Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

04-04-2022

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2022:79

Zaaknummer

22-002/AL/OV

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat wederpartij. Verweerder heeft de grenzen van de hem toekomende vrijheid als advocaat van de wederpartij niet overschreden. Drie klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond, een klachtonderdeel deels niet-ontvankelijk, deels kennelijk ongegrond en deels kennelijk niet-ontvankelijk en een klachtonderdeel kennelijk niet-ontvankelijk.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 4 april 2022 in de zaak 22-002/AL/OV naar aanleiding van de klacht van:

klager over:verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel (hierna: de deken) van 6 januari 2022 met kenmerk 1374547, door de raad ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 10.

1 FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1 Klager is de ex-echtgenoot van de cliënte van verweerder. Verweerder staat zijn cliënte sinds 2006 bij in diverse procedures tegen klager. 1.2 Bij vonnis in kort geding van 20 juni 2006 is het klager verboden rechtstreeks dan wel middellijk met verweersters cliënte mondeling, schriftelijk, per e-mail, per sms of op andere wijze contact te zoeken of te hebben, met uitzondering van middellijk contact via de advocaten van partijen, zulks op straffe van € 500,- per keer voor elke keer dat de man [klager] contact zoekt, tot een maximum van € 25.000,-. 1.3 Ook op grond van twee andere uitspraken is klager bedragen aan de cliënte van verweerder verschuldigd. 1.4 Op 19 november 2008 heeft verweerder in verband met de door klager verschuldigde bedragen in opdracht van zijn cliënte executoriaal beslag laten leggen ten laste van klager. 1.5 Klager heeft een incassobureau opdracht gegeven om zijn pensioenrechten bij de cliënte van verweerder te incasseren op grond van de Wet verevening pensioenrechten na scheiding. 1.6 Op 15 maart 2021 heeft verweerder de deurwaarder onder meer gemaild:

‘Ik ben de advocaat van [naam cliënte] uit H. Om kort te gaan cliënte is slachtoffer van belaging door haar ex-echtgenoot de heer [naam klager].’

1.7 Op 16 maart 2021 heeft de deurwaarder klagers reactie op verweerders e-mail van 15 maart 2021 naar verweerder gemaild. 1.8 Op 17 maart 2021 heeft verweerder de deurwaarder gemaild dat zijn cliënte niets aan klager gaat betalen. Verder heeft verweerder in zijn e-mail opgemerkt:

‘Betaling van pensioenrechten dient over en weer te geschieden. Dus eerst moet duidelijk zijn (…) welke pensioenrechten cliënte heeft opgebouwd, daarna komen de rechten van de heer [naam klager]. (…) Mocht onverhoopt blijken dat [klager] meer rechten heeft opgebouwd dan cliënte, dan komt de vraag naar de verrekening van de door hem verschuldigde dwangsommen jegens mijn client. Kortom: er is geen opeisbare titel van [klager] maar wel van cliënte. Verder is volstrekt onduidelijk hoeveel pensioenrechten uw client heeft opgebouwd. Er valt niets op cliënte te incasseren.’

1.9 Klagers opdracht aan de deurwaarder heeft door gebrek aan een rechtsgeldige titel niet tot incassering van pensioenrechten geleid. 1.10 Op 21 maart 2021 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

2 KLACHT 2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende. a) Verweerder houdt zich niet aan de Nederlandse wet en dupeert daarmee alle betrokkenen waaronder zijn eigen cliënte; b) Verweerder maakt zich schuldig aan vermoeden van laster en smaad met zijn stelling dat zijn cliënte slachtoffer is van belaging door klager; c) Verweerders cliënte beschikt niet over een rechtsgeldige vordering op klager en daarom handelt verweerder onrechtmatig jegens klager door de deurwaarder opdracht te verstrekken tot incassering over te gaan. Verweerder is niet in het bezit van een rechtsgeldige opdracht tot belangenbehartiging en hij heeft de deurwaarder misleid; d) Verweerder maakt zich schuldig aan oplichting en/of bedrog en samenspanning met de gerechtsdeurwaarder, omdat ten laste van klager in beslag genomen bedragen gedeeltelijk voor andere doeleinden worden gebruikt; e) Verweerder geeft adviezen aan zijn cliënte en aan de deurwaarder en is opdrachtgever van de deurwaarder. 2.2 De raad zal hierna bij de beoordeling, waar nodig, op de stellingen en stukken van klager ingaan.

3 VERWEER 3.1 Verweerder heeft tegen de klacht gevoerd en betwist dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De raad zal hierna bij de beoordeling, waar nodig, op het verweer ingaan.

4 BEOORDELING 4.1 De klachtonderdelen gaan over het handelen van verweerder als advocaat van klagers wederpartij. De advocaat van de wederpartij geniet een ruime mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënte te behartigen op de wijze als hem in overleg met zijn cliënte goeddunkt. Deze vrijheid is niet absoluut, maar kan onder meer beperkt worden doordat (a) de advocaat zich niet onnodig grievend mag uitlaten over de wederpartij, (b) de advocaat geen feiten mag poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) de advocaat bij de behartiging van de belangen van zijn cliënte de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig mag schaden zonder redelijk doel. De advocaat behoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënte wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënte strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.Klachtonderdeel a) 4.2 Uit de klachtbrief blijkt dat klager verweerder met dit klachtonderdeel verwijt dat hij zich niet houdt aan de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding en aan het Wetboek van Strafrecht. 4.3 De voorzitter kan op grond van de stukken niet vaststellen of het verwijt dat klager verweerder maakt ten aanzien van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding juist is. Uit de stukken blijkt slechts dat klager vindt dat verweerders cliënte gehouden is om mee te werken aan de verevening van pensioenrechten, terwijl verweerder dit gemotiveerd heeft weersproken. Los van de verschillende standpunten over de verevening van pensioenen betreft het een civielrechtelijk geschil tussen twee ex-echtgenoten waarover de tuchtrechter niet inhoudelijk mag beslissen. Voor wat betreft het verwijt dat verweerder zich niet houdt aan het Wetboek van Strafrecht is het ook niet aan de tuchtrechter om daarover te oordelen. Klachtonderdeel a) is dan ook kennelijk ongegrond.Klachtonderdeel b) 4.4 Klachtonderdeel b) heeft betrekking op de e-mail van 15 maart 2021 (zie 1.6) waarin verweerder heeft opgemerkt dat zijn cliënte slachtoffer is van belaging door klager. De voorzitter begrijpt dat klager dit aanmerkt als ‘een vermoeden van laster en smaad’. 4.5 De voorzitter is van oordeel dat verweerder door zijn woordkeuze de grenzen van de hem toekomende vrijheid als advocaat van de wederpartij niet heeft overschreden. Het gaat om een mededeling van verweerder aan de deurwaarder waarbij verweerder de belangen van zijn cliënte behartigt en de situatie met klager benoemt zoals zijn cliënte die blijkbaar ervaart. Van onnodig grievende uitlatingen aan het adres van klager is daarbij geen sprake. Klachtonderdeel b) is dan ook kennelijk ongegrond.Klachtonderdeel c) 4.6 Op grond van artikel 46g lid 1 sub a Advocatenwet wordt een klacht niet-ontvankelijk verklaard indien de klacht wordt ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. In lid 2 is bepaald dat niet-ontvankelijkverklaring op grond van het bepaalde in lid 1 achterwege blijft indien de gevolgen van het handelen of nalaten redelijkerwijs pas na het verstrijken van de driejaarstermijn bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van de klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken. 4.7 In klachtonderdeel c) verwijst klager naar het vonnis in kort geding van 20 juni 2006 (zie 1.2) op grond waarvan verweerder de deurwaarder opdracht zou hebben gegeven voor het incasseren van dwangsommen. Voor zover klager hier klaagt over handelen van verweerder dat buiten de termijnen als bedoeld in artikel 46g leden 1 en 2 Advocatenwet valt, is klachtonderdeel c) niet-ontvankelijk. Voor het handelen van verweerder dat wel binnen deze vervaltermijnen valt, is de voorzitter van oordeel dat hij als tuchtrechter niet mag beoordelen of verweerders cliënte een rechtsgeldige vordering op klager heeft en of verweerder onrechtmatig jegens klager heeft gehandeld door de deurwaarder opdracht te verstrekken tot incassering over te gaan. Deze inhoudelijke oordelen zijn voorbehouden aan de civiele rechter. In zoverre is klachtonderdeel c) dan ook kennelijk ongegrond. Verder kan de tuchtrechter op grond van de dossierstukken niet vaststellen of sprake is van misleiding van de deurwaarder. Bij de vraag of verweerder in het bezit is van een rechtsgeldige opdracht tot belangbehartiging heeft klager geen rechtstreeks eigen belang. Dit betreft immers alleen de relatie tussen de advocaat en zijn cliënte. In zoverre is klachtonderdeel c) kennelijk niet-ontvankelijk.Klachtonderdeel d) 4.8 Voor het handelen dat klager verweerder met dit klachtonderdeel verwijt, oplichting en/of bedrog en samenspanning met de gerechtsdeurwaarder, ontbreekt een feitelijke onderbouwing, nog daargelaten dat de tuchtrechter in het algemeen niet kan treden in dergelijke kwalificaties. Klachtonderdeel d) is dan ook kennelijk ongegrond.Klachtonderdeel e) 4.9 Het klachtrecht is niet in het leven geroepen voor een ieder, doch slechts voor degenen die door een handelen of nalaten van een advocaat in zijn belang getroffen is of kan worden. Voor zover in het algemeen belang een tuchtrechtelijke toetsing is vereist, wordt het klachtrecht uitgeoefend door de deken. 4.10 De voorzitter is van oordeel dat klager er niet over kan klagen dat verweerder zijn cliënte en de deurwaarder adviezen geeft en dat verweerder opdrachtgever van de deurwaarder is. De advisering van cliënten behoort immers tot de kerntaken van de advocaat als behartiger van de belangen van zijn cliënten. Dat verweerder als advocaat van zijn cliënte opdrachten en adviezen aan een deurwaarder geeft, zoals klager heeft gesteld, vloeit daaruit voort en is volstrekt gangbaar. Niet is gebleken dat klager door het door hem gestelde handelen van verweerder rechtstreeks in zijn eigen belang is getroffen. Klachtonderdeel e) is dan ook niet-ontvankelijk.   Conclusie 4.11 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter klachtonderdelen a), b) en d) kennelijk ongegrond verklaren, klachtonderdeel c) deels niet-ontvankelijk, deels kennelijk ongegrond en deels kennelijk niet-ontvankelijk en klachtonderdeel e) niet-ontvankelijk.

BESLISSING De voorzitter verklaart: - klachtonderdelen a), b) en d), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond; - klachtonderdeel c), met toepassing van artikel 46g Advocatenwet, deels niet-ontvankelijk, en met toepassing van artikel 46j Advocatenwet deels kennelijk ongegrond en deels kennelijk niet-ontvankelijk; - klachtonderdeel e), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk.

Aldus beslist door mr. P.F.A. Bierbooms, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 april 2022.

Griffier                                                            Voorzitter

Bij afwezigheid van mr. A.E. van Oost is deze beslissing ondertekend door mr. M.M. Goldhoorn (griffier)

Verzonden d.d. 4 april 2022