Göbbels, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. A. Wijtzes als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2022.