Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

26-05-2021

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2021:99

Zaaknummer

21-221/DH/RO

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij kennelijk ongegrond. Er is geen sprake van innemen van onjuiste of onware standpunten.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort  Den Haag van 26 mei 2021 in de zaak 21-221/DH naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

 

over:

 

verweerster

 

De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 3 maart 2021 met kenmerk R2021/12 tvh/gh, door de raad ontvangen op 3 maart 2021, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 25.

 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Aan deze klacht ligt een geschil tussen klager en een huisarts ten grondslag. Klager heeft op 4 februari 2019 tegen de huisarts van zijn minderjarige dochter, geboren op 14 februari 2005, (hierna: de dochter) een klacht ingediend bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg en verweerster heeft de huisarts in die procedure bijgestaan.

1.2    Bij brief van 17 mei 2018 heeft klager de huisarts gevraagd “hoe het (nog) staat met dit medicijngebruik” door de dochter. Bij brief van 27 mei 2018 heeft de huisarts laten weten dat de dochter een specifiek medicijn (hierna: het medicijn) via de huisarts krijgt voorgeschreven.

1.3    Op 26 juni 2018 heeft klager het volgende geschreven aan de huisarts:

“dank voor uw briefje van 27 mei jl. De verstrekte informatie is wel heel weinig en erg kort door de (zeker juridische) bocht. Ik wijs u erop dat artikel 1:377c lid 1 Burgerlijk Wetboek u opdraagt om in beginsel dezelfde Informatie te verstrekken die u "op gelijke wijze zou verschaffen aan degene die met het gezag over het kind is belast dan wel bij wie het kind zijn gewone verblijfplaats heeft'. Dat zal vast veel meer zijn dat wat u mij schreef. Zo denk ik bijv. aan medicijndosering, startdatum, besproken/geconstateerde bijwerkingen, e.d. Indien u meent dat u die/dergelijke informatie niet bent gehouden te verstrekken, verzoek ik u mij de (juridische) reden daarvoor te noemen.”

1.4    Op 6 juli 2018 heeft de huisarts aan klager geschreven dat hij contact heeft gezocht met de dochter en dat de dochter geen toestemming heeft gegeven voor het verstrekken van verdere informatie. Op 26 juli 2018 heeft klager een rappel gestuurd naar de huisarts.

1.5    Op 11 juli 2018 heeft klager aan de huisarts geschreven dat hij schriftelijke opgave wenst van de “exacte juridische grondslag” van de handelwijze en het daaruit voortgevloeide standpunt van de huisarts.

1.6    Op 3 augustus 2018 heeft de huisarts laten weten dat hij advies heeft gevraagd en dat hij klager zal berichten als hij meer informatie heeft ingewonnen.

1.7    In een brief van 9 augustus 2018 aan de huisarts heeft klager zijn ongenoegen geuit over de gang van zaken en heeft hij het geheel een juridische context gegeven.

1.8    Bij brief van 11 augustus 2018 heeft de huisarts aan klager laten weten welke informatie hij van de KNMG heeft gekregen over de situatie en dat, zakelijk weergegeven, hij geen nadere informatie kan verstrekken over het medicijngebruik omdat de dochter daarvoor geen toestemming heeft gegeven.

1.9    Klager heeft op 27 augustus 2018 gereageerd. De strekking van de uitvoerige reactie is dat de handelwijze van de huisarts volgens klager juridisch gezien onjuist is.

1.10    Op 5 oktober 2018 heeft de huisarts gereageerd op de brief van klager van 27 augustus 2018. De huisarts heeft, zakelijk weergegeven, aan klager gevraagd welke informatie hij precies wil krijgen en laten weten dat hij de dochter op zijn spreekuur zal uitnodigen om te vragen of de “opgevraagde informatie gedeeld mag worden”.

1.11    Bij brief van 8 oktober 2018 aan de huisarts heeft klager zijn ongenoegen over de gang van zaken tot uitdrukking gebracht en uiteengezet dat het door de huisarts ingenomen standpunt volgens hem onjuist is. Klager heeft onder meer geschreven dat hij “(bij herhaling) een duidelijke, eenvoudige en wat betreft omvang heel beperkte vraag” heeft gesteld aan de huisarts. Klager heeft in zijn brief aangekondigd dat hij een klacht zal indienen tegen de huisarts bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (hierna: het Regionaal Tuchtcollege).

1.12    Op 25 februari 2019 heeft verweerster namens de huisarts verweer gevoerd. Hierin staat onder meer dat duidelijk was dat klager meer informatie wenste te krijgen van de huisarts, maar dat niet duidelijk was voor de huisarts welke informatie precies.

1.13    Op 24 april 2019 zijn klager en de huisarts door het Regionaal Tuchtcollege gehoord.

1.14    Bij beslissing van 29 mei 2019 heeft het Regionaal Tuchtcollege de klacht tegen de huisarts afgewezen.

1.15    Bij brief van 17 juni 2019 aan de huisarts heeft klager, zakelijk weergegeven, uiteengezet dat het voor de huisarts op grond van eerdere correspondentie duidelijk moet zijn welke informatie hij wenst te ontvangen en gevraagd of de huisarts wil laten weten of hij “die 26 juni 2018-informatie” wil verstrekken.

1.16    Op 24 juni 2019 heeft verweerster gereageerd namens de huisarts. Ze heeft onder meer het volgende geschreven:

(…) Zoals in zijn brief d.d. 5 oktober 2018 als tijdens/in de tuchtrechtelijke procedure aangegeven, is client bereid uw dochter nogmaals op het spreekuur uit te nodigen. Daar heeft u vervolgens bezwaar tegen gemaakt.

Desondanks is client nog steeds bereid om uw dochter op het spreekuur uit te nodigen om dan per concrete vraag van uw zijde aan haar te vragen, of die vraag wel of niet beantwoord mag worden. In verband daarmee acht cliënt het opportuun om misverstanden te voorkomen en daarom van u een volledige en concrete opsomming van uw vragen toe te sturen. Op dit moment is het client duidelijk dat u vraagt naar de medicijndosering, de startdatum en de besproken/geconstateerde bijwerkingen. De voornoemde "e.d." schept echter nog steeds verwarring. Daarom verneemt client graag van u of voornoemde drie onderwerpen de enige drie onderwerpen zijn, waarnaar u informeert. Zo nee, ontvangt client dus graag een concrete invulling oftewel een volledige en concrete opsomming van alles wat u zou willen weten aangaande uw dochter.

Indien duidelijk is wàt u precies wilt weten (zodat wij daarover niet verder hoeven te discussiëren), zal cliënt opnieuw uw dochter uitnodigen voor zijn spreekuur en al deze onderwerpen/vragen, per onderwerp/vraag, met haar doornemen en vragen of u daarover geïnformeerd mag worden. Hierna zal client u berichten. Uiteraard kan geenszins worden toegezegd dat dit binnen de hoger beroep termijn geschiedt.

Indien en voor zover u, net zoals in uw brief d.d. 6 februari 2019 niet wil dat uw dochter hierover benaderd wordt, zal client uw dochter uiteraard niet benaderen. Het gevolg daarvan is dan wel dat er ook geen nadere informatie aan u zal worden verstrekt, dus ook niet als u alsnog inzichtelijk maakt of en zo ja, hoe, uw "e.d.” concreet ingevuld moet worden. In dat geval zal client alsnog terugvallen op de eerdere weigering van uw dochter om u informatie te verstrekken.”

1.17    Klager heeft op 26 juni 2019 gereageerd. De strekking van de reactie is dat hij, met een beroep op artikel 1:377c lid 1 Burgerlijk Wetboek, dat hij van de huisarts de informatie wenst te ontvangen die ook aan de moeder en de dochter zelf zijn verstrekt.

1.18    Op 11 juli 2019 heeft klager bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.

1.19    Op 29 juli 2019 heeft verweerster als volgt gereageerd:

“(…) Ik stel vast dat u weigert om concreet aan te geven welke informatie u zou willen ontvangen, en dit bij client neerlegt. Belangrijker nog, ik stel vast dat u - weer c.q. nog steeds - weigert dat client uw dochter benadert, zulks terwijl de artikelen 88 Wet BIG en 7:457 BW daartoe wèl nopen.

Zoals gezegd in mijn brief d.d. 24 juni 2019 zal client u dan ook geen verdere informatie verstrekken. Tevens wenst client de buitengerechtelijke discussie met u te beëindigen, daar dit immers tot op heden ook niet tot een oplossing heeft geleid. Tenzij u alsnog instemt met het benaderen van uw dochter zal client op brieven uwerzijds over dit specifieke onderwerp niet meer reageren.”

1.20    Bij bericht van 1 augustus 2019 aan verweerster heeft klager zijn ongenoegen kenbaar gemaakt over de reactie van verweerster van 29 juli 2019.

1.21    Op 8 augustus 2019 heeft verweerster het volgende geschreven aan klager:

“(…) Ik begrijp uw e-mail van 1 augustus 2019 zo dat u enkel geïnformeerd wenst te worden over de medicijndosering, de startdatum en de besproken/geconstateerde bijwerkingen. Dan is dat nu gelukkig duidelijk.

Client blijft bereid om uw dochter uit te nodigen voor zijn spreekuur en, gelet op de artikelen 88 Wet BIG en 7:457 BW, aan haar te vragen of mijn client u mag informeren over bovengenoemde drie punten/deelonderwerpen. Echter, u heeft verzocht uw dochter bulten deze kwestie te laten. Client respecteert dat verzoek uiteraard nog steeds, doch de keerzijde is dan wel dat client alsdan niet aan uw verzoek om informatie kan voldoen en moet blijven terugvallen op haar eerdere weigering u te informeren. Dat laat onverlet dat, wanneer u terugkomt op uw uitdrukkelijke verzoek d.d. 6 februari 2019, client vanzelfsprekend alsnog uw dochter zal uitnodigen op het spreekuur om opnieuw met haar bespreken of u alsnog geïnformeerd mag worden over voornoemde drie punten/ deelonderwerpen.

Zolang client van u uw dochter niet mag benaderen, zijn de handen van client echter gebonden.”

1.22    Op 8 augustus 2019 heeft klager aan verweerster geschreven dat hij de correspondentie met haar staakt dat hij zijn “tuchtklacht nog deze maand [zal] (laten) indienen”.

1.23    Op 18 september 2019 heeft verweerster namens de huisarts een verweerschrift ingediend bij het Centraal Tuchtcollege. Hierin staat onder meer dat, zakelijk weergegeven, lange tijd niet duidelijk was welke informatie klager precies wilde ontvangen over het medicijngebruik van de dochter.

1.24    Op 20 november 2019 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.

 

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende.

2.2    Verweerster heeft gehandeld in strijd met gedragsregels 1, 5 en 8 en met artikel 10 lid 1 sub d van de Advocatenwet door zowel binnen als buiten rechte feitelijke informatie te verstrekken, waarvan zij wist of behoorde te weten dat deze onjuist was en door zich daarnaast onvoldoende in te zetten om een minnelijke regeling te bereiken. Het gaat in het bijzonder om de volgende gedragingen:

a)    het tegen beter weten in en aanhoudend (blijven) beweren dat iets onduidelijk/ onbegrijpelijk is wat het niet is, is het verstrekken van feitelijke informatie waarvan verweerster wist (en zeker behoorde te weten) dat deze (objectief) onjuist was. Het eerste verzoek van klager van 17 mei 2018 luidde of en zo ja, hoe het (nog) staat met dit medicijngebruik. Dat was een vrij open en algemeen geformuleerd verzoek. Verweerster heeft dat eerste verzoek in haar verweerschrift (p. 3, nr. 13) gekwalificeerd als een "afgebakende en concrete vraag'. Het daarop gevolgde verzoek van 26 juni 2018 daarentegen heeft verweerster, zelfs anders dan de huisarts, als onduidelijk/onbegrijpelijk gekwalificeerd. Verweerster zette daarmee bewust de (objectieve waarheid van de) wereld op z’n kop.

b)    het vervolgens, op 24 juni 2019, beweren dat het onduidelijke op dit moment wel duidelijk is, is even kenbaar onwaar.

c)    het vervolgens, op 8 augustus 2019, beweren dat het onduidelijke door de e-mail van klager van 7 augustus 2019 nu gelukkig duidelijk is, is even kenbaar onwaar.

d)    het op 29 juli 2019 beweren dat klager weigert "om concreet aan te geven welke informatie u zou willen ontvangen”, is even kenbaar onwaar.

e)    door het aan het Centraal Tuchtcollege overleggen van haar brief van 29 juli 2019 aan klager (zie hierboven onder randnummer 1.19) en haar e-mail van 8 augustus 2019 aan klager (zie hierboven onder randnummer 1.21), beide behorend bij het verweerschrift in beroep, heeft verweerster bewust de daarin opgenomen kenbare onwaarheden aan het Centraal Tuchtcollege overgelegd. Waar voordien - in de woorden van gedragsregel 8 - nog sprake was van “buiten rechte”, overschreed verweerster zelf en bewust de grens naar “in rechte”, met kennelijk geen andere bedoeling dan daarmee het Centraal Tuchtcollege op ontoelaatbare wijze te beïnvloeden. Onwaarheden opschrijven is al foute boel, daarmee vervolgens proberen (ofwel bewust ofwel op roekeloze wijze, daarbij het risico op beïnvloeding maar voor lief te nemen) procedures te beïnvloeden, is volstrekt ontoelaatbaar.

2.2    De stellingen die klager aan de klacht ten grondslag heeft gelegd worden hierna, voor zover relevant, besproken.

 

3    VERWEER

3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

4    BEOORDELING

Toetsingskader

4.1    De klacht richt zich tegen de advocaat van de wederpartij van klager. Dit betekent dat de klacht moet worden beoordeeld aan de hand van de door het Hof van Discipline gehanteerde maatstaf dat de advocaat van de wederpartij een grote mate van vrijheid toekomt de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem goeddunkt. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar kan onder meer worden begrensd indien de advocaat (1) feiten naar voren brengt waarvan hij weet of redelijkerwijs kan weten dat zij in strijd met de waarheid zijn, of indien (2) de advocaat (anderszins) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij onnodig of onevenredig schaadt zonder dat daarmee een redelijk doel wordt gediend. Met betrekking tot de onder (1) genoemde beperking moet in ogenschouw worden genomen dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid van dat feitenmateriaal en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren.

4.2    De voorzitter zal het optreden van verweerder aan de hand van deze maatstaf beoordelen.

Klacht

4.3    Klager stelt in de kern dat met zijn berichten van 17 mei 2018 en 26 juni 2018 aan de huisarts duidelijk was welke informatie hij wenste te ontvangen, dat verweerster dit heeft miskend en dat zij daarmee zijn belangen heeft geschaad. De voorzitter verwerpt deze stelling en licht dat als volgt toe.

4.4    De huisarts heeft zich naar aanleiding van beide berichten aanvankelijk op het standpunt gesteld dat hij slechts kon laten weten dat de dochter het medicijn voorgeschreven kreeg. Omdat de toestemming van de dochter daarvoor ontbrak kon hij niet meer gegevens verstrekken aan klager. Vanaf 5 oktober 2018 heeft de huisarts voorgesteld dat hij de dochter zou uitnodigen op haar spreekuur, om de kwestie te bespreken en om nogmaals toestemming te vragen voor het verstrekken van informatie aan klager. In dat verband heeft de huisarts klager gevraagd welke informatie hij precies wilde krijgen. In deze vraag ligt besloten dat het voor de huisarts nog onvoldoende duidelijk was welke informatie klager precies wenste te ontvangen.

4.5    Het standpunt dat onvoldoende duidelijk was welke informatie klager wenste te ontvangen over het medicijngebruik van de dochter heeft verweerster in de medische tuchtprocedures en de correspondentie met klager namens haar cliënt ook ingenomen. Dit past ook bij haar rol van advocaat van de huisarts en is in zoverre niet onzorgvuldig of onbetamelijk jegens klager.

4.6    De voorzitter acht het ingenomen standpunt niet onbegrijpelijk. In de brief van 26 juni 2018 heeft klager weliswaar enkele concrete gegevens genoemd, maar heeft ook geschreven dat hij daar “bijvoorbeeld” aan denkt en hij heeft de woorden “en dergelijke” toegevoegd. Uit de woordkeuze van klager blijkt dus dat hij mogelijk nog meer of andere informatie wenste te ontvangen. Daar komt bij dat de context van de zaak maakte dat uiterste voorzichtigheid voor de huisarts geboden was. Het gaat immers om een ouder die medische informatie wenst te ontvangen over een kind dat daarvoor geen toestemming heeft gegeven, terwijl die ouder niet met het ouderlijk gezag is bekleed. Ook in zoverre heeft verweerster dus niet onbetamelijk of onzorgvuldig gehandeld jegens klager.

4.7    Hieruit vloeit voort dat, anders dan klager stelt, er geen sprake van is dat verweerster in haar brieven/e-mails van 24 juni 2018, 29 juli 2019 en 8 augustus 2019 onwaarheden naar voren heeft gebracht. Hetzelfde geldt voor haar verweerschrift in beroep, zodat een ongeoorloofde beïnvloeding van het Centraal Tuchtcollege evenmin aan de orde is.

4.8    Het lag op de weg van klager om een concrete (aanvullende) opsomming te geven van de gegevens die hij wenste te ontvangen over de dochter, zodat de huisarts dit met haar kon bespreken. Dat klager dit niet heeft gedaan en dat de impasse tussen hem en de huisarts daardoor bleef voortbestaan moet dan ook voor rekening van klager blijven.

4.9    De voorzitter begrijpt dat verweerster met haar bericht van 8 augustus 2019 een einde heeft willen maken aan de impasse tussen haar cliënt en klager. Ze heeft het verzoek van klager op dat moment beperkt tot, althans opgevat als, een verzoek dat zich uitstrekt tot de in de brief van 26 juni 2018 drie concreet genoemde onderwerpen. Verweerster heeft hiermee in het belang van haar cliënt gehandeld. Van onbetamelijkheid of onzorgvuldigheid jegens klager is geen sprake. Klager lijkt te struikelen over woordkeuze van verweerster dat “nu gelukkig duidelijk” is welke informatie hij wenst te ontvangen. Deze woorden komen misschien wat spottend over, maar verweerster gaat met haar woordkeuze niet over de schreef en klager is met de woordkeuze niet in zijn belangen geschaad.

4.10    Het verwijt dat verweerster onvoldoende heeft meegewerkt aan het bereiken van een minnelijke regeling treft geen doel. Klager heeft dit verwijt onvoldoende feitelijk onderbouwd.

4.11    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46 j Advocatenwet, daarom kennelijk ongegrond verklaren.

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. G.A.F.M. Wouters, voorzitter, bijgestaan door mr. A. Tijs als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2021.