Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

28-07-2021

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2021:137

Zaaknummer

21-434/DH/RO

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over de deken kennelijk ongegrond. Klager is het niet eens met de door verweerder gegeven dekenvisie. Niet gebleken dat verweerder bewust informatie heeft genegeerd. Dat verweerder naar aanleiding van klagers bezwaren zijn visie niet heeft herzien, is niet klachtwaardig.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 28 juli 2021 in de zaak 21-434/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 7 mei 2021 met kenmerk R 2021/32 edl/gh, door de raad ontvangen op 7 mei 2021, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 16.

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Op 29 augustus 2020 heeft klager bij verweerder een klacht ingediend over mr. V.

1.2    Bij brief van 6 januari 2021 heeft verweerder zijn visie op de klacht gegeven. In de brief is onder meer opgenomen:

“Reactie [mr. V] (…)

[Mr. V] heeft u op 2 april 2020 laten weten alleen nieuwe werkzaamheden te zullen verrichten als de openstaande factuur zou worden voldaan én er een voorschot zou worden betaald voor de nog te verrichten werkzaamheden. (…)

Dekenstandpunt (…)

[Mr. V] stelt dat u een factuur ten onrechte onbetaald hebt gelaten, en dat zij – tevergeefs – getracht heeft met u hierover overleg te voeren. Daarnaast heeft zij van u verlangd dat u een voorschot zou betalen als er nieuwe werkzaamheden verricht zouden moeten worden. U hebt geen voorschot betaald. Wel hebt u, in uw e-mail van 3 april 2020, aan [mr. V] laten weten dat zij geen werkzaamheden meer voor u hoefde te verrichten. (…) Uw klachtonderdeel 2 acht ik om vorenstaande reden ongegrond.”

1.3    Klager heeft diezelfde dag per e-mail gereageerd en onder meer geschreven:

“Er staat letterlijk in de email van 02-04 van haar aan mij het volgende: (…)

U als deken heeft kennelijk moverende redenen om dit argument niet mee te nemen in uw oordeel, wat me doet twijfelen aan uw objectiviteit. U geeft nl. wel aan dat ik op 3 april zelf zou hebben geschreven dat ze niet meer voor mij hoeft te werken. Uiteraard is dat een reactie van mij op bovenstaande stellingname van [mr. V]. U kleurt daarmee uw oordeel door het bewust weglaten van relevante informatie.”

1.4    Bij e-mail van 7 januari 2021 heeft klager verweerder verzocht zijn visie op het hiervoor genoemde punt te herzien.

1.5    Op 8 januari heeft een stafjurist in een e-mail aan klager onder meer het volgende geschreven:

“Namens [verweerder] bericht ik u dat het onderzoek naar uw klacht is afgehandeld met het toezenden van het dekenstandpunt op 6 januari 2021. Het dekenstandpunt is geen discussiestuk en eventuele reacties daarop kunnen niet worden toegevoegd aan het klachtdossier. Uw e-mails geven ook geen reden het standpunt te herzien.”

1.6    Op 8 januari 2021 heeft klager vervolgens een klacht ingediend over verweerder.

1.7    Bij beslissing van 9 februari 2021 heeft de voorzitter van het Hof van Discipline de zaak voor onderzoek verwezen naar de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam.

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende.

a)    Verweerder heeft in zijn dekenvisie geen rekening gehouden met de e-mail van mr. V van 2 april 2020, terwijl hij wel rekening heeft gehouden met de e-mail van klager aan mr. V van 3 april 2020. Klager stelt dat verweerder heel bewust informatie negeert en de casus selectief heeft gekleurd door wel rekening te houden met e-mails die in klagers nadeel zijn, maar niet met e-mails die in het nadeel zijn van de advocaat.

b)    Verweerder heeft zijn dekenvisie niet herzien, althans heeft niet inhoudelijk gereageerd, nadat klager zijn bezwaren tegen de dekenvisie kenbaar had gemaakt.

3    VERWEER

3.1    Verweerder heeft tegen de klacht onder meer het volgende verweer gevoerd.

3.2    Met betrekking tot klachtonderdeel a stelt verweerder dat de e-mail van 2 april 2020 niet specifiek door hem is genoemd, maar dat uit de passage afdoende blijkt dat de e-mail door hem is gezien en meegewogen. Verweerder kent uiteindelijk een andere waarde toe aan die e-mail dan klager graag had gezien. Dit betekent echter niet dat verweerder de feiten bewust anders heeft gekleurd, maar slechts dat klager verweerders standpunt niet deelt. Indien klager het standpunt niet deelt, kan hij de klacht voorleggen aan de raad van discipline.

3.3    Met betrekking tot klachtonderdeel b stelt verweerder dat een stafjurist namens hem op 8 januari 2021 heeft gereageerd en heeft aangegeven dat klagers bezwaar geen reden is om de visie te herzien.

4    BEOORDELING

4.1    De klacht is gericht tegen verweerder in zijn hoedanigheid van deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant. De voorzitter neemt als uitgangspunt dat het in de artikelen 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht betrekking heeft op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Maar ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, bijvoorbeeld als deken, blijft voor hem het advocatentuchtrecht gelden. Indien hij zich bij de vervulling van die andere functie zodanig gedraagt dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt, waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Concreet betekent dit dat de vraag voorligt of verweerder zich bij de vervulling van zijn functie van deken op de punten die in deze zaak aan de orde zijn zodanig heeft gedragen dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur is geschaad.

4.2    De voorzitter overweegt verder dat aan een deken een grote mate van beleidsvrijheid toekomt in de wijze waarop hij zijn onderzoek inricht. Zo komt hem ook de vrijheid toe om na afronding van het onderzoek aan partijen zijn visie op de klacht te geven. Indien de klagende partij zich niet met de visie van de deken kan verenigen, ligt het op zijn weg om de deken te verzoeken de klacht aan de tuchtrechter voor te leggen. Het is aan de tuchtrechter voorbehouden om een tuchtrechtelijk oordeel te geven over de in de klacht gestelde tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het handelen of nalaten van de advocaat waartegen de klacht is gericht.

Klachtonderdeel a)

4.3    De voorzitter stelt vast dat verweerder zijn visie heeft gegeven en dat klager het daarmee niet eens is. Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerder in zijn visie geen rekening heeft gehouden met de e-mail van mr. V van 2 april 2020, zoals klager stelt. Hoewel verweerder de betreffende e-mail niet uitdrukkelijk noemt, is de e-mail eerder in de zienswijze wel ter sprake gekomen en blijkt uit de visie als geheel dat de e-mail door verweerder is gezien en meegewogen. Dat klager vindt dat verweerder onvoldoende betekenis aan de betreffende e-mail heeft gegeven, maakt niet dat verweerder klachtwaardig heeft gehandeld. Van het bewust negeren van informatie of het selectief kleuren van de casus is de voorzitter niet gebleken. De voorzitter zal dit klachtonderdeel daarom kennelijk ongegrond verklaren.

Klachtonderdeel b)

4.4    De voorzitter overweegt dat op een deken geen enkele verplichting rust tot het herzien van zijn visie in het geval een partij bezwaren tegen die visie kenbaar heeft gemaakt.

4.5    Namens verweerder heeft een stafjurist op 8 januari 2021 gereageerd op klagers berichten en hem meegedeeld dat deze geen reden geven het standpunt te herzien. Daarmee is naar het oordeel van de voorzitter afdoende gereageerd op klagers berichten. Hoewel de deken ervoor had kunnen kiezen klagers bezwaren te voegen in het dossier en mee te zenden aan de Raad van Discipline, betekent zijn keuze om dit niet te doen niet dat hij klachtwaardig heeft gehandeld. Klager heeft bovendien de mogelijkheid om zijn bezwaren tegen de dekenvisie bij de Raad van Discipline in te dienen.

4.6    Dat verweerder zich in relatie tot het verzoek als bedoeld onder 1.4 zodanig heeft gedragen dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur is geschaad, is de voorzitter niet gebleken. De voorzitter zal ook dit klachtonderdeel daarom kennelijk ongegrond verklaren.

Conclusie

4.7    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, daarom kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2021.