Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

28-04-2021

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2021:101

Zaaknummer

21-036/DH/RO

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht niet-ontvankelijk vanwege termijnoverschrijding.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag

van 28 april 2021

in de zaak 21-036/DH/RO

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 7 januari 2021 met kenmerk R 2021/02 edl/gh, door de raad ontvangen op 8 januari 2021, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 16.

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Klaagster heeft zich in mei 2016 tot verweerders kantoor gewend voor bijstand bij de afwikkeling van een geschil met een ziekenhuis.

1.2    Bij brief van 9 december 2016 heeft verweerder aan klaagster onder meer meegedeeld dat hij de kans van slagen op een succesvolle procedure als gering inschat en dat zij de mogelijkheid heeft een second opinion te vragen bij een andere advocaat.

1.3    Op 27 juli 2020 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder dat hij de zaak niet op een goede/serieuze wijze heeft behandeld. Klaagster vermoedt dat “er fraude is geweest tijdens de bemiddeling van het ziekenhuis, de zaak werd na 5 jaar opeens abrupt beëindigd, vanwege onvoldoende bewijs wat 5 jaar heeft afgespeeld met vele kosten voor medische onderzoeken”.

3    VERWEER

3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd.

4    BEOORDELING

4.1    Op grond van artikel 46g lid 1 sub a Advocatenwet wordt een klacht door de voorzitter van de raad van discipline niet-ontvankelijk verklaard indien de klacht wordt ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. In lid 2 is bepaald dat niet-ontvankelijkverklaring op grond van het bepaalde in lid 1 achterwege blijft indien de gevolgen van het handelen of nalaten redelijkerwijs pas na het verstrijken van de driejaartermijn bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van de klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken. De voorzitter zal aan de hand van deze maatstaf beoordelen of klaagster ontvankelijk is in haar klacht.

4.2    De voorzitter stelt vast dat klaagsters verwijt ziet op de behandeling van haar zaak door verweerder. Uit de overgelegde stukken volgt dat verweerders bijstand kennelijk is geëindigd met het negatieve procesadvies van 9 december 2016. De in artikel 46g lid 1 sub a Advocatenwet genoemde termijn van drie jaar is dan ook op die datum aangevangen. De klacht is echter pas op 27 juli 2020 door klaagster bij de deken ingediend en daarmee buiten de genoemde termijn van drie jaar.

4.3    Nu van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verschoonbaar zou kunnen zijn dat de klacht buiten de termijn is ingediend niet is gebleken, is de klacht op grond van artikel 46g lid 1 sub a Advocatenwet niet-ontvankelijk. Aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht komt de voorzitter dan ook niet meer toe.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46g, lid 1 onder a Advocatenwet, niet-ontvankelijk.

Aldus beslist door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 april 2021.