Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

20-12-2021

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2021:229

Zaaknummer

21-332/DB/LI

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht over de kwaliteit van de dienstverlening. De raad is op grond van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht van oordeel dat het advies en de bijstand zoals geschetst, niet getuigen van een kwaliteit van dienstverlening die onder de maat blijft van wat van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat mag worden verwacht. Dat verweerster onvoldoende met klager heeft gecommuniceerd doordat zij niet reageerde op terugbelverzoeken en e-mails van klager is naar het oordeel van de raad niet gebleken. Wel staat als uitdrukkelijk door verweerster erkend vast dat de communicatie in de maanden en september en oktober 2020 beter had gekund. Dit verzuim is naar het oordeel van de raad evenwel van onvoldoende gewicht om verweerster een tuchtrechtelijk verwijt te maken. De klacht is op grond van het voorgaande naar het oordeel van de raad ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch

van 20 december 2021

in de zaak 21-332/DB/LI

naar aanleiding van de klacht van:

 

Klager

 

over:

 

Verweerster

 

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Op 2 november 2020 heeft klager middels het invullen van een webformulier bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.

1.2 Op 14 april 2021 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K20-160 van de deken ontvangen.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 6 september 2021. Daarbij waren klager en verweerster aanwezig.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 10.

 

2 FEITEN

2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2     In juni 2020 heeft X. Rechtsbijstand de behandeling van klagers dossier uitbesteed aan verweerster. Klager wilde bij de politie aangifte doen van onder meer belaging en bedreiging. De politie weigerde de aangifte op te nemen.

2.3     Verweerster heeft klager geadviseerd om in gesprek te gaan met de wijkagent en, indien dat niet tot het gewenste resultaat zou leiden, een klacht in te dienen op basis van de interne klachtprocedure bij de politie. Op 30 juni 2020 heeft klager een gesprek gevoerd met de wijkagent. Verweerster heeft nadere informatie opgevraagd bij het Openbaar Ministerie.

2.4     Verweerster heeft klager geadviseerd om zijn dossier bij de politie te gaan inzien. Klager heeft dit advies niet opgevolgd. Verweerster heeft klager geadviseerd om het resultaat van het onderzoek van de wijkagent af te wachten.  

2.5     Op 2 november 2020 heeft klager middels het invullen van een webformulier bij de deken een klacht ingediend over verweerster.

 

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Verweerster heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat zij:

1. de afspraken niet is nagekomen;

2. verkeerd advies heeft gegeven;

3. niet heeft gereageerd op telefoontjes en mails.

 

4 VERWEER

4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

5 BEOORDELING

5.1     De klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van verweerster. De raad stelt voorop dat de tuchtrechter op grond van artikel 46 Advocatenwet mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening aan een cliënte te beoordelen indien deze daarover klaagt. Wel zal de tuchtrechter daarbij rekening hebben te houden met de vrijheid die de advocaat  heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waarde advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van de opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht (vgl. Hof van Discipline 5 februari 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:32). De raad zal de klacht aan de hand van deze maatstaf beoordelen.

5.2     De raad is op grond van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht van oordeel dat het advies en de bijstand zoals geschetst, niet getuigen van een kwaliteit van dienstverlening die onder de maat blijft van wat van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat mag worden verwacht. Evenmin is gebleken dat verweerster de gemaakte afspraken niet is nagekomen. De raad is van oordeel dat klager dit onderdeel van de klacht onvoldoende concreet heeft gemaakt. Uit de overgelegde stukken blijkt dat verweerster klager op de hoogte heeft gehouden van haar pogingen om nadere informatie te verkrijgen van het Openbaar Ministerie.

5.3     Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht blijkt naar het oordeel van de raad voorts dat er tussen klager en verweerster regelmatig contact is geweest. Dat verweerster onvoldoende met klager heeft gecommuniceerd doordat zij niet reageerde op terugbelverzoeken en e-mails van klager is naar het oordeel van de raad niet gebleken. Wel staat als uitdrukkelijk door verweerster erkend vast dat de communicatie in de maanden september en oktober 2020 beter had gekund. Dit verzuim is naar het oordeel van de raad evenwel van onvoldoende gewicht om verweerster een tuchtrechtelijk verwijt te maken. De klacht is op grond van het voorgaande naar het oordeel van de raad ongegrond.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-           verklaart de klacht ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. R.M.M. van den Heuvel, voorzitter, mrs. L.R.G.M. Spronken, E.J.M. Rosier, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber - Van de Langenberg, als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 20 december 2021.

 

Griffier                                                                          Voorzitter