Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

11-08-2021

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2021:148

Zaaknummer

21-410/DH/DH

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht tegen de advocaat van de wederpartij over het rechtstreeks toezenden van correspondentie kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 11 augustus 2021 in de zaak 21-410DH/DH naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

 

over:

 

verweerder

 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 29 april 2021 met kenmerk K205 2020 ar/ab en van de op de inventarislijsten genoemde bijlagen 1 tot en met 4 (inhoudelijk) en  1 tot en met 6 (procedureel).

De voorzitter heeft verder kennisgenomen van de stukken die klager bij e-mail van 22 juli 2021 naar de raad heeft gestuurd. Omdat deze stukken de voorzitter niet hebben gebracht tot een nader inzicht over de klacht, bestaat geen grond om verweerder de gelegenheid te geven om op de stukken te reageren.

 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Klager is bestuurder van C(…)IT BV (hierna: CIT). CIT is bestuurder van I(…) BV (hierna: I).

1.2    Tussen klager en CIT enerzijds en I anderzijds zijn vanaf juli 2018 verschillende procedures gevoerd. Klager en CIT werden bijgestaan door mr. M.

1.3    In een e-mail van klager van 11 september 2020 aan drie andere bestuursleden van I heeft klager onder meer het volgende geschreven:

“Om deze reden heb ik – in mijn hoedanigheid van bestuurder/aandeelhouder van [CIT] – besloten om het faillissement aan te vragen van [I]. Daarmee kom ik in een volstrekt ongewenste spagaat tussen de verschillende rollen, maar dat is onvermijdelijk geworden nu de route 'eigen aangifte' structureel door P(…) wordt geblokkeerd. Het is bijzonder spijtig, maar het is niet anders. Het leek mij juist om jullie hiervan op de hoogte te brengen!.”

1.4    Verweerder is de advocaat van de heer K, een (mede)bestuurder van I.

1.5    Op 18 september 2020 heeft verweerder namens zijn cliënt (per e-mail) een brief gestuurd naar klager. De brief vormt de reactie op de e-mail van klager van 11 september 2020. Verweerder heeft een afschrift van de brief gestuurd naar mr. M.

1.6    Op 25 september 2020 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

1.7    Op 16 oktober 2020 heeft CIT, bijgestaan door mr. H, het faillissement van I aangevraagd. Op 10 november 2020 heeft de rechtbank het faillissement van I uitgesproken.

1.8    Verweerder heeft namens zijn cliënt hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank.

 

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet. Klager verwijt verweerder dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan schending van gedragsregel 25. Verweerder heeft op 18 september 2020 een brief naar klager gestuurd, terwijl hij wist dat klager werd bijgestaan door een advocaat.

2.2    De stellingen die klager aan de klacht ten grondslag heeft gelegd worden hierna, voor zover van belang, besproken.

 

3    VERWEER

3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

4    BEOORDELING

4.1    Volgens klager is verweerder zich zeer wel bewust van het feit dat mr. M in alle zaken die aan de brief van 11 september 2020 vooraf gingen heeft opgetreden voor klager en CIT. Volgens klager wordt hij in de brief van verweerder afwisselend aangesproken in privé, als bestuurder van CIT en als bestuurder van I.

4.2    Verweerder heeft aangevoerd dat het aangekondigde faillissement een nieuwe zaak betrof en dat op 18 september 2020 niet bekend was welke advocaat klager en CIT in deze zaak zou gaan bijstaan. De naam van deze advocaat was in de brief van 11 september 2020 ook niet genoemd. Voor verweerder was het echter wel duidelijk dat het mr. M niet kon zijn in verband met een conflicterend belang. Als dit anders was geweest had verweerder mr. M wel aangeschreven over het onderwerp in de e-mail van 11 september 2020.

4.3    Klager heeft niet weersproken dat mr. M hem en CIT niet kon bijstaan in de faillissementsprocedure. Uit het klachtdossier blijkt ook dat mr. H klager en zijn onderneming in die procedure heeft bijgestaan.

4.4    De omstandigheid dat de brief van 18 september 2020 van verweerder aan klager een reactie vormde in een nieuwe zaak waarin klager en zijn onderneming niet werden bijgestaan door mr. M omdat dat volgens de onweersproken stelling van verweerder niet kon, maakt dat het verweerder vrijstond om de brief rechtstreeks naar klager te sturen.

4.5    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, daarom kennelijk ongegrond verklaren.

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. S.M. Krans, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. A. Tijs als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2021.