Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

30-05-2022

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2022:113

Zaaknummer

210281

Inhoudsindicatie

klacht over eigen advocaat over de kwaliteit van de dienstverlening. Het verwijt dat verweerder niet direct een bodemprocedure is gestart nadat een door hem aan de wederpartij gestelde termijn was verstreken, volgt het hof niet. Die verwachting kan niet aan de brief met de opdrachtbevestiging ontleend worden omdat daartoe nader overleg was vereist over o.m. de kosten en kansen van zo een procedure. Ter zake van het verwijt dat verweerder klaagster niet correct heeft geïnformeerd over de verhuizing van kantoor, oordeelt het hof dat gelet op de korte termijn waarin de gebeurtenissen rondom de abrupte verhuizing hebben plaatsgevonden is te begrijpen dat verweerder geen kans zag klaagster eerder te berichten dan hij heeft gedaan.  Op deze onderdelen vernietigt het hof de beslissing van de raad en verklaart het hof de klacht ongegrond. Het hof bekrachtigt het oordeel van de raad dat verweerder de zaak van klaagster onvoldoende voortvarend heeft behandeld. Verweerder had als deskundig en onafhankelijk advocaat regie moeten voeren in de zaak van klaagster en proactief een vervolg moeten voorstellen toen de wederpartij niet met de gewenste reactie kwam. Waarschuwing. 

Uitspraak

 

                                     

                                      van 30 mei 2022

                                      in de zaak 210281

 

                                      naar aanleiding van het hoger beroep van:

 

                                     

 

                                      verweerder

 

                                      tegen:

 

                                     

                                      klaagster

 

 

 

 

 

 

1 DE PROCEDURE BIJ DE RAAD

 

1.1 Het hof verwijst naar de beslissing van van de Raad van Discipline (hierna: de raad) in het ressort Arnhem-Leeuwarden (zaaknummer: 20-956/AL/NN) van 16 augustus 2021. In deze beslissing zijn van de klacht van klager de onderdelen a), b) en e) gegrond verklaard en de klachtonderdelen c) en d) ongegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld in de betaling van het griffierecht en de proceskosten.

 

1.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2021:241 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

 

 

2 DE PROCEDURE BIJ HET HOF 

 

2.1 Het hogerberoepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 14 september 2021 ontvangen door de griffie van het hof.

 

2.2 Verder bevat het dossier van het hof:

de stukken van de raad; het verweerschrift van klaagster.

 

2.3 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 1 april 2022. Daar zijn klaagster, vergezeld door haar zoon, en verweerder verschenen.

 

 

3 FEITEN

 

Voor zover in hoger beroep nog van belang, neemt het hof de feiten van de raad over omdat hiertegen geen beroepsgrond is aangevoerd. Die feiten zijn, met een enkele aanvulling door het hof, als volgt.

 

3.1 Klaagster heeft op 20 mei 2019 de rechtsbijstand van verweerder ingeroepen. Het betrof een kwestie die klaagster als executeur testamentair van de nalatenschap van haar vader aanging. Bij de afwikkeling van die nalatenschap bleek onder meer dat een familielid kort voor het overlijden van de vader een bedrag van € 45.000,- van zijn bankrekening had opgenomen, terwijl datzelfde familielid afgifte van een legaat vorderde. Klaagster trachtte gedurende een half jaar de kwestie met het familielid in der minne te regelen. Toen dat niet lukte, heeft zij verweerder ingeschakeld. Verweerder heeft klaagster bij brief van 4 juni 2019 de opdracht bevestigd. In deze brief schrijft verweerder aan klaagster:

 

“Ik heb u gezegd dat op het moment dat het komt tot een procedure bij de rechtbank, ik u van tevoren een offerte zal sturen, aan de hand waarvan u kunt bekijken wat een procedure bij de rechtbank u maximaal zal kosten.

 

(…)

 

u heeft terecht in uw brief van 5 april 2019 gesteld dat u niet het legaat zult afgeven zolang het bedrag van € 45.000,- niet is terug betaald.

 

(…)

 

(…) dit betekent dat op het moment dat uw zuster geen gebruik maakt van de gelegenheid om bewijs te leveren, ik u adviseer om de zaak voor te leggen aan de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen. Alsdan dienen wij de rechtbank te vragen dat uw zuster wordt veroordeeld om aan de nalatenschap terug te betalen een bedrag ad € 45.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente.”

 

3.2 Verweerder heeft (de advocaat van) het familielid (verder: de wederpartij) bij brief van 19 juni 2019 aangeschreven met het verzoek binnen 14 dagen aan te tonen dat er geen sprake was van misbruik van omstandigheden bij de overboeking van bedoelde € 45.000,-. Bij brief van diezelfde datum aan klaagster schreef verweerder:

 

“ik heb in mijn agenda genoteerd dat ik begin volgende week telefonisch contact zal opnemen met [de wederpartij, hvd]. Nadat ik met haar gesproken heb, neem ik contact met u op.”

 

3.3 De wederpartij reageerde bij brief aan verweerder van 22 juli 2019. In die brief wordt de stelling dat sprake is geweest van misbruik van omstandigheden van de hand gewezen. Verder schrijft de wederpartij:

 

“(…) ik verzoek u dan ook mij binnen veertien dagen na heden te bevestigen dat uw cliënte zal overgaan tot afgifte van het legaat. Indien uw cliënte daaraan geen gehoor wenst te geven, dan ziet cliënte zich genoodzaakt om afgifte van het legaat in kort geding af te dwingen nu immers de termijn van afgifte binnenkort verstrijkt (…)”

 

3.4 Verweerder was ten tijde van de opdracht verbonden aan het kantoor T.  (hierna: kantoor 1). Per 1 augustus 2019 stapte verweerder over naar G. advocaten (hierna: kantoor 2). Op 23 september 2019 meldde verweerder telefonisch aan klaagster dat hij wederom verhuisd was met zijn kantoor en vanaf 21 september 2019 een eenmanszaak dreef.

 

3.5 Op 21 augustus 2019 heeft verweerder klaagster bericht dat de wederpartij een kort geding zou aanspannen in verband met de afgifte van een legaat aan de wederpartij. Op 6 september 2019 is klaagster gedagvaard tegen 26 september 2019.

 

3.6  Op 12 september 2019 heeft er een bespreking plaatsgevonden met klaagster en verweerder. Verweerder heeft het besprokene bevestigd in een e-mailbericht van 19 september 2019.

 

3.7 De mondelinge behandeling van het kort geding heeft plaatsgevonden op 26 september 2019, waar verweerder klaagster heeft bijgestaan. De kantonrechter heeft op 11 oktober 2019 vonnis gewezen.

 

3.8 Tussen klaagster en de wederpartij is een minnelijke regeling getroffen in december 2019, die door verweerder in een vaststellingsovereenkomst is vastgelegd.

 

4 KLACHT

 

​​​​​​​4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog van belang, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

 

a) in strijd met de gemaakte afspraken na het verstrijken van de tweewekentermijn geen procedure aanhangig te maken.

Verweerder is in gebreke gebleven een bodemprocedure aanhangig te maken nadat de in de brief van 19 juni 2019 gestelde termijn was verstreken, terwijl dat wel was afgesproken tijdens het intakegesprek op 20 mei 2019. Als de bodemprocedure tijdig was gestart, was het kort geding overbodig geweest, althans anders verlopen. Verweerder is niet alert geweest en heeft geen onderzoek gedaan naar de positie van klaagster. Hij heeft in de brief van 4 juni 2019 ten onrechte geschreven dat klaagster het legaat niet eerder behoefde af te geven dan nadat de € 45.000,- was terugbetaald.

 

b) klaagster niet correct te informeren over zijn vertrek bij kantoor 2 en te vragen of zij daarmee instemde.

Klaagster had ingestemd met de overstap van verweerder van kantoor 1 naar kantoor 2. Dit geldt niet voor de overstap naar zijn eigen kantoor. Zij werd pas twee dagen voor het kort geding voor een voldongen feit geplaatst. Door de kantoorverplaatsingen is klaagsters zaak op de achtergrond geraakt. Dat heeft geen positieve invloed gehad op de zaak.

 

c) (…)

 

d) (…)

 

e) vanwege de kantoorwisselingen niet de volle aandacht aan de zaak van klaagster te besteden.

Verweerder heeft achterover geleund, traag en afwachtend gehandeld, terwijl een voortvarende aanpak was vereist gezien onder meer de termijn voor de afgifte van het legaat die eindigde op 30 juli 2019. Hoewel klaagster er meerdere keren op heeft gewezen, heeft verweerder dit als niet belangrijk afgedaan. Na afloop van de in de brief van 19 juni 2019 gestelde termijn werd er geen enkele actie ondernomen. Tussen 19 juni 2019 en 16 augustus 2019 heeft verweerder niets gedaan. In het kader van de kortgedingprocedure moest alles op het laatste moment gebeuren.

 

5 BEOORDELING

 

Omvang hoger beroep          

 

​​​​​​​5.1 Verweerder is opgekomen tegen de gegrondverklaring van de klachtonderdelen a), b) en e) en de daarvoor opgelegde maatregel. Het beroep is daartoe beperkt.

 

Overwegingen raad

 

​​​​​​​5.2 Onderdeel a) van de klacht betreft het verwijt dat verweerder in strijd met de gemaakte afspraken heeft gehandeld oftewel heeft nagelaten te handelen zoals afgesproken. Klaagster ging er vanuit dat verweerder een bodemprocedure tegen de wederpartij zou aanspannen. De raad is met klaagster eens dat verweerders brief van 4 juni 2019 aan haar en de brief van 19 juni 2019 aan de wederpartij, terecht bij haar het idee hebben gevestigd dat er 14 dagen na de dagtekening van de brief van 19 juni 2019 stappen in die richting zouden worden gezet. Ondanks verweerders toezegging op 19 juni 2019 om een week na de verzending telefonisch contact met klaagster op te nemen, is dat niet gebeurd en is er tot 20 augustus 2019 door verweerder op geen enkele manier contact met klaagster gezocht. Verweerder heeft op dit punt onzorgvuldig en in strijd met hetgeen van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht, gehandeld. Het enkele feit dat de brief van de wederpartij van 22 juli 2019 aan klaagster is doorgezonden baat hem niet. Hij heeft immers niets met deze brief gedaan. Pas toen de wederpartij om verhinderdata vroeg voor een kort geding is verweerder in actie gekomen. Klachtonderdeel a) is door de raad gegrond verklaard.

 

​​​​​​​5.3 Ter zake van klachtonderdeel b) verwijt klaagster verweerder dat hij haar niet geïnformeerd heeft over zijn vertrek bij kantoor 2. Verweerder heeft klaagster wel geïnformeerd toen hij kantoor 1 verliet en bij kantoor 2 ging werken. Op grond van de wijze waarop verweerder met klaagster communiceerde, begrijpt de raad dat klaagster ervan uitging dat verweerder onderdeel was van dit kantoor. Over zijn vertrek bij kantoor 2 kort daarna heeft verweerder pas op een dusdanig laat moment gecommuniceerd, namelijk enige dagen voor het aanhangige kort geding, dat klaagster geen mogelijkheid had om zich te beraden over de vraag of zij met de nieuwe situatie kon instemmen. Tijdens de behandeling van deze zaak gaf klaagster aan dat zij aanvankelijk welbewust voor een groter advocatenkantoor had gekozen en dat zij nooit in zee zou zijn gegaan met een eenmanskantoor. De raad is van oordeel dat verweerder ook op dit punt onzorgvuldig heeft gehandeld. Hij had klaagster tijdig dienen te informeren over de verandering. Dat klaagster met zijn B.V. heeft gecontracteerd, verandert daar niets aan. Verweerder had zich moeten realiseren dat klaagster verweerder als haar advocaat beschouwde en niet zijn B.V. Klachtonderdeel b) is gegrond verklaard.

 

​​​​​​​5.4 Onderdeel e) van de klacht betreft het verwijt dat verweerder achterover heeft geleund en traag en afwachtend heeft gehandeld. De raad verwijst in dit verband naar de beoordeling van klachtonderdeel a). Klaagster verwijt verweerder in dat onderdeel dat hij geen onderzoek heeft gedaan naar haar positie in verband met de afgifte van het legaat waarvoor de termijn op 30 juli 2019 eindigde. De raad is van oordeel dat verweerder na het verzenden van de brief van 19 juni 2019 niet gedaan heeft wat hij heeft afgesproken met klaagster, namelijk dat hij een week na verzending van de brief contact op zou nemen met de wederpartij (en klaagster). Hij heeft het verdere verloop van de zaak onvoldoende bewaakt en geen aandacht besteed aan genoemde termijn voor afgifte van het legaat. Ook heeft hij er niet voor gezorgd dat de brief van de wederpartij van 22 juli 2019 op adequate wijze werd behandeld. Dat hij vakantie had, is geen excuus. Dit onderdeel van de klacht is gegrond.

 

Beroepsgronden verweerder

 

​​​​​​​5.5 Tegen de beoordeling van klachtonderdeel a) heeft verweerder het volgende aangevoerd. Uit de brief van 4 juni 2019 volgt dat verweerder klaagster heeft geadviseerd een bodemprocedure op te starten. De bodemprocedure is niet opgestart, omdat klaagster daartoe geen opdracht had gegeven en klaagster nog stukken moest overleggen voordat de bodemprocedure gestart kon worden. Ook moesten de kosten van een bodemprocedure nog besproken worden. Dat klaagster en verweerder het opstarten van een bodemprocedure nog niet hadden besproken, is mede het gevolg van de vakanties van verweerder (18 juli tot 5 augustus 2019) en klaagster (16 augustus 2019 tot 2 september 2019). Vervolgens heeft de wederpartij op 22 augustus 2019 aangekondigd een kort geding op te starten, waardoor het opstarten van een bodemprocedure niet meer aan de orde was. Verweerder heeft de met klaagster besproken standpunten ingenomen in de kortgedingprocedure in plaats van een bodemprocedure daarvoor op te starten. Dit bleek succesvol, want binnen de kortgedingprocedure zijn onderhandelingen opgestart die tot een oplossing tussen partijen hebben geleid. Verder heeft klaagster van augustus 2019 tot en met december 2019 nimmer aangegeven dat zij alsnog een bodemprocedure wenste op te starten.

 

​​​​​​​5.6 Ter zake van klachtonderdeel b) houdt de beroepsgrond van verweerder het volgende in. Klaagster wilde door verweerder worden bijgestaan vanwege zijn inhoudelijke expertise. Het vertrek van verweerder bij kantoor 2 was abrupt vanwege een conflict. De eerstvolgende werkdag heeft hij klaagster daarover geïnformeerd (op 23 september 2019). Het kort geding vond plaats op 26 september 2019 en ook nadien heeft verweerder klaagster bijgestaan. Klaagster heeft in september 2019 niet gecommuniceerd dat zij niet meer door verweerder wilde worden bijgestaan. De kantoorwisseling van verweerder heeft klaagster niet in haar belangen geschaad.

 

​​​​​​​5.7 Wat betreft het oordeel van de raad over klachtonderdeel e) heeft verweerder aangevoerd dat hij wel degelijk een week na verzending van zijn brief van 19 juni 2019 contact met de advocaat van de wederpartij heeft gezocht, maar haar niet kon bereiken. Hij heeft de advocaat vervolgens expliciet gevraagd contact met hem op te nemen, maar heeft niets meer van haar vernomen tot haar inhoudelijke brief van 22 juli 2019.

Ook komt verweerder op tegen het oordeel dat hij het verloop van de zaak onvoldoende heeft bewaakt. Verweerder stelt zich in dit verband op het standpunt dat hij dat wel degelijk heeft gedaan, maar dat hij is ingehaald door het kort geding. Toen dit kort geding was opgestart, heeft verweerder klaagster geadviseerd binnen het bestek van het kort geding alle punten van klaagster aan de orde te stellen, wat hij heeft gedaan.

Wat betreft de termijn voor afgifte van het legaat voert verweerder aan dat hij wel degelijk aandacht daaraan heeft besteed. Verweerder heeft klaagster  op 5 juli 2019 telefonisch uitgelegd dat ook na het verstrijken van de termijn het legaat afgegeven moet worden. Hij heeft klaagster daarom geadviseerd om het legaat te verminderen met de openstaande schuld aan klaagster om de afgifte tegen te houden, hetgeen een juiste tactiek bleek.

 

 

 

Verweer in beroep

 

​​​​​​​5.8 Klaagster heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Kort samengevat, komt dat op het volgende neer:

 

Klachtonderdeel a): Tijdens het eerste gesprek tussen klaagster en verweerder is uitgebreid gesproken over het voeren van een bodemprocedure, hetgeen bevestigd is in de brief van 4 juni 2019. Klaagster mocht er vervolgens op vertrouwen dat verweerder voortvarend met haar zaak aan de slag ging, deze bodemprocedure zou voorbereiden en opstarten. Uit die brief blijkt niet dat klaagster hem nog aanvullend opdracht moest geven tot het starten van de bodemprocedure. Klaagster is sindsdien, ook tijdens haar vakantie, goed bereikbaar geweest. Zowel tussen dit gesprek en de vakantie van verweerder als tussen beide vakanties in was er voldoende gelegenheid voor verweerder contact op te nemen en de zaak met klaagster verder door te spreken .

Klaagster betwist dat verweerder voor het opstarten van de bodemprocedure in afwachting was van stukken. Verweerder beschikte over alle stukken. Als verweerder nog stukken nodig had, had hij klaagster dit moeten laten weten en dan had zij de benodigde stukken aangeleverd. Dit heeft hij nagelaten.

Wat betreft het contact met de wederpartij had verweerder het niet bij één telefoontje moeten laten en vaker moeten proberen contact te krijgen, nu hij zelf een termijn had gesteld. Daarbij had verweerder klaagster moeten informeren dat hij geen contact kon krijgen met de wederpartij en de bodemprocedure moeten opstarten in plaats van het daarbij te laten. Het was aan verweerder om de zaak van klaagster voortvarend te behandelen.

 

Klachtonderdeel b): Klaagster is niet geïnformeerd door verweerder dat hij na zijn vertrek van kantoor 1 voor zichzelf is gaan werken in een samenwerkingsverband met kantoor 2. Klaagster verkeerde in de veronderstelling dat verweerder daar in dienstverband was. Voor klaagster is het belangrijk dat haar zaak in behandeling is bij een goed, stabiel kwaliteitskantoor met goede randvoorwaarden, zoals de aanwezigheid van een klachtenregeling. Klaagster heeft van kantoor 2 de voorwaarden ontvangen, maar die blijken nu niet van toepassing, zodat zij zich ook niet heeft kunnen beroepen op een klachtenregeling. Als klaagster had geweten dat verweerder niet in dienstverband was bij kantoor 2, had zij haar zaak niet bij hem in behandeling gelaten. Verweerder heeft klaagsters zaak niet goed behandeld, omdat hij zijn aandacht aan de verschillende kantoorwisselingen heeft besteed. Tegen de tijd dat dit duidelijk werd voor klaagster, was het voor haar te laat een andere advocaat in te schakelen. Het kort geding zou immers drie dagen later plaatsvinden.

 

Klachtonderdeel e): Verweerder had klaagster moeten informeren over de mogelijke consequenties van een te late afgifte van het legaat en de bodemprocedure moeten opstarten zoals besproken. Door geen regie te voeren en bezig te zijn met verhuizingen, heeft verweerder niet voldoende aandacht aan klaagsters zaak besteed. Als gevolg hiervan kwam het aan op een kortgedingprocedure en was het voeren van een bodemprocedure geen optie meer.

 

Maatstaf

 

​​​​​​​5.9 Het hof hanteert als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen indien daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Nu binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden toetst het hof daarom of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht.

 

Overwegingen hof

 

5.10 Ter zake van het beroep tegen de beoordeling van klachtonderdeel a), overweegt het hof als volgt. Daarbij zal het hof zich beperken tot het in dat klachtonderdeel gemaakte verwijt dat verweerder in strijd met de afspraken niet direct een bodemprocedure is gestart.  Tijdens de eerste bespreking van verweerder en klaagster is het starten van een bodemprocedure in de zaak van klaagster besproken, wat door verweerder is bevestigd in zijn brief van 4 juni 2019 aan klaagster. Indien daartoe zou worden overgegaan, zou door verweerder een offerte met de kosten voor een procedure aan klaagster worden verstrekt. Het opstarten van de bodemprocedure wordt in deze brief in algemene bewoordingen genoemd, waarbij geen concrete inhoudelijke aanpak en vervolgstappen voor die bodemprocedure zijn uitgewerkt.

In lijn met zijn toezegging in de brief van 4 juni 2019 heeft verweerder aan de wederpartij bij brief van 19 juni 2019 een termijn van 14 dagen gesteld voor het leveren van bewijs dat van misbruik van omstandigheden bij de opname van het bedrag van € 45.000,- geen sprake is geweest. Anders dan de raad is het hof van oordeel dat klaagster aan de brief aan haar van 4 juni 2019 en het verstrijken van de termijn in de brief aan de wederpartij niet de verwachting kon ontlenen dat verweerder zonder meer een bodemprocedure zou opstarten. Daartoe was nader overleg vereist over de kosten en kansen van zo’n procedure. Als klaagster de verwachting had dat verweerder na het verstrijken van de genoemde termijn aanstonds een bodemprocedure in gang zou zetten, zou het ook op haar weg hebben gelegen bij verweerder navraag te doen naar de kosten en de stand van zaken. Of verweerder daarbij van zijn kant voldoende voortvarend heeft gehandeld komt bij de beoordeling van klachtonderdeel e) aan de orde. Klachtonderdeel a) zal dan ook ongegrond worden verklaard.

 

​​​​​​​5.11 Ook het beroep tegen de beoordeling van klachtonderdeel b) slaagt. Verweerder heeft bij het hof gemotiveerd aangevoerd dat zijn vertrek van kantoor 2 in het weekend van 22 september 2019 op zeer korte termijn en abrupt heeft plaatsgevonden. De eerstvolgende werkdag is klaagster hierover geïnformeerd. Nu klaagster pas achteraf werd geïnformeerd kan het hof begrijpen dat zij zich daardoor overvallen heeft gevoeld. Echter, gelet op de korte termijn waarbinnen de gebeurtenissen rondom verweerders vertrek plaats hebben gevonden is ook te begrijpen dat verweerder geen kans heeft gezien om zijn vertrek vooraf met klaagster te bespreken.Voor zover klaagster zich wenst te beklagen over het aspect dat verweerder klaagster niet heeft geïnformeerd over het feit dat hij bij kantoor 2 in een kostenmaatschap deelnam in plaats van in een volledige maatschap, overweegt het hof dat dit verwijt buiten de klacht valt zoals deze door de raad is omschreven. Het klachtonderdeel b) ziet op het niet correct informeren van klaagster door verweerder over zijn vertrek bij kantoor 2 en het nalaten haar te vragen of zij daarmee instemde. In hoger beroep kan dit klachtonderdeel niet meer worden uitgebreid door ook de informatieverstrekking ter zake van de rechtsvorm waarin verweerder bij kantoor 2 zijn advocatenpraktijk heeft uitgeoefend aan de orde te stellen. De stelling van klaagster dat zij de zaak niet bij verweerder in behandeling had gelaten als zij had geweten dat hij niet langer werkzaam was op een goed stabiel kwaliteitskantoor kan haar niet baten, reeds omdat zij tot aan het moment van het treffen van de minnelijke regeling de mogelijkheid had over te stappen, maar dat heeft nagelaten. Onbestreden heeft verweerder gesteld dat klaagster voor hem had gekozen en bij hem is gebleven vanwege zijn expertise op het terrein van het erfrecht. Het hof zal klachtonderdeel b) ongegrond verklaren.

 

​​​​​​​5.12 Het beroep tegen het oordeel over klachtonderdeel e) faalt. Verweerder heeft de opdracht aangenomen om ten behoeve van de nalatenschap te proberen € 45.000,- terug te krijgen van het familielid. Daarbij is ook een verband is gelegd met de afgifte van het legaat, waarbij verweerder wist dat de termijn voor afgifte volgens het testament op 30 juli 2019 verstreek en de wederpartij een advocaat had ingeschakeld om die afgifte af te dwingen. Verweerder heeft na het aannemen van de opdracht zoals afgesproken een brief aan de wederpartij gezonden waarbij bewijslevering wordt gevorderd rondom de (door de wederpartij gestelde) schenking van € 45.000,-. Verweerder heeft een termijn gesteld van 14 dagen vanaf 19 juni 2019. Vervolgens heeft verweerder geen actie meer ondernomen totdat de wederpartij meer dan vier weken later een kortgedingprocedure met als inzet de afgifte van het legaat aankondigde. Verweerder had als deskundig en onafhankelijk advocaat regie moeten voeren in de zaak die hij van klaagster heeft aangenomen en proactief een vervolg aan klaagster moeten voorstellen nadat hem duidelijk werd dat de wederpartij niet met de gewenste reactie zou komen. De toelichting van verweerder dat hij een keer heeft geprobeerd te bellen met de wederpartij, een terugbelverzoek heeft achtergelaten waarop hij niets heeft gehoord en hij het daar vervolgens bij heeft gelaten, staat haaks op de regie en proactiviteit die van hem als behoorlijk advocaat verwacht had mogen worden. De raad heeft dit klachtonderdeel op goede gronden gegrond verklaard.

 

Maatregel

 

​​​​​​​5.13 Verweerder heeft een gedateerd tuchtrechtelijk verleden. De laatste tuchtrechtelijke veroordeling (een waarschuwing) stamt uit 2014. Hoewel het hof anders dan de raad twee klachtonderdelen ongegrond zal verklaren, bekrachtigt het hof de door de raad opgelegde waarschuwing. Verweerder heeft de zaak van klaagster op zijn beloop gelaten en niet de regie gevoerd die van hem verwacht had mogen worden. Hiervoor is een zakelijke terechtwijzing van verweerder op zijn plaats.

 

Proceskosten

 

​​​​​​​5.14 Omdat het hof een beslissing bekrachtigt waarin een maatregel is opgelegd, zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:   

                                                                                                                             

a) € 50,- kosten van klaagster (forfaitair);

b) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;

c) € 1.000,- kosten van de Staat.

 

​​​​​​​5.15 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 50,- aan kosten van klaagster binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

 

​​​​​​​5.16 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.

 

6 BESLISSING

 

Het Hof van Discipline:

 

​​​​​​​6.1 vernietigt de beslissing van 16 augustus 2021 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 20-956/AL/NN, voor zover daarin de klachtonderdelen a) en b) gegrond zijn verklaard;

 

en doet opnieuw recht:

 

​​​​​​​6.2 verklaart de klachtonderdelen a) en b) alsnog ongegrond;

 

​​​​​​​6.3 bekrachtigt de beslissing van 16 augustus 2021 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 20-956/AL/NN, voor het overige voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

 

​​​​​​​6.4 veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;

 

​​​​​​​6.5 veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

 

 

Deze beslissing is gewezen door mr. T. Zuidema, voorzitter, mrs. C.A.M.J. Raymakers, R.H. Broekhuijsen, T.H. Tanja-van den Broek en H. Lagas, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E. Verwey, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2022.

 

 

 

 

 

griffier                                                                                                       voorzitter             

 

De beslissing is verzonden op 30 mei 2022 .