Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

25-04-2022

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2022:59

Zaaknummer

21-905/DH/RO

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Betamelijkheidsnorm en kernwaarde integriteit. Verweerder heeft niet gehandeld zoals dat een behoorlijk advocaat betaamt door bij het aanvaarden van de incasso-opdracht onvoldoende duidelijk te maken dat bij klager ook provisie in rekening wordt gebracht als klagers vordering buiten verweerder om wordt voldaan. Verweerder heeft de in rekening te brengen provisie bij tussentijdse beëindiging van de incasso-opdracht echter ‘verstopt’ in de incasso- en algemene voorwaarden in plaats van daar vooraf transparant over te zijn en klager hierover duidelijk te informeren. Verder is de hoogte van de in rekening gebrachte provisie gelet op de werkzaamheden die daar tegenover staan excessief en is de berekende rente in klagers zaak niet redelijk. Verweerder heeft financieel niet integer gehandeld. Maatregel van voorwaardelijke schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van vier weken, met een proeftijd van twee jaar. Verkorting termijn als bedoeld in artikel 8a lid 3 Advocatenwet.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 25 april 2022 in de zaak 21-905/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 4 februari 2021 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht over verweerder ingediend. 1.2    Op 1 november 2021 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2021/73 van de deken ontvangen. 1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 21 februari 2022. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. 1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 27. Ook heeft de raad kennisgenomen van klagers e-mail van 8 februari 2022 met bijlagen en van verweerders e-mail van 14 februari 2022 met bijlage. Tot slot heeft de raad kennisgenomen van de door klager ter zitting overgelegde en voorgedragen spreekaantekeningen en van hetgeen overigens ter zitting naar voren is gebracht. 

2    FEITEN 2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het dossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2    Klager heeft zich vanwege een vordering van € 30.889,18 op een van zijn klanten tot [… incasso advocaten B.V.] (hierna: kantoor X) gewend om deze vordering voor hem te incasseren. Op 15 augustus 2019 om 09:40 uur is een bevestiging van de incasso-opdracht naar klager gemaild. Hierin is verwezen naar de incassovoorwaarden en de algemene voorwaarden die kantoor X hanteert en die op klagers opdracht van toepassing zijn. In de opdrachtbevestiging is niet vermeld welke advocaat binnen kantoor X klagers zaak zal behandelen. 2.3    Kantoor X heeft klagers opdracht aangenomen op basis van ‘no cure no pay’. In de incassovoorwaarden is daarover het volgende opgenomen: ‘Buitengerechtelijke incasso op basis van no cure no pay  Wij verzorgen het buitengerechtelijke incassotraject op basis van no cure no pay. Incasseren wij niets, dan betaalt u ons niets. Incasseren wij wel, dan belasten wij de bij de debiteur in rekening gebrachte rente en incassokosten aan u door als vergoeding voor onze buitengerechtelijke werkzaamheden.’ 2.4    In de incassovoorwaarden zijn ook zogenoemde spelregels opgenomen die voor een incasso gelden. Spelregel 2 bepaalt dat de opdrachtgever kantoor X in staat stelt om hun werk te doen en daar is geen sprake van indien de opdrachtgever de incasso-opdracht tussentijds beëindigt zonder toestemming van kantoor X. Onder spelregels 1 en 2 is het volgende opgenomen: ‘Indien u zich niet aan spelregel 1 of spelregel 2 houdt, dan is het helaas aan u als opdrachtgever toe te rekenen dat wij de kosten van onze werkzaamheden niet op de debiteur kunnen verhalen, dan wel dat verhaal van deze kosten op de debiteur onevenredig bezwaarlijk is. Bij overtreding van deze spelregels bent u ons daarom een incassoprovisie verschuldigd over de hoofdsom van de ter incasso ingediende vordering. De incassoprovisie bedraagt 15% over de eerste € 25.000,00, 10% over het meerdere tot      € 100.000,00 en 5% over het meerdere daarboven, met een minimum van € 350,00 (exclusief BTW), onverminderd eventuele overige vergoedingen die ons kantoor toekomen. Wij zijn in dat geval bovendien gerechtigd om de opdracht op te zeggen en het dossier te sluiten.’ In spelregel 3 is bepaald: ‘Spelregel 3: geen exorbitant hoge incassokosten  Wij brengen uw debiteur geen exorbitant hoge incassokosten in rekening. Onze incassokosten zijn conform de in de wetgeving en rechtspraak geldende regels. De hoogte van de incassokosten wordt bepaald op basis van de wettelijke regeling, dan wel uw eventuele betalingsvoorwaarden indien deze voorwaarden bepalen dat er een hoger bedrag aan incassokosten is verschuldigd.’  2.5    In de algemene voorwaarden is in artikel 5.9 het volgende vermeld: ‘In geval van (tussentijdse) beëindiging zoals vermeld in artikel 2.3 wordt de (incasso)provisie vastgesteld op het bedrag dat zou zijn verschuldigd indien het beoogde resultaat volledig zou zijn behaald, waarbij de hoogte van de vordering zoals verwerkt in het dossier van [kantoor X] leidend is. (…) De aldus vastgestelde (incasso)provisie is onmiddellijk opeisbaar.’ 2.6    Op 15 augustus 2018 heeft kantoor X na de opdrachtbevestiging een procesadvies tot faillissementsaanvraag naar klager gestuurd. In dat procesadvies is onder meer het volgende vermeld: ‘Kosten  Het honorarium voor de werkzaamheden in verband met de faillissementsaanvraag bedraagt € 750,00 (exclusief BTW). Dit betreft een vaste prijs voor een faillissementsaanvraag zonder verweer. Verder wordt bij een vaste prijsafspraak een provisie in rekening gebracht over het bedrag dat wordt betaald vanaf de datum van dit prijsvoorstel. De provisie bedraagt 15% over de eerste € 25.000,00, 10% over het meerdere tot € 100.000,00 en 5% over het meerdere daarboven (exclusief BTW). Het honorarium voor het uitvoeren van het onderzoek naar steunvorderingen bedraagt € 247,00 per onderzochte debiteur (exclusief BTW).’ 2.7    Op 15 augustus 2019 om 10:22 uur heeft klager aan een medewerker van kantoor X bericht dat hij akkoord gaat met de aanvraag van het faillissement. Dezelfde dag heeft klager een voorschotfactuur  van € 1.614,86 betaald.  2.8    Op 15 augustus 2019 is aan de debiteur in klagers zaak (hierna: de debiteur) surseance van betaling verleend. 2.9    Op 16 augustus 2019 heeft kantoor X de debiteur gesommeerd tot betaling van een bedrag van € 15.425,38 vermeerderd met € 955,44 incassokosten en rente, bij gebreke waarvan het faillissement zal worden aangevraagd. Bij deze sommatie is een concept faillissementsaanvraag bijgevoegd. 2.10    Op 19 augustus 2019 heeft mr. A. van kantoor X klagers vordering ingediend bij de bewindvoerder van de debiteur. 2.11    Bij e-mail van 19 augustus 2019 heeft klager kantoor X bericht dat hij de procedure wil intrekken omdat ‘sprake is van surseance en een faillissementsaanvraag niet meer nodig is’. Ook heeft klager in deze e-mail opgemerkt: ‘Aangezien ik al een bedrag van circa €1600 betaald heb zou ik graag een deel van deze kosten terug willen hebben. Dit aangezien er weinig werk in heeft gezeten vanuit jullie kant.’ 2.12    Vervolgens is er telefonisch contact tussen mr. A. en klager geweest. Op 20 augustus 2019 heeft mr. A. over dat contact de volgende aantekening in klagers dossier gemaakt: ‘Er is telefonisch contact geweest met de opdrachtgever. Ik heb [naam klager] erop gewezen dat wij bij een tussentijdse beëindiging van de opdracht provisie in rekening moeten brengen over de hoofdsom, conform de afspraken. Uitleg gegeven over de gedachte achter deze afspraak. [Naam klager] wil daarom de zaak toch door laten lopen.’ 2.13    Op 20 augustus 2019 heeft mr. A. per e-mail aan klager bevestigd dat zij het dossier niet tussentijds zullen beëindigen en dat hun voorwaarden en spelregels aan klager zijn uitgelegd. 2.14    Daarna is duidelijk geworden dat ING, ten behoeve van wie de door klager aan debiteur gefactureerde werkzaamheden zijn uitgevoerd, zich bereid heeft verklaard tot betaling van de vordering van onder meer klager. Vervolgens is de debiteur op 3 september 2019 in staat van faillissement verklaard.  2.15    Op 1 oktober 2019 heeft klager per e-mail aan mr. A. bericht dat ING zijn facturen inmiddels heeft betaald en heeft klager hem gevraagd het dossier te sluiten en de resterende kosten op zijn rekening terug te storten. 2.16    Op 7 oktober 2019 heeft kantoor X per e-mail aan klager bevestigd dat het incassodossier is gesloten. Bij deze e-mail is een eindafrekening bijgevoegd van in totaal € 6.227,17 aan provisie, rente en incassokosten.  2.17    Op 4 oktober 2019 heeft kantoor X klager een sommatie gestuurd, waarbij het bedrag van € 6.227,17 is verhoogd met € 2.032,58 aan verschuldigde rente van 2% per maand en      € 934,08 aan incassokosten. 2.18    Over de eindafrekening is tussen klager en kantoor X een geschil ontstaan en kantoor X heeft klager uiteindelijk voor de kantonrechter gedagvaard. Bij vonnis van 4 november 2021 is de vordering van kantoor X op klager kort gezegd afgewezen en de reconventionele vordering van klager toegewezen, in die zin dat kantoor X is veroordeeld tot betaling aan klager van het door klager aan kantoor X betaalde voorschot van € 1.614,86. Kantoor X is van dit vonnis in hoger beroep gegaan.

3    KLACHT 3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende: a)    de prijsafspraken die kantoor X hanteert zijn niet transparant, althans daar wordt niet transparant over gecommuniceerd; b)    de declaraties van kantoor X zijn excessief; c)    kantoor X heeft allerlei handelingen bij klager in rekening gebracht die niet zijn verricht, maar wel zijn beloofd en de handelingen die wel zijn verricht, zijn niet deskundig verricht. 3.2    De raad zal hierna, voor zover relevant, ingaan op de stellingen en stukken van klager. 

4    VERWEER  4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd en betwist dat sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Volgens verweerder is geen sprake van gedane beloften die niet zijn nagekomen. Verder is volgens verweerder ook geen sprake van  excessief declareren en staan de totale kosten van € 6.227,17 in redelijke verhouding tot de hoofdsom van bijna € 31.000,-. Daarbij wijst verweerder onder meer op het feit dat het afspreken van een vaste prijs in combinatie met een succesfee is toegelaten, de bedongen vaste prijs van € 750,- kostendekkend maar bescheiden is voor een faillissementsvraag en de opdrachtbevestiging in combinatie met de algemene voorwaarden transparant is over de inhoud van de gemaakte prijsafspraak.  4.2    De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING Ontvankelijkheid  5.1    De klacht is gericht tegen kantoor X, een incasso-advocatenkantoor. Het tuchtrecht voor advocaten gaat uit van klachten over het handelen van een individuele advocaat, zodat de raad eerst moet beoordelen of de klacht ontvankelijk is en dus inhoudelijk kan worden beoordeeld. 5.2    Kantoor X wordt gevoerd in de vorm van een besloten vennootschap. Dat brengt mee dat als het handelen waarover wordt geklaagd de bestuurders van een besloten vennootschap kan worden aangerekend, de klacht kan worden ontvangen als te zijn gericht tegen de bestuurders van de vennootschap. De klacht wordt dan geacht gericht te zijn tegen de individuele (advocaat)bestuurders van de vennootschap. Verweerder heeft zich, onder overlegging van uittreksels uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel, zowel in de kantonprocedure als in deze klachtprocedure gepresenteerd als bestuurder van kantoor X. Daarom merkt de raad verweerder aan als vertegenwoordiger van het bestuur van kantoor X. De raad zal de klacht dan ook opvatten als een klacht gericht tegen verweerder als de aan te spreken bestuurder namens het bestuur van kantoor X. Omdat de klacht te maken heeft met de wijze waarop kantoor X de incassopraktijk heeft georganiseerd, onder meer ten aanzien van incasso’s op basis van het principe ‘no cure no pay’ en vaste prijsafspraken bij faillissementsaanvragen, kan het handelen waarover klager klaagt verweerder als bestuurder van het advocatenkantoor ook worden aangerekend. De klacht is daarom ontvankelijk. Dit betekent dat de raad de onderdelen van de klacht hierna inhoudelijk zal beoordelen. Toetsingskader 5.3    De tuchtrechter toetst het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven betamelijkheidsnorm. Daarbij betrekt de tuchtrechter onder meer de kernwaarde integriteit zoals omschreven in artikel 10a lid 1 onder d Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, vanwege het open karakter van de wettelijke norm, daarbij wel van belang zijn (direct of analoog). Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld (zie HvD 23 april 2021, ECLI:NL:TAHVD:2021:77). 5.4    Op grond van gedragsregel 16 lid 1 dient de advocaat zijn cliënt op de hoogte te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, dient hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. In lid 3 is bepaald dat de advocaat ook integer en zorgvuldig handelt in financiële aangelegenheden. In de toelichting op gedragsregel 16 is opgemerkt dat juist ook in financiële aangelegenheden voor advocaten een zorgplicht geldt. Op grond van gedragsregel 17 lid 1 behoort de advocaat bij het vaststellen van zijn declaratie een, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijk honorarium in rekening te brengen. Op grond van lid 2 draagt de advocaat er zorg voor dat bij het aanvaarden van de opdracht duidelijke afspraken zijn gemaakt over onder meer het honorarium. Klachtonderdeel a) 5.5    Met klachtonderdeel a) verwijt klager verweerder dat de prijsafspraken die kantoor X hanteert niet transparant zijn, althans dat kantoor X daar niet transparant over communiceert. Uit het klachtformulier en klagers toelichting ter zitting begrijpt de raad dat het klager er vooral omgaat dat kantoor X niet transparant heeft gecommuniceerd dat hij provisie moet betalen bij tussentijdse beëindiging van de incasso-opdracht. 

5.6    De raad is op grond van de dossierstukken en de toelichtingen die ter zitting zijn gegeven van oordeel dat kantoor X en daarmee verweerder niet heeft gehandeld zoals dat een behoorlijk advocaat betaamt. Kantoor X heeft bij het aanvaarden van de incasso-opdracht onvoldoende duidelijk gemaakt dat bij klager ook provisie in rekening wordt gebracht als klagers vordering buiten kantoor X om wordt voldaan, een situatie die is gebaseerd op artikel 5.9 van de incassovoorwaarden (zie 2.4). In dit geval is de openstaande vordering van klager op de debiteur buiten het lopende incassotraject bij kantoor X om door ING voldaan, waarna klager de incasso-opdracht heeft beëindigd (zie 2.15). Kantoor X heeft klager noch in de opdrachtbevestiging noch in het procesadvies gewezen op de financiële gevolgen als de vordering buiten kantoor X om wordt geïnd. Het had op de weg van kantoor X en daarmee van verweerder gelegen om de financiële afspraken duidelijk aan klager te presenteren in de opdrachtbevestiging en klager ook te informeren over het bedrag dat hij verschuldigd zou zijn als de vordering buiten kantoor X zou worden geïnd. Kantoor X heeft de in rekening te brengen provisie bij tussentijdse beëindiging van de incasso-opdracht echter ‘verstopt’ in de incasso- en algemene voorwaarden in plaats van daar vooraf transparant over te zijn en klager hierover duidelijk te informeren. Omdat kantoor X en daarmee verweerder klachtwaardig hebben gehandeld, is klachtonderdeel a) gegrond. Klachtonderdeel b) 5.7    Met klachtonderdeel b) verwijt klager kantoor X en daarmee verweerder dat de declaraties excessief zijn. De raad begrijpt dat het klager gaat om de voorschotnota van € 1.614,86 voor het opstellen van het faillissementsrekest (de vaste prijsafspraak) en om het aanvullend berekenen van de succes fee van € 6.227,17 (provisie, rente en incassokosten) die bij factuur van 7 oktober 2019 bij klager in rekening is gebracht (zie 2.16).  5.8    De raad is niet bevoegd om declaratiegeschillen te beslechten, maar waakt wel tegen excessief declareren. In zoverre is het handelen van kantoor X en daarmee van verweerder dus aan een tuchtrechtelijk oordeel onderworpen. Van excessief declareren kan sprake zijn als het in rekening gebrachte bedrag in geen enkele verhouding staat tot de door verweerder voor klager verrichte werkzaamheden. 5.9    De raad is op grond van het dossier en de ter zitting afgelegde verklaringen van oordeel dat kantoor X en daarmee verweerder niet hebben gehandeld zoals dat een behoorlijk advocaat betaamt. De uitgevoerde werkzaamheden hebben blijkens de voorschotnota uit niet veel meer bestaan dan uit standaard incassohandelingen, zoals het raadplegen van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en het versturen van een sommatie met aanzegging van een faillissementsaanvraag, alsmede het daadwerkelijk opstellen van een concept-faillissementsaanvraag die uiteindelijk niet is verstuurd vanwege de verleende surseance van betaling. Vervolgens is de vordering buiten kantoor X om betaald, waarna kantoor X het dossier heeft gesloten en, bovenop de door klager betaalde voorschotnota van € 1.614,86, de provisie in rekening heeft gebracht van € 4.338,92. Gelet op de werkzaamheden die daar tegenover staan, acht de raad de hoogte van de provisie excessief. Daarbij neemt de raad ook in aanmerking dat verweerder ter zitting heeft erkend dat de incassozaak van klager een atypisch verloop heeft gehad en dat hij klager achteraf gezien niet de (volledige) provisie in rekening had moeten brengen. Daarnaast is de raad van oordeel dat verweerder als advocaat ook niet betamelijk heeft gehandeld door bij klager een rente in rekening te brengen van 2% per maand. Het standpunt van verweerder dat dit rentetarief conform de gebruikelijke incassopraktijk is, volgt de raad niet. Dit rentetarief komt neer op 24% per jaar, drie keer hoger dan de wettelijke handelsrente die in 2019 8% bedroeg. Feitelijk komt dit neer op een boete en dat is in klagers incassozaak niet redelijk, zeker nu klagers vordering niet door de inspanningen van verweerder is voldaan. Klachtonderdeel b) is dan ook gegrond.  Klachtonderdeel c) 5.10    Met klachtonderdeel c) verwijt klager kantoor X en daarmee verweerder dat allerlei handelingen bij hem in rekening zijn gebracht die niet zijn verricht, maar wel zijn beloofd en dat de handelingen die wel zijn verricht, niet deskundig zijn verricht. Uit het klachtformulier leidt de raad af dat het klager hierbij gaat om de werkzaamheden rondom de aanvraag van het faillissement.  5.11    Het is de raad op basis van de overgelegde stukken niet gebleken dat bij klager allerlei handelingen in rekening zijn gebracht die niet zijn verricht maar wel beloofd. Uit de stukken en de ter zitting gegeven toelichting van verweerder is voldoende gebleken dat er werkzaamheden voor de aanvraag van het faillissement zijn verricht, maar dat de aanvraag uiteindelijk niet is ingediend omdat toen bleek dat al surseance van betaling was verleend. Uit de eindafrekening blijkt dat kantoor X geen deurwaarderskosten en geen griffierecht voor de faillissementsaanvraag bij klager in rekening heeft gebracht. Verder is het de raad op grond van de overgelegde stukken niet gebleken dat aan de zijde van kantoor X en daarmee verweerder sprake is van een gebrek aan deskundigheid. Klachtonderdeel c) is dan ook ongegrond. Prijsafspraken 5.12    Ter zitting heeft verweerder de raad verzocht de vraag te beantwoorden of prijsafspraken, zoals een provisie van 15%, civielrechtelijk en tuchtrechtelijk zijn toegestaan, omdat de deken hier in zijn dekenvisie niet meer op in is gegaan. De raad ziet binnen het kader van de klachtonderdelen echter geen ruimte om een algemeen (principieel) tuchtrechtelijk oordeel te geven over prijsafspraken binnen de praktijk van de incasso-advocatuur, terwijl een civielrechtelijk oordeel aan de civiele rechter is voorbehouden.  Conclusie 5.13    Uit het bovenstaande volgt dat de raad klachtonderdelen a) en b) gegrond zal verklaren en klachtonderdeel c) ongegrond.

6    MAATREGEL 6.1    Het had op de weg van verweerder gelegen om zich niet alleen achteraf maar ook ten tijde van de financiële afwikkeling van klagers dossier te beraden over dit atypische geval in plaats van de in de algemene voorwaarden voorziene kosten te factureren. Door dit na te laten en de volledige provisie bij klager in rekening te brengen, vermeerderd met een rente die feitelijk neerkomt op een boete bovenop een reeds betaalde voorschotfactuur, heeft verweerder zijn financiële integriteit als advocaat geschonden. De aard en ernst van dit handelen rechtvaardigen de oplegging van een maatregel.  Mede nu verweerder financieel niet integer heeft gehandeld en daarmee een kernwaarde niet heeft nageleefd, alsmede mede gelet op het tuchtrechtelijk verleden van verweerder ziet de raad dan ook aanleiding om verweerder de maatregel op te leggen van een voorwaardelijke schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van vier weken, met een proeftijd van twee jaar.  6.2    De in de wet genoemde termijn gedurende welke de gegevens genoemd in artikel 8a lid 2 onder b tot en met e Advocatenwet – waaronder een voorwaardelijke schorsing – door een ieder kunnen worden ingezien bedraagt tien jaar. De tuchtrechter kan bepalen dat deze termijn wordt verkort, maar niet korter dan de duur van de schorsing. De tuchtrechter kan in een concreet geval door verkorting van de termijn rekening houden met het gerechtvaardigde belang van een advocaat bij een kortere inzagetermijn en aldus disproportionele situaties voorkomen. In deze zaak ziet de raad aanleiding om de termijn van tien jaar te verkorten tot vijf jaar, gelet op de aard en duur van de voorwaardelijke schorsing en op de duur van de proeftijd.

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager dient binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door te geven. 7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) € 50,- reiskosten van klager b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en c) € 500,- kosten van de Staat.  7.3    Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager dient binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door te geven.  7.4    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING De raad van discipline: -    verklaart klachtonderdelen a) en b) gegrond; - verklaart klachtonderdeel c) ongegrond; - legt aan verweerder de maatregel van een voorwaardelijke schorsing voor de duur van vier weken op; - stelt als algemene voorwaarde dat verweerder zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging; -     stelt de proeftijd op een periode van twee jaar, ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt; -        bepaalt dat de in artikel 8a lid 3 Advocatenwet bedoelde termijn wordt verkort tot vijf jaar; - veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager; -    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;  -    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

Aldus beslist door mr. G.A.F.M. Wouters, voorzitter, mrs. R. de Haan en E.A.L. van Emden, leden, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 april 2022.