Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

04-04-2022

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2022:53

Zaaknummer

22-104/A/A

Inhoudsindicatie

Vrijheid advocaat wederpartij. Uit het feit dat het hof getuigenbewijs heeft toegelaten volgt reeds dat een getuigenverhoor niet zinloos was. Dat het hof heeft geoordeeld dat de getuigenverklaringen niet konden bijdragen aan het (te leveren) bewijs maakt nog niet dat de verhoren zinloos waren. Het per abuis opvragen van stukken bij de wederpartij en het daarbij dreigen met een kort geding levert geen nodeloze en/of ontoelaatbare schending van diens belangen op. Klacht kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort  Amsterdam van 28 maart 2022 in de zaak 22-104/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 3 februari 2022 met kenmerk 2020-1283464, digitaal door de raad ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4. 

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Verweerster heeft de broer van klager vanaf 2013 bijgestaan in twee procedures over de verdeling van de nalatenschap van hun in respectievelijk 2005 (de vader) en 2012 (de moeder) overleden ouders. Klager was mentor en bewindvoerder van de moeder en is door de moeder tot executeur van de nalatenschap benoemd. 1.2    Lopende deze procedures heeft verweerster conservatoire beslagen laten leggen op zaken die tot de nalatenschap behoorden. 1.3    De rechtbank Den Haag heeft in eerste aanleg op 14 oktober 2015 vonnis gewezen en klager daarbij onder meer veroordeeld tot betaling van een bedrag van ongeveer EURO 450.000,- aan zijn broer. Tegen dit vonnis heeft de broer van klager hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Den Haag. 1.4    Verweerster heeft de broer van klager tevens bijgestaan naar aanleiding van een verzoek van klager tot onderbewindstelling. Dat verzoek is door de rechtbank Amsterdam bij beslissing d.d. 12 juli 2016 afgewezen. 1.5    Op het dekenspreekuur van 23 juni 2016 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster. Bij brief aan de deken van 24 oktober 2016 heeft klager zijn klacht uitgebreid. De klachten betroffen het handelen van verweerster in de periode oktober 2012 tot en met 29 juni 2016. 1.6    Bij beslissing van 12 mei 2017 heeft de voorzitter van de raad van discipline deze klacht deels niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond verklaard (zaaknummer 17-082/A/A). De klacht is door de voorzitter als volgt omschreven: “De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat zij: a) zich tijdens de mediation niet welwillend heeft opgesteld; b) tijdens de mediation in strijd met de waarheid heeft verklaard dat er een afspraak was gemaakt om stukken te overhandigen; c) erop heeft aangestuurd dat er moest worden geprocedeerd; d) na afloop van de mediation de bedongen geheimhouding heeft geschonden door uitspraken van klager, gedaan tijdens de mediation, te gebruiken in de rechtbankprocedure en in het verweerschrift met betrekking tot de onderbewindstelling; e) de huisarts van wijlen de moeder van klager heeft misleid of heeft willen misleiden door niet expliciet duidelijk te maken dat zij belde namens de broer; f) de huisarts heeft uitgelokt tot het doorbreken van zijn beroepsgeheim; g) bij het opvragen van het medisch dossier van de moeder van klager de internist heeft misleid door niet te vermelden dat niet alleen de broer belanghebbende was bij het dossier, maar er ook nog een andere broer, klager, was; h) klager heeft beledigd en onnodig heeft gekwetst en onjuistheden heeft verkondigd; i) medische gegevens van de moeder van klager op respectloze wijze in de openbaarheid heeft gebracht door de bevindingen van prof. S. te gebruiken in de procedure; j) zich tijdens de comparitie schuldig heeft gemaakt aan stemmingmakerij; k) de rechtbank heeft misleid door tijdens de zitting in het incident in het kader van het restitutierisico te laten weten dat er niet meer dan een kleine hypotheek op het huis van de broer rustte. De hypotheek was vele malen hoger; l) agressief en brutaal is geweest door een dag na de uitspraak klager via zijn advocaat heeft willen aansporen om te betalen, onder dreiging van rechtsmaatregelen. Dit terwijl het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad was verklaard; m) ervoor heeft gezorgd dat klager veel kosten heeft moeten maken als gevolg van de gelegde beslagen. Verweerster is opdrachtgever van de deurwaarder en heeft deze niet goed geïnstrueerd/begeleid; n) de procedure onnodig heeft vertraagd door aan klager nieuwe kopieën van bankafschriften te vragen in verband met de volgnummers, terwijl de reeds overgelegde kopieën voldoende duidelijk waren; o) een verweerschrift tegen het verzoek tot onderbewindstelling heeft ingediend dat misleidend is, allerlei (stemming makende) onjuisthedenheden bevat. p) de verklaring van mr. D van 29 juni 2016 als productie in het geding heeft gebracht.”  1.7    Klager heeft tegen de beslissing van de voorzitter d.d. 12 mei 2017 ten aanzien van de klachtonderdelen d) tot en met p), verzet ingesteld. Het verzet van klager is bij beslissing van de raad van discipline van 10 oktober 2017 ongegrond verklaard. 1.8    In de in 1.3 bedoelde hoger beroepsprocedure heeft het Gerechtshof Den Haag bij tussenbeslissing d.d. 19 december 2017 klager opgedragen bewijsstukken over te leggen en inzage te verschaffen, en de broer van klager toegelaten om door middel van het horen van getuigen te bewijzen dat zijn moeder ten tijde van het opstellen van haar testament, niet in staat was om haar wil te bepalen. Het getuigenverhoor heeft op 27 maart 2018 plaatsgevonden. Bij die gelegenheid zijn drie getuigen gehoord. 1.9    Op 15 januari 2018 heeft verweerster aan de advocaat van klager om toezending van de door het hof bedoelde stukken verzocht. Omdat zij daarop geen reactie ontving, heeft zij haar verzoek op 23 januari 2018 herhaald, waarbij zij tevens heeft verzocht om verhinderdata voor een kort geding. De advocaat van klager heeft verweerster gewezen op een in haar schrijven van 15 januari 2018 gemaakte fout, waarna zij een en ander op 13 februari 2018 per e-mail heeft gecorrigeerd.  1.10    Bij arrest van 11 september 2018 heeft het Gerechtshof Den Haag geoordeeld dat uit de op 27 maart 2018 afgelegde getuigenverklaringen niet blijkt van het ontbreken van wilsbekwaamheid van de moeder van klager op of rond het moment dat zij haar testament maakte zodat van de geldigheid daarvan moet worden uitgegaan. Klager is opgedragen om nadere stukken over te leggen. 1.11    Verweerster is sinds maart 2019 niet meer als advocaat bij de zaak tussen klager en zijn broer betrokken. De behandeling van het dossier is overgenomen door mr. O.  1.12    Op 24 januari 2020 zijn de in 1.2 bedoelde beslagen doorgehaald. 1.13    Op 17 november 2020 heeft klager bij de deken onderhavige klacht ingediend over verweerster. 

2    KLACHT 2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende.  a)    Op initiatief van verweerster heeft op 27 maart 2018 een zinloos getuigenverhoor plaats gevonden, met onnodige kosten voor klager als gevolg. Dit is een schending van gedragsregel 6. b)    Verweerster heeft door haar gelegde beslagen pas opgeheven nadat klager haar via zijn advocaat erop had gewezen dat dit moest gebeuren. Dat is een beroepsfout, waardoor klager onterechte kosten heeft moeten maken. c)    Verweerster heeft klager ten onrechte gevraagd om meer stukken over te leggen dan de rechter had bevolen en in verband daarmee op agressieve wijze met rechtsmaatregelen gedreigd. 2.2    Klager geeft aan zijn klacht mede te hebben ingediend om vernieuwde aandacht voor en/of een herbeoordeling van zijn eerdere klachten tegen verweerster te bereiken op basis van nieuwe feiten over de psychische gezondheidstoestand van zijn broer die bij de beoordeling van zijn klachten van belang zouden zijn geweest.

3    VERWEER 3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING 4.1    Nu de klacht is ingediend binnen drie jaar na het handelen of nalaten waarop de klacht betrekking heeft (namelijk 15 en 23 januari 2018; onderdeel b, 27 maart 2018 ;onderdeel a en januari 2020; onderdeel c) en de verweten gedragingen een andere periode betreffen dan die waarop de klachten zagen waarover door de voorzitter en de raad van discipline in de zaak 17-082/A/A is geoordeeld, is deze naar het oordeel van de voorzitter ontvankelijk. Dat betekent dat aan een inhoudelijke beoordeling wordt toegekomen.  4.2    De klacht ziet op het handelen van verweerster als advocaat van een wederpartij. Uitgangspunt is dat die advocaat een ruime mate van vrijheid geniet om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze als hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt. Deze vrijheid is niet absoluut, maar kan onder meer beperkt worden doordat (a) de advocaat zich niet onnodig grievend mag uitlaten over de wederpartij, (b) de advocaat geen feiten mag poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) de advocaat bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig mag schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt voorts dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat behoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen. 4.3    Ten aanzien van klachtonderdeel a is in het onderhavige geval noch uit de stukken, noch anderszins gebleken dat verweerster de hiervoor bedoelde haar toekomende ruime mate van vrijheid te buiten is gegaan dan wel zich in enig ander opzicht niet heeft gedragen zoals een behoorlijk advocaat betaamt. Het gerechtshof had haar client toegelaten tot het leveren van bewijs door middel van het (doen) horen van getuigen. Daaruit volgt reeds dat het getuigenverhoor niet zinloos was. Het stond verweerster vrij de getuigen te (doen) horen waarvan zij meende dat die konden bijdragen aan de bewijslevering. Dat het hof heeft daarover anders heeft geoordeeld, maakt nog niet dat de verhoren zinloos waren en dat verweerster met het (doen) horen van deze getuigen tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.  4.4    Klachtonderdeel b) betreft de periode eind 2019 – eind januari 2020. Verweerster stond de broer van klager op dat moment niet meer als advocaat bij. 4.5    Wat betreft klachtonderdeel c is naar het oordeel van de voorzitter evenmin uit de stukken of anderszins gebleken dat verweerster heeft gehandeld in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt door per abuis verkeerde stukken op te vragen en namens te dreigen met een kort geding. Verweerster heeft haar vergissing direct nadat zij daarop was gewezen rechtgezet, en heeft slechts de belangen van haar cliënt voor ogen gehad, zoals ook haar taak was, zonder dat daarbij de belangen van klager nodeloos en op ontoelaatbare wijze zijn geschaad.  4.6    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING De voorzitter verklaart:  de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. H.P.H.I. Cleerdin, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 april 2022

Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 4 april 2022