Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

10-06-2022

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2022:116

Zaaknummer

210364

Inhoudsindicatie

Klacht tegen advocaat van de wederpartij ongegrond. Hof bekrachtigt uitspraak raad. Niet vastgesteld dat klager de begeleidster van zijn ex-vriendin heeft benaderd en bedreigd om de contactgegevens van zijn ex-vriendin te achterhalen en dus ook niet of verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door ter zitting een verklaring af te leggen die in strijd is met de waarheid.

Uitspraak

 

 

                                     

                                      van 10 juni 2022

                                      in de zaak 210364

 

                                     naar aanleiding van het hoger beroep van:

 

                                     

 

                                      klager

 

                                      tegen:

                                     

                                      verweerster

 

 

 

1 DE PROCEDURE BIJ DE RAAD

 

1.1 Het hof verwijst naar de beslissing van 15 november 2021 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) in de zaak met nummer 20-539/AL/MN. De raad heeft de klacht ongegrond verklaard.

 

2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2021:283 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

 

 

2 DE PROCEDURE BIJ HET HOF 

 

2.1 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing van de raad is op 9 december 2021 ontvangen door de griffie van het hof.

 

2.2 Verder bevat het dossier van het hof:

-    de stukken van de raad;

-    het verweerschrift.

 

2.3 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 8 april 2022. Daar is klager verschenen met zijn begeleiders W. en O. Verweerster was met bericht afwezig. Klager heeft zijn standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die ook onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.

 

 

3 FEITEN

 

3.1 Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht. Het gaat om de volgende feiten.

 

3.2    Klager en de cliënte van verweerster hebben in de periode tussen 2016 en 2018 een relatie gehad. Een incident tussen beiden in februari 2018 heeft geleid tot een veroordeling van klager op 31 januari 2019 voor poging tot zware mishandeling. De cliënte van verweerster is vanwege dit incident wel strafrechtelijk vervolgd, maar ontslagen van alle rechtsvervolging.

 

3.3    De officier van justitie heeft beide betrokken partijen op 4 februari 2018 een gedragsaanwijzing opgelegd, inhoudende dat zij gedurende 90 dagen geen contact met elkaar mochten hebben.

 

3.4     Het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf van klager is tenuitvoergelegd. Op 1 mei 2019 is klager vrijgekomen.

 

3.5     Op 31 mei 2019 heeft de cliënte van verweerster aangifte gedaan van stalking door klager en tevens in kort geding oplegging van een contactverbod aan klager gevorderd.

 

3.6     Op 29 augustus 2019 is de vordering door de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden Nederland, locatie Utrecht, ter zitting behandeld. In het proces-verbaal van de zitting is vermeld dat verweerster onder meer het volgende heeft verklaard:

          “(…) De politie zegt dat er nog steeds een dreiging is vanuit [klager]. Ook de hulpverlening zegt dat. Vanuit alle hoeken komen signalen dat het nog steeds aan de gang is. Niet alleen naar [cliënte van verweerster], maar ook naar hulpverleners en mensen om haar heen. Ik verwijs naar productie 7. Dat is een bericht van 7 juni. Ook vanuit de politie wordt aangegeven dat sprake is van een ernstige bedreiging.(…)

          (…) Beiden worden door [klager] benaderd. Ook via de telefoon en dergelijke. De medewerker van I. schrijft dit niet zomaar op. [Klager] richt zich zowel tegen de hulpverlener als [cliënte van verweerster]. M., I. en de arts hebben tegen mij gezegd dat sprake is van benaderingen van recente datum. Daarnaar gevraagd zeg ik u dat ik niet met zekerheid kan zeggen op welke wijze. Er is niet voor niets getuld. Het blijft maar doorgaan. Vanuit het verleden is het aannemelijk dat er sprake is van een dreiging. (…)”

 

3.7     De voorzieningenrechter heeft bij beslissing van 12 september 2019 het gevorderde contactverbod toegewezen.

 

 

4 KLACHT

 

4.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door tijdens een kort geding in strijd met de waarheid te verklaren dat klager contact zou hebben gezocht met de begeleidster van de cliënte van verweerster en deze begeleidster zou hebben bedreigd teneinde de contactgegevens van de cliënte van verweerster te achterhalen.

 

          Toelichting Verweerster heeft tijdens de zitting in kort geding gesteld dat klager tussen mei 2019 en augustus 2019 contact heeft gezocht met de begeleidster van zijn ex-vriendin en bedreigingen tegenover haar heeft geuit met als doel de contactgegevens van zijn ex vriendin te verkrijgen. Desgevraagd heeft deze begeleidster echter aangegeven zeer verbaasd te zijn over de gegeven verklaring en gezegd dat klager zeer zeker geen contact heeft gezocht met haar en dus ook geen dreigingen heeft geuit richting de begeleiding van zijn ex-vriendin. Verweerster heeft derhalve ter zitting iets beweerd dat niet waar is om het verzoek om een contactverbod aan de rechter kracht bij te zetten.

 

5 BEOORDELING

 

overwegingen raad

5.1 Klager verwijt verweerster dat zij in strijd met de waarheid tijdens de zitting heeft verklaard dat klager de begeleidster van zijn ex-vriendin heeft bedreigd om de contactgegevens van zijn ex-vriendin te achterhalen. Verweerster heeft dit nadrukkelijk betwist. De raad constateert dat de door klager gestelde verklaring van verweerster niet is opgenomen in het proces-verbaal van de zitting, een ambtsedig document dat dwingende bewijskracht toekomt. In de dagvaarding in kort geding en het vonnis van de voorzieningenrechter is niets vermeld over een bedreiging door klager van de begeleidster van zijn ex-vriendin. De e-mail van 7 juni 2019 van de begeleidster aan verweerster biedt evenmin aanknopingspunten voor de stelling van klager. Tegen deze achtergrond heeft de raad niet feitelijk kunnen vaststellen dat verweerster heeft verklaard dat klager de begeleidster van zijn ex-vriendin heeft benaderd en bedreigd om de contactgegevens van zijn ex-vriendin te achterhalen en dus ook niet of verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door ter zitting een verklaring af te leggen die in strijd is met de waarheid. De raad heeft de klacht ongegrond verklaard.

 

beroepsgronden

​​​​​​​5.2 Klager is van mening dat de klacht ten onrechte ongegrond is verklaard. Uit het proces-verbaal van de zitting van 29 augustus 2019 blijkt volgens klager dat hij na 1 mei 2019 hooguit éénmaal een vriendschapsverzoek heeft gestuurd en voor de rest zijn het bijeengesprokkelde  meningen en overtuigingen van derden. De onterechte aantijgingen raken klager diep. Klager meent dat op grond van in het geding gebrachte e-mails onomstotelijk vast staat dat de hulpverlening van Inforsa niet is benaderd door klager en dat hij door de onjuiste beweringen van verweerster ten onrechte is veroordeeld.

 

overwegingen hof

​​​​​​​5.3 Het hof stelt vast dat klager in hoger beroep geen nieuwe stukken in het geding heeft gebracht om zijn stellingen te onderbouwen. De e-mail correspondentie, waarnaar klager verwijst, was al door hem bij de indiening van de klacht overgelegd en ook de raad heeft daarvan kennis genomen. Klager heeft het hof gevraagd om zelf nadere informatie op te vragen, maar daar leent deze procedure zich niet voor. Het ligt op de weg van klager zelf om (voldoende) informatie te verzamelen en daarmee zijn klacht te onderbouwen.

 

​​​​​​​5.4 Het hof kan evenmin als de raad vaststellen dat verweerster tijdens de zitting van 29 augustus 2019 iets heeft gezegd over een bedreiging door klager van de hulpverlener van zijn ex-vriendin. Dat staat niet in het proces-verbaal van die zitting en blijkt ook niet uit de andere overgelegde stukken. Dat betekent dat niet kan worden vastgesteld dat verweerster heeft gezegd wat haar door klager wordt verweten. Wegens gebrek aan feitelijke grondslag  kan de klacht dan ook niet gegrond worden verklaard. Daarbij komt nog dat uit de door klager overgelegde e-mailwisseling niet zonder meer volgt dat de hulpverlener van I. niet is benaderd door klager, zoals klager heeft aangevoerd. Er is slechts een verzoek van de begeleider van klager aan de hulpverlener van I. om te bevestigen dat zij niet is benaderd of bedreigd door klager. Die bevestiging is niet gekomen. De hulpverlener van I. heeft laten weten geen mededelingen te mogen doen zonder juridisch advies. Het hof kan kortom niet vaststellen of er door verweerster in strijd met de waarheid is verklaard. Zoals gezegd ligt het op de weg van klager om zijn klacht te onderbouwen. De overgelegde e-mails leveren die onderbouwing niet op. Het hof ziet ook geen reden daar zelf nader onderzoek naar te doen.  

 

​​​​​​​5.5 Op grond van het voorgaande bekrachtigt het hof de beslissing van de raad.

 

 

BESLISSING

 

Het Hof van Discipline:

 

 

6.1       bekrachtigt de beslissing van 15 november 2021 van de Raad van Discipline in het           

 ressort Arnhem-Leeuwarden in de zaak met nummer 20-539/AL/MN.

 

Deze beslissing is gewezen door  m r. J. Blokland , voorzitter, mrs. G.C. Endedijk en A.M. Koene, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo , griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2022.

 

 

 

 

griffier                                                                                                       voorzitter             

 

De beslissing is verzonden op 10 juni 2022 .