Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

02-06-2021

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2021:112

Zaaknummer

21-219/DH/DH

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht in alle onderdelen kennelijk gegrond. Verweersters mededeling in haar e-mail was niet feitelijk onjuist. Dat zij meermaals om uitstel heeft gevraagd en een verweerschrift niet van datum en handtekening heeft voorzien, is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Het stond verweerster verder vrij haar verweer te voeren zoals zij dat heeft gedaan.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort  Den Haag van 2 juni 2021 in de zaak 21-219/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

 

over:

 

verweerster

 

De plaatsvervangend voorzitter van de Raad van Discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 3 maart 2021 met kenmerk K192 2020 ar/ab, door de Raad ontvangen op 3 maart 2021, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 5 (inhoudelijk) en 1 tot en met 8 (procedureel).

 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Verweerster heeft klager in 2015 en 2016 bijgestaan in een letselschadezaak. Begin 2016 is een vaststellingsovereenkomst gesloten tussen klager en de betrokken verzekeraar.

1.2    Klager heeft op 19 april 2018 een (eerste) klacht ingediend bij de deken over verweerster (zaaknummer K084 2018).

1.3    Bij e-mail van 14 mei 2018 heeft verweerster de deken verzocht om uitstel voor het indienen van haar verweerschrift.

1.4    Bij brief van 19 juli 2018 heeft verweerster de deken verzocht om uitstel voor het indienen van haar dupliek.

1.5    Bij brief van 11 december 2018 heeft verweerster de griffier van de Raad van Discipline verzocht om uitstel tot 24 januari 2019 voor het indienen van een reactie op het klachtdossier.

1.6    De klacht is bij raadsbeslissing van 13 januari 2020 ongegrond verklaard (zaaknummer 18-934/DH/DH). In de beslissing is vermeld dat verweerster ter zitting is verschenen, vergezeld van haar kantoorgenoot mr. T.

1.7    Op 18 maart 2020 heeft klager nogmaals een klacht ingediend bij de deken over verweerster (zaaknummer K059 2020).

1.8    Bij e-mail van 18 mei 2020 heeft verweerster de deken verzocht om uitstel voor het indienen van haar verweerschrift.

1.9    Klager heeft hoger beroep ingesteld tegen de onder 1.6 genoemde beslissing van de Raad. De mondelinge behandeling van het hoger beroep stond gepland voor 8 juni 2020. Door verweerster is voor die zitting een verweerschrift ingediend, welk verweerschrift niet is voorzien van een datum of handtekening van verweerster.

1.10    Op 4 juni 2020 heeft verweerster in een e-mail aan de griffie van het Hof van Discipline gevraagd de zitting te verzetten en onder meer geschreven:

“Mijn collega advocaat [mr. T] was ook aanwezig bij de zitting bij de Raad van Discipline omdat tijdens diezelfde zitting een klacht tegen hem was ingediend. [Mr. T] stond mij (als back-up) bij. (…)

Helaas vernam ik vandaag dat hij wegens verkoudheidsklachten en koorts niet kan komen, althans dat is niet verstandig.”

1.11    Naar aanleiding van verweersters bericht is de zitting van 8 juni 2020 aangehouden.

1.12    Op 11 september 2020 heeft klager bij de deken de onderhavige klacht ingediend over verweerster.

1.13    In haar verweerschrift van 5 oktober 2020 heeft verweerster geschreven dat zij van mening is dat door het opnieuw indienen van klachten wederom sprake is van misbruik van tuchtrecht.

 

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende.

a)    Verweerster heeft in een e-mail van 4 juni 2020 gelogen tegen een griffiemedewerker van het Hof van Discipline, als gevolg waarvan de op 8 juni 2020 geplande zitting bij het Hof van Discipline is aangehouden tot november 2020, wat klager veel tijd en geld heeft gekost.

b)    Verweerster heeft bij herhaling niet voortvarend gereageerd, als gevolg waarvan klager is benadeeld.

c)    Verweerster heeft bij het Hof van Discipline een verweerschrift ingediend dat niet is gedateerd en niet door verweerster is ondertekend, als gevolg waarvan klager schade heeft geleden, althans heeft kunnen lijden.

d)    Verweerster heeft klager (onterecht) beschuldigd van misbruik maken van het (tucht)recht.

2.2    Ter toelichting op klachtonderdeel a stelt klager dat verweerster in haar e-mail ten onrechte heeft aangegeven dat mr. T haar bijstond op de zitting bij de Raad van Discipline van 4 november 2019.

2.3    Klager heeft geëist dat verweerster een teruggave van zijn gemachtigdenkosten ter grootte van € 5.000,- betaalt, alsmede nader te bepalen verletkosten en een compensatie voor de extra voorbereidingstijd voor de zitting bij het Hof van Discipline van 16 november 2020.

 

3    VERWEER

3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

4    BEOORDELING

Klachtonderdeel a)

4.1    Klager verwijt verweerster – kort gezegd – dat zij heeft gelogen in haar e-mail van 4 juni 2020.

4.2    Vaststaat dat mr. T verweerster niet als gemachtigde heeft bijgestaan tijdens de zitting van de Raad van Discipline. Verweerster heeft in haar e-mail van 4 juni 2020 ook niet gesteld dat mr. T haar als gemachtigde had bijgestaan. Dit neemt niet weg dat mr. T verweerster wel op een andere wijze kan hebben bijgestaan tijdens de zitting van de Raad van Discipline. Verweersters mededeling dat mr. T eveneens aanwezig was en haar heeft bijgestaan (als back-up) is dan ook niet feitelijk onjuist, zoals klager stelt. De voorzitter zal dit klachtonderdeel daarom kennelijk ongegrond verklaren.

Klachtonderdeel b)

4.3    Klager verwijt verweerster dat zij bij herhaling niet voortvarend heeft gereageerd.

4.4    De voorzitter overweegt dat het verweerster vrijstond om uitstel (ook van zes weken) te vragen, zowel bij de deken als bij de (griffier van de) Raad van Discipline. Het stond verweerster eveneens vrij het Hof van Discipline te verzoeken de zitting van 8 juni te verplaatsen. Klager is het kennelijk niet eens met de (redenen van de) verzoeken en het verleende uitstel. Dat maakt echter niet dat sprake is van onbetamelijk handelen door verweerster. Dat klagers zaken door het uitstel (enige) vertraging hebben opgelopen, is vervelend, maar van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is geen sprake. De voorzitter zal ook dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond verklaren.

Klachtonderdeel c)

4.5    Klager verwijt verweerster dat zij een verweerschrift heeft ingediend dat niet is gedateerd en niet door haar is ondertekend.

4.6    Verweerster heeft bevestigd dat het door haar ingediend verweerschrift niet is gedateerd en ook niet door haar is ondertekend. Dat neem niet weg dat verweerster de inhoud van het verweerschrift kennelijk zonder enig voorbehoud voor haar rekening heeft genomen, althans de inhoud ervan niet heeft betwist. Dat klager door het ontbreken van datum en handtekening in enig (tuchtrechtelijk) belang is getroffen, is de voorzitter niet gebleken. De voorzitter zal ook dit klachtonderdeel daarom kennelijk ongegrond verklaren.

Klachtonderdeel d)

4.7    Klager verwijt verweerster dat zij hem (onterecht) heeft beschuldigd van misbruik van tuchtrecht.

4.8    De voorzitter overweegt dat het een advocaat vrij staat om in zijn verweer tegen een klacht datgene naar voren te brengen wat hem in het belang van zijn verweer passend voorkomt. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is dan ook niet snel sprake. Het stond verweerster naar het oordeel van de voorzitter vrij haar verweer te voeren zoals zij gedaan heeft. De voorzitter zal ook dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond verklaren.

Tot slot

4.9    Voor zover klager een schadevergoeding heeft geëist, geldt het volgende. Reeds op grond dat de klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond is, zal het verzoek tot vergoeding van schade worden afgewezen, nog daargelaten dat de mogelijkheden tot toewijzing van vorderingen tot schadevergoeding in het tuchtrecht in zijn algemeenheid beperkt zijn.

4.10    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, daarom in alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaren.

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. S.M. Krans, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2021.