Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

26-04-2021

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2021:78

Zaaknummer

20-525/DB/ZWB

Inhoudsindicatie

Advocaat heeft geen regie gevoerd in de zaak van haar cliënte,  haar cliënte niet geïnformeerd over het verloop van haar zaken, onvoldoende voortvarend gehandeld, een concept beroepschrift vlak voor het verstrijken van de beroepstermijn aan haar cliënte toegestuurd en onvoldoende inhoudelijk besproken, geen afschrift van het ingediende beroepschrift aan haar cliënte toegestuurd, cliënte niet tijdig om de vereiste financiële stukken gevraagd, zich op eerste verzoek vlak voor de zitting onttrokken zonder haar cliënte op de (negatieve) gevolgen daarvan te wijzen en zonder om aanhouding te verzoeken. Sprake van een eerder vergelijkbaar tuchtrechtelijk (nalatig) handelen.

Inhoudsindicatie

Klacht (grotendeels) gegrond, schorsing van 26 weken, waarvan 22 weken voorwaardelijk, met proeftijd van 2 jaar. Bijzonder voorwaarde dat advocaat zich gedurende een jaar dient te gedragen naar de aanwijzingen van de door de raad benoemde coach.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch

van 26 april 2021

in de zaken 20-525/DB/ZWB

 

naar aanleiding van de klacht van:

 

klaagster

over:

verweerster

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 1 juni 2019 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.

1.2    Op 9 juli 2020 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K19-067 van de deken ontvangen.

1.3    De klacht is, na aanhouding van de mondelinge behandelingen op 16 november 2020 en 18 december 2020 behandeld tijdens de mondelinge behandeling op 29 januari 2021. Daarbij waren de gemachtigde van klaagster en verweerster aanwezig. De deken en mr. K., stafjurist van het bureau van de orde van advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant, waren als toehoorders aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. Tijdens de zitting van de raad van 29 januari 2021 zijn ook het bezwaar (20-526/DB/ZWB/D) en de vordering van de deken ex artikel 48e Advocatenwet (20-527/DB/ZWB/D) behandeld.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 25. De raad heeft ook kennis genomen van de email van de deken van 1 maart 2021 en van de email van verweerster van 1 april 2021.

 

2    FEITEN

2.1    Bij beschikking van 3 september 2018 heeft de rechtbank een verzoek tot wijziging kinderalimentatie van de ex-partner van klaagster toegewezen. Klaagster heeft zich tot verweerster gewend inzake het instellen van hoger beroep tegen voormelde beschikking. Op 5 oktober 2018 heeft een gesprek tussen klaagster en verweerster plaatsgevonden. Op 23 november 2018 heeft klaagster verzocht om nadere informatie over het verloop van de hoger beroepsprocedure. Verweerster heeft op 30 november 2018 een opdrachtbevestiging aan klaagster toegezonden.

2.2    Verweerster heeft per email van vrijdag 30 november 2018 om 15.27 uur een concept beroepschrift aan klaagster toegezonden met het verzoek uiterlijk op maandag 3 december 2018 te reageren. Klaagster heeft per email van 2 december 2018 een aantal vragen over het beroepschrift aan verweerster gesteld. Verweerster heeft op 3 december 2018 het beroepschrift bij de rechtbank ingediend.

2.3    Verweerster heeft per email van 16 januari 2019 het dossier in de procedure in eerste aanleg bij de voormalige advocaat van klaagster opgevraagd, welke stukken op 21 januari 2019 aan verweerster zijn toegezonden.

2.4    Verweerster heeft klaagster per email van 29 januari 2019 bericht dat door de wederpartij tot 12 maart 2019 een verweerschrift kon worden ingediend. Zij heeft tevens een brief van het gerechtshof over mediation aan klaagster toegezonden. Klaagster heeft per email van 29 januari 2019 geantwoord dat mediation in deze zaak onmogelijk was.

2.5    Per email van 22 februari 2019 heeft de advocaat van de wederpartij van klaagster bericht dat zijn cliënt zich niet kon vinden in de gronden van hoger beroep, maar dat hij desondanks nog steeds bereid was om in mediation te gaan. Klaagster antwoordde per email van 25 februari 2019 dat de wederpartij te weinig alimentatie betaalde. Zij verzocht verweerster wanneer zij aan het verzoek van klaagster zou voldoen. Zij scheef onder meer : “Ik moet aan u eerlijk doorgeven dat ik heb verschrikkelijk gevoel als ik moet u elke keer hetzelfde vragen en geen reactie van u terug krijgen”. Verweerster heeft op 26 februari 2019 klaagster benaderd over een belafspraak.

2.6    De advocaat van de wederpartij heeft op 7 maart 2019 een verweerschrift, tevens inhoudende incidenteel appel, bij de rechtbank ingediend.

2.7    Verweerster heeft op 8 maart 2019 brieven aan het LBIO en de wederpartij in concept aan klaagster toegezonden. Klaagster heeft op 8 maart 2019 op het concept gereageerd. Op 12 maart 2019 heeft verweerster de brief aan het LBIO en de advocaat van de wederpartij verzonden. Het LBIO berichtte bij brief van 15 maart 2019 dat de bijlage (het beroepschrift) ontbrak en dat het LBIO geen voor klaagster bestemde gelden in depot had. Het LBIO verzocht de ontbrekende bijlage alsnog toe te sturen. Verweerster heeft van haar brief van 12 maart 2019 aan het LBIO noch van de reactie van 15 maart 2019 een kopie aan klaagster toegezonden. Klaagster heeft per e-mails van 1, 11, 15 en 17 april 2019 aan verweerster verzocht om haar reactie aan het LBIO en de advocaat van de wederpartij toe te sturen. Klaagster schreef op 17 april 2019 het volgende : “Ik probeer u al derde week contacteren. Er moet een brief naar LBIO en advocaat van (wederpartij) opgemaakt en verzonden worden. Als wilt u mijn zaak niet afmaken kunt u dat gewoon doorgeven dan zal ik een andere advocaat via DAS aanvragen”. Verweerster antwoordde per email van 18 april 2019 het volgende : “Het gaat er niet om dat ik uw zaak niet wil afmaken. Deze week heb ik veel besprekingen. Ik probeer u vandaag te bellen voor overleg. Wanneer bent u bereikbaar?”

2.8    De griffier van het gerechtshof heeft bij brief van 16 april 2019 klaagster opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 29 mei 2019.

2.9    Verweerster heeft op 19 april 2019 een verweerschrift in het incidenteel appel bij het gerechtshof ingediend.

2.10    Klaagster heeft op 29 april 2019 de beschikking van de rechtbank in de omgangskwestie aan verweerster toegezonden. Klaagster verzocht op 3 mei 2019 wanneer zij contact met de wederpartij en het LBIO zou opnemen. Verweerster antwoordde hierop dat zij op 4 mei 2019 een concept brief voor de wederpartij en het LBIO zou ontvangen. Klaagster heeft haar verzoek per e-mails van 5 en 8 mei 2019 herhaald. Verweerster antwoordde per email van 8 mei 2019 als volgt : “Vandaag ontvangt u een reactie. Ik heb u geprobeerd uit te leggen dat ik als opvolgend advocaat uw dossier moet eigen maken. De complicatie was dat uw ex de achterstand probeert te verrekenen met de boetes voor de omgang en het verhaal van de gemeente. U heeft mij op 29 april 2019 de beschikking van de omgang met daarin vermeld de boete toegestuurd. Ik doe echt mijn best voor u”.  Per email van 8 mei 2019 schreef verweerster het volgende aan het algemene email adres van het LBIO: “Geachte Dames/Heren, In bovengenoemde zaak zend ik u bijgaand toe een afschrift van de beschikking d.d. 3 september 2018 van de Rechtbank Rotterdam. Van de advocaat van (wederpartij) begreep ik dat er op verzoek van (klaagster) beslag bij (wederpartij) is gelegd. Cliënte heeft mij aangegeven dat u gelden onder u heeft. Ik verzoek u dringend het bedrag dat u onder u heeft, zo spoedig mogelijk over te maken naar het bij u bekende bankrekening van cliënte over te maken.” Klaagster verzocht verweerster een kopie van voormelde email aan haar contactpersoon bij het LBIO te sturen. Klaagster heeft per e-mails van 8,16 en 17 mei 2019 om actie richting de wederpartij en het LBIO verzocht. Per email van 16 mei 2019 vroeg klaagster ook het volgende : “Heeft u alimentatieberekening gedaan? Wij hebben binnenkort een rechtszaak. Weet u dat nog?” Verweerster heeft klaagster op 17 mei 2019 bericht dat het LBIO te kennen had gegeven dat zij geen gelden onder zich had. Verweerster verzocht klaagster in die email voorts om haar jaaropgave 2018 en de drie meest recente salarisstroken aan verweerster toe te sturen, omdat het gerechtshof over de meest recente informatie wenste te beschikken. Verweerster heeft per email van 20 mei 2019 voorgesteld om op 24 mei 2019 een afspraak te maken om de zitting voor te bespreken.

2.11    Klaagster heeft op 23 mei 2019 aan verweerster bericht zich tot een andere advocaat te zullen wenden. Zij verzocht de rechtbank hierover te infomeren en om uitstel van de zitting te vragen. Verweerster antwoordde als volgt “Ik zal het gerechtshof informeren. Ik weet niet of zij nog akkoord gaan met een aanhouding van de zitting. Ik zal het gerechtshof informeren dat ik mij terugtrek uit uw dossier. Heeft u al een advocaat die de zaak overneemt?” Klaagster antwoordde hierop : “Hopelijk heb ik een ander advocaat gevonden”.

2.12    Verweerster heeft zich op 23 mei 2019 onttrokken als advocaat van klaagster en de wederpartij hiervan een afschrift toegezonden.

2.13    Het gerechtshof heeft bij beschikking van 24 juli 2019 de beschikking van 3 september 2018 vernietigd en het bedrag van de kinderalimentatie opnieuw vastgesteld. Het gerechtshof heeft onder meer het volgende overwogen: “Bij de aanvang van de mondelinge behandeling is door het hof, nadat was geconstateerd dat de vrouw niet was verschenen, contact opgenomen met (verweerster) om te verifiëren of de vrouw op de hoogte was van de zitting. Dat was het geval. Nu de vrouw ook geen aanhouding heeft verzocht is door het hof besloten de behandeling gewoon doorgang te laten vinden.”

 

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende.

I.    Verweerster heeft de belangen van klaagster in de beroepsprocedure onvoldoende behartigd doordat zij :

In de appelprocedure:

a)    het concept beroepschrift te laat aan klaagster heeft toegezonden zodat klaagster dit niet meer inhoudelijk kon doornemen;

b)    het beroepschrift niet heeft toegelicht of op voorhand besproken waardoor het voor klaagster onduidelijk was;

c)    vragen van klaagster over het concept beroepschrift niet heeft beantwoord;

d)    klaagster niet heeft geïnformeerd of het beroepschrift tijdig was ingediend, ook niet toen klaagster dat vroeg;

e)    geen definitief  beroepschrift aan klaagster heeft toegestuurd;

f)    een beroepschrift heeft ingediend dat inhoudelijk van onvoldoende kwaliteit was;

In de procedure in incidenteel appel:

g)    geen concept verweerschrift in incidenteel appel aan klaagster heeft toegezonden en de inhoud niet met haar heeft besproken;

Voorafgaand aan de zitting op 29 mei 2019:

h)    geen contact heeft opgenomen met klaagster om de zitting van 29 mei 2019 te bespreken;

i)    pas enkele dagen voor de zitting om financiële stukken heeft gevraagd;

j)    het belang van het overleggen van de financiële stukken niet heeft uitgelegd, noch wat het gevolg zou kunnen zijn van het niet overleggen van die stukken;

k)    zich niet heeft onttrokken toen klaagster daarom vroeg, maar ook niet ter zitting is verschenen;

l)    het verzoek om uitstel van de behandeling van klaagster niet heeft doorgegeven aan het Hof.

II.    Verweerster heeft de belangen van klaagster in de kwestie betreffende de achterstallige alimentatie onvoldoende behartigd doordat zij:

a)    geen brief aan de wederpartij heeft gezonden en klaagster lang heeft laten wachten op de brief aan het LBIO;

b)    pas op 8 mei 2019 voor het eerst een brief aan het LBIO heeft verzonden, terwijl zij de zaak in oktober 2018 in behandeling heeft genomen;

c)    geen antwoord heeft gegeven op herhaalde vragen of het LBIO de zaak al had opgepakt;

    

III.    Verweerster heeft klaagster kwalitatief onvoldoende bijgestaan.

 

4    VERWEER

4.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

5    BEOORDELING

5.1    De klachten hebben betrekking op de dienstverlening door de (eigen) advocaat. Gezien het bepaalde bij artikel 46 Advocatenwet heeft de tuchtrechter mede tot taak de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen indien daarover wordt geklaagd. Bij die beoordeling geldt dat  rekening moet worden gehouden met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes - zoals over procesrisico en kostenrisico - waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. De cliënt dient door de advocaat erop gewezen te worden wat in zijn zaak de proceskansen zijn en het kostenrisico is. Voorts dienen procestukken te voldoen aan de redelijkerwijs daaraan te stellen eisen. Daarbij wordt opgemerkt dat binnen de beroepsgroep voor wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden. De Raad  toetst daarom of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Van een advocaat als professioneel belangenbehartiger mag worden verwacht dat hij regie voert in de zaak die hij voor zijn cliënt behandelt. (vgl. Hof van Discipline 29 oktober 2019 ECLI:NL:TAHVD:2019:171 en Hof van Discipline 3 april 2020, ECLI:NL:TAHVD:2020;80).

Ad klachtonderdeel I

5.2    De klachten van klaagster in klachtonderdeel I hebben betrekking op de hoger beroepsprocedure, te weten de gang van zaken bij het indienen van het beroepschrift (klachtonderdelen a tot en met f) en het verweer in het incidenteel appel (klachtonderdeel g) alsmede de gang van zaken rondom de zitting van 29 mei 2019 en de onttrekking aan de zaak door verweerster (klachtonderdelen h t/m l). De raad zal de klachten in deze volgorde behandelen.

Klachtonderdelen I a) tot en met f)

5.3    Op 5 oktober 2018 heeft het eerste gesprek over het al dan niet instellen van hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank van 3 september 2018 tussen klaagster en verweerster plaatsgevonden. Vast staat dat de termijn waarbinnen hoger beroep diende te worden ingesteld verstreek op maandag 3 december 2018. Voorts staat vast dat klaagster op 23 november 2018 bij verweerster heeft geïnformeerd naar de stand van zaken rondom het hoger beroep en dat verweerster pas op vrijdagmiddag 30 november 2018 om 15.27 uur een eerste concept appelschrift aan klaagster heeft toegezonden.

5.4    Verweerster heeft in haar verweer naar voren gebracht dat zij niet eerder een concept appelschrift aan klaagster heeft toegezonden, omdat klaagster tijdens de bespreking op 5 oktober 2018 nog twijfelde of zij al dan niet in hoger beroep zou gaan en dat verweerster in afwachting was van nadere stukken van klaagster. Van verweerster had als behoorlijk handelend advocaat verwacht mogen worden dat zij klaagster adviseerde over de kansen en risico’s van een procedure in hoger beroep en dat, voorzover ter beoordeling van de vraag of met succes hoger beroep kon worden ingesteld, zij nog (nadere (financiële) stukken nodig had, klaagster had geïnformeerd welke stukken zij daarvoor nog diende aan te leveren. Om misverstanden te voorkomen had het op de weg van verweerster gelegen haar advies schriftelijk vast te leggen. Van verweerster had als professioneel belangenbehartiger mogen worden verwacht dat zij de regie voerde in de zaak die zij voor klaagster behandelde. Blijkens de aan de raad overgelegde stukken heeft verweerster na het gesprek op 5 oktober 2018 echter geen enkele activiteit ondernomen. Anders dan verweerster stelt blijkt uit de aan de raad overgelegde stukken evenmin dat zij in afwachting was van een opdracht tot het instellen van hoger beroep dan wel van (financiële) stukken van klaagster. Op 23 november 2018 heeft klaagster, omdat zij niets meer van verweerster had vernomen, verweerster verzocht haar nader te informeren over het verloop van de hoger beroepsprocedure. Ook toen heeft verweerster niet aan klaagster bericht dat zij nog in afwachting was van (financiële) stukken en de opdracht om tot het instellen van hoger beroep over te gaan. Verweerster heeft pas op 30 november 2018 op de vraag van klaagster gereageerd, door toezending van een opdrachtbevestiging en een concept beroepschrift. Het concept beroepschrift heeft verweerster pas op vrijdag 30 november 2018 om 15.27 uur, derhalve vlak voor het weekend, per email aan klaagster toegezonden met het verzoek uiterlijk op maandag 3 december 2018 te reageren, terwijl de beroepstermijn op 3 december 2018 verstreek. Verweerster heeft het beroepschrift onnodig laat aan klaagster verzonden, waardoor er onvoldoende ruimte was voor inhoudelijk overleg met klaagster over dit beroepschrift. Klaagster heeft op zondag 2 december 2018 per email vragen aan verweerster gesteld, waarna verweerster op 3 december 2018 hierover telefonisch contact met klaagster heeft opgenomen. Klaagster en verweerster hebben verschillende opvattingen over de inhoud van dit gesprek. Omdat dit gesprek door verweerster niet schriftelijk is vastgelegd, komt dit voor risico van verweerster, en houdt de raad het ervoor dat verweerster de vragen van klaagster niet althans onvoldoende heeft beantwoord. Verweerster heeft vervolgens op 3 december 2018 het beroepschrift bij het gerechtshof ingediend, zonder hiervan een afschrift aan klaagster toe te zenden en zelfs zonder klaagster hiervan op de hoogte te stellen. Verweerster heeft door de wijze waarop zij met klaagster heeft gecommuniceerd over de inhoud en indiening van het beroepschrift niet gehandeld zoals van een redelijk handelend advocaat verwacht mag worden. Zij heeft door op het allerlaatste moment een concept beroepschrift aan klaagster toe te sturen, klaagster de mogelijkheid ontnomen om hierover inhoudelijk overleg te voeren, terwijl klaagster zich reeds op 5 oktober 2018, derhalve twee maanden voordat de beroepstermijn verstreek, tot verweerster had gewend. Voorzover klaagster, zoals verweerster stelt, op 5 oktober 2018 nog twijfelde over het instellen van het hoger beroep had het op de weg van verweerster gelegen haar hierover tijdig te adviseren en zo nodig aan te geven over welke financiële stukken zij diende te beschikken om met succes een procedure in hoger beroep te kunnen voeren. Verweerster heeft niet alleen nagelaten om klaagster tijdig te informeren over de kansen en risico’s in een hoger beroepsprocedure, verweerster heeft geen enkele actie ondernomen om over de (financiële) informatie te beschikken op grond waarvan verweerster een onderbouwd advies kon geven. Verweerster heeft nagelaten om het dossier van de procedure in eerste aanleg op te vragen bij de voorgaande advocaat en zij heeft klaagster niet geïnformeerd over welke financiële stukken zij diende te beschikken. De raad stelt vast dat verweerster vanaf 5 oktober tot 30 november 2018 geen enkele actie heeft ondernomen en pas aan het einde van de laatste werkdag voor de dag waarop de beroepstermijn verstreek een concept beroepschrift aan klaagster heeft toegestuurd, waardoor een inhoudelijke bespreking daarvan met klaagster nauwelijks mogelijk was. De raad stelt voorts vast dat verweerster geen afschrift van het door haar ingediende beroepschrift aan klaagster heeft toegezonden noch klaagster hierover heeft geïnformeerd.  Verweerster heeft op grond van al het bovenstaande niet gehandeld met de zorgvuldigheid die van een behoorlijk handelend advocaat verwacht mag worden, wat haar tuchtrechtelijk valt aan te rekenen.

5.5    Verweerster is niet alleen in de vereiste communicatie met klaagster tekortgeschoten, het beroepschrift voldoet ook inhoudelijk niet aan de eisen die daar redelijkerwijs aan mogen worden gesteld. Uit de overgelegde stukken volgt dat verweerster pas in januari 2019 het dossier in eerste aanleg heeft opgevraagd en dat zij klaagster onvoldoende duidelijk heeft gemaakt over welke (financiële) stukken zij diende te beschikken om de stelling van klaagster naar behoren te kunnen onderbouwen. Het is de taak van de advocaat om de stellingen van zijn/haar cliënt te onderbouwen en de daartoe benodigde bewijsstukken in rechte in te dienen. Het belang van bewijsstukken is gelegen in de onderbouwing van de stellingen. Het enkel weergeven van het standpunt van haar cliënte, zonder nadere onderbouwing daarvan, waartoe verweerster zich heeft beperkt, is daartoe onvoldoende. Ter zake valt verweerster ook een tuchtrechtelijk verwijt te maken.

5.6    De klachtonderdelen I a) tot en met f) zijn op grond van al het bovenstaande gegrond.

Klachtonderdeel I g) (procedure in Incidenteel appel:

5.7    Als onweersproken staat vast dat verweerster het concept verweerschrift in incidenteel appel niet aan klaagster heeft toegezonden noch de inhoud daarvan met haar heeft besproken. Ook hiervan valt verweerster een tuchtrechtelijk verwijt te maken. Klachtonderdeel g) is gegrond.

Klachtonderdelen I h) tot en met j) en l) (voorafgaand aan de zitting van 29 mei 2019):

5.8    Klaagster is bij brief van 16 april 2019 van de griffier van het gerechtshof opgeroepen voor de zitting van 29 mei 2019. Verweerster heeft op 17 mei 2019 aan klaagster gevraagd recente financiële stukken aan haar te overleggen. Klaagster wilde geen recente gegevens overleggen omdat haar recente inkomen hoger was dan haar inkomen in de periode waarop de zaak in hoger beroep betrekking had. Verweerster heeft pas op 17 mei 2019 om overlegging van recente financiële gegevens gevraagd, terwijl deze al enkele dagen daarna moesten worden ingediend. Verweerster heeft voorts nagelaten om klaagster het belang van het overleggen van de door het gerechtshof gevraagde recente financiële gegevens uit te leggen. Verweerster heeft klaagster pas per email van 20 mei 2019 uitgenodigd voor een gesprek op 24 mei 2019. Voor overleg over de in te dienen (recente) financiële gegevens was dit te laat. Het had op de weg van verweerster gelegen om de inbreng ter zitting tijdig met klaagster te bespreken en haar tijdig te vragen naar en te informeren over het belang van onderbouwing van haar standpunten met (recente) financiële gegevens. Ook hierin heeft verweerster als professioneel belangenbehartiger in de zaak van klaagster onvoldoende regie gevoerd.

5.9    Klaagster heeft op 23 mei aan verweerster bericht zich tot een andere advocaat te wenden en verzocht verweerster zich te onttrekken aan de zaak en om aanhouding van de zaak te verzoeken. Verweerster heeft zich vervolgens onmiddellijk aan de zaak onttrokken. Hoewel een advocaat, indien zijn/haar cliënt het vertrouwen in hem/haar opzegt, zich aan de zaak van die client dient te onttrekken, dient de advocaat dit niet op een ongelegen moment te doen, althans dient die advocaat zijn/haar cliënt te wijzen op de (nadelige) gevolgen die zijn/haar directe onttrekking met zich mee zal brengen. Het had op de weg van verweerster gelegen om klaagster te wijzen op de mogelijke (negatieve) gevolgen van haar onttrekking per direct en dit, om ieder misverstand daarover te voorkomen, schriftelijk vast te leggen. Dat klaagster heeft aangekondigd zich tot een andere advocaat te wenden maakt dit niet anders. Verweerster had er -zo kort voor de zitting- niet zonder meer op mogen vertrouwen dat een opvolgend advocaat zich tijdig voor klaagster zou stellen en om aanhouding zou vragen. Bovendien had klaagster aan verweerster verzocht om een aanhouding te bewerkstelligen aan welk verzoek verweerster geen gevolg heeft gegeven. Zelfs toen verweerster door de griffier van het gerechtshof werd gebeld, heeft verweerster nagelaten om een verzoek tot aanhouding te doen. Verweerster heeft door zich op eerste verzoek direct aan de zaak van klaagster te onttrekken en zich verder niet meer te bekommeren om de belangen van klaagster niet gehandeld zoals van een zorgvuldig handelende advocaat mag worden verwacht.

5.10    De raad is op grond van al het bovenstaande van oordeel dat verweerster de belangen van klaagster, voorafgaand aan de zitting van 29 mei 2019 en na het verzoek van klaagster om zich als advocaat te onttrekken, niet heeft behartigd op een wijze die van een zorgvuldig handelend advocaat mag worden verwacht. De klachtonderdelen h tot en met j en l zijn gegrond.

Klachtonderdeel I k)

5.11    Het verwijt dat verweerster zich niet heeft onttrokken is feitelijk onjuist. Verweerster heeft zich immers op het eerste verzoek van klaagster onttrokken als advocaat van klaagster. Onderdeel k) is ongegrond.

Klachtonderdeel II a) tot en met c) (LBIO zaak)

5.12    Dit onderdeel van de klacht heeft betrekking op de LBIO kwestie. Klaagster verwijt verweerster ook in deze zaak haar onvoldoende op de hoogte te hebben gehouden over het verloop van de zaak. Vast staat dat verweerster wel een afschrift van de concept brieven van 8 maart 2019 aan klaagster heeft gestuurd, maar haar niet meer heeft geïnformeerd over de daadwerkelijke verzending daarvan. Ook in deze zaak heeft verweerster klaagster niet op de hoogte gehouden van het verloop van de zaak.

5.13    Ten aanzien van het verwijt dat verweerster te lang heeft gewacht met het verzenden van haar brief aan de wederpartij en het LBIO oordeelt de raad als volgt. Ook indien, zoals verweerster stelt, de reactie op 8 maart 2019 aan de wederpartij en het LBIO is verzonden, heeft  verweerster onnodig lang (van oktober 2018 – maart 2019) gewacht en onvoldoende voortvarend gehandeld. Verweerster heeft gedurende tenminste vijf maanden geen actie ondernomen, althans daarvan is niet gebleken, wat haar tuchtrechtelijk valt aan te rekenen.

Klachtonderdeel III

5.14    In dit onderdeel van de klacht verwijt klaagster verweerster dat zij klaagster kwalitatief onvoldoende heeft bijgestaan. Uit al hetgeen de raad hiervoor heeft overwogen volgt dat de kwaliteit van de dienstverlening van verweerster aan klaagster naar het oordeel van de raad niet voldoet aan de kwaliteitseisen die aan de dienstverlening van een behoorlijk handelend advocaat redelijkerwijs gesteld mogen worden. Klachtonderdeel III is ook gegrond.

 

6    MAATREGEL

6.1    De klachten die de raad in deze zaak gegrond beoordeelt hebben betrekking op nalatig, althans niet tijdig en adequaat handelen, de kwaliteit van de dienstverlening, gebrekkige communicatie met klaagster en het niet nakomen van de verplichting van schriftelijke vastlegging. In samenhang met de in het verleden voor vergelijkbaar tuchtrechtelijk verwijtbaar gedrag aan verweerster opgelegde maatregelen concludeert de raad dat sprake is van een (nalatig) patroon in de praktijkuitoefening door verweerster.  Dit wordt ook bevestigd door de verklaring van verweerster ter zitting van de raad, dat zij jaarlijks een groot aantal zaken met cliënten van buitenlandse afkomst in behandeling heeft, waarin zij voornamelijk mondeling en telefonisch met haar cliënten communiceert. De raad volgt verweerster niet in haar stelling dat in dergelijke zaken wegens (taal)barrières kan worden volstaan met een mondelinge en telefonische afhandeling van de zaken. De noodzaak van schriftelijke vastlegging van de gemaakte afspraken geldt des te meer indien sprake is van een taalbarrière dan wel andere omstandigheden die de communicatie bemoeilijken.

6.2    De (nalatige) aanpak van verweerster bij een groot aantal zaken baart de raad zorgen. Verweerster dient haar praktijkvoering, zoals de deken verweerster al eerder heeft voorgehouden, wezenlijk te veranderen. Naar het oordeel van de raad is het in het belang van alle betrokken partijen, maar ook van verweerster zelf, dat getracht wordt een positieve verandering aan te brengen in het gedrag van verweerster ten aanzien van haar praktijkvoering, zoals de voortgang van en communicatie in haar dossiers.

6.3    De raad stelt vast dat de gedragingen, waarop de klachten in deze zaak betrekking hebben, hebben plaatsgevonden in de periode van oktober 2018-mei 2019, terwijl kort daarvoor, bij beslissing van de raad van 24 september 2018, voor vergelijkbaar (nalatig) handelen aan verweerster de maatregel voorwaardelijke schorsing van twee weken was opgelegd. De raad stelt vast dat deze tuchtrechtelijke maatregel bij verweerster niet tot het inzicht heeft geleid dat zij haar praktijkvoering wezenlijk dient aan te passen aan de kwaliteitseisen die aan een behoorlijk handelend advocaat mogen worden gesteld. De raad heeft er daarom onvoldoende vertrouwen in dat verweerster, ook in het geval de raad in deze zaak een (zware) tuchtrechtelijke maatregel oplegt, uit zichzelf tot een wezenlijk andere aanpak van haar praktijkvoering zal overgaan. Naar het oordeel van de raad is het niet langer verantwoord dat verweerster de praktijk als advocaat uitoefent, zonder begeleiding van en toezicht door een coach gedurende ten minste een jaar.  Verweerster heeft tijdens de mondelinge behandeling van het dekenbezwaar (klachtzaak 20-526/DB/ZWB/D) verklaard dat zij bereid is zich te laten begeleiden door een coach.

6.4    Gelet op alle bovenstaande omstandigheden is de raad van oordeel dat de maatregel van (langdurige) schorsing in de uitoefening van de praktijk thans op zijn plaats is, waarbij de raad zal bepalen dat een (groot) gedeelte van de aan verweerster op te leggen schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerster een of meer van de navolgende bijzondere of algemene voorwaarden niet heeft nageleefd, waarbij de raad als bijzondere voorwaarde zal stellen dat verweerster gedurende een jaar nadat de beslissing van de raad onherroepelijk is geworden, de praktijk uitoefent onder begeleiding en toezicht van een coach.

6.5    Na de zitting van 29 januari 2021 heeft de raad de deken bij brief van 10 februari 2021 verzocht om, voor het geval de raad de klacht en het dekenbezwaar gegrond oordeelt en besluit tot benoeming van een coach, een en ander zoals ter zitting aan de orde is geweest, informatie aan de raad te verstrekken over een eventueel te benomen coach. Per email van 1 maart 2021 heeft de deken mr.X, voormalig advocaat te Breda, voorgedragen als mogelijk te benoemen coach. Verweerster heeft de raad per email van 1 april 2021 bericht met  het voorstel van de deken in te stemmen.

6.6    Naar het oordeel van de raad is mr. X geschikt om verweerster te begeleiden. Haar uurtarief wordt bepaald op € 100,- per uur (exclusief btw)

6.7    Mr. X zal verweerster gedurende een jaar adviseren en voorzien van aanwijzingen over het gedrag van verweerster met betrekking tot haar praktijkvoering en de voortgang in dossiers en (tijdige) communicatie daarover met cliënten. De opdracht aan mr. X zal ook luiden dat zij met verweerster dient te onderzoeken op welke wijze veranderingen in het gedrag van verweerster kunnen worden bewerkstelligd, waarbij bijvoorbeeld kan worden gedacht aan individuele begeleiding of het volgen van een cursus of training. Indien mr. X daartoe aanleiding ziet zal zij de deken tussentijds op de hoogte houden van het verloop van het begeleidingstraject.

 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1    Omdat de raad de klacht [gedeeltelijk] gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde  griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.

7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 25,- of 50,- reiskosten van (de gemachtigde van) klaagster.

b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

c) € 500,- kosten van de Staat.

7.3    Verweerster moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.

7.4    Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart klachtonderdeel I k) ongegrond en verklaart de klacht voor het overige gegrond;

-    legt aan verweerster op de maatregel van schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van 26 weken, waarvan 22 weken voorwaardelijk;

-    bepaalt dat het onvoorwaardelijk gedeelte van de schorsing ingaat vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing, met dien verstande dat;

-     de onderhavige schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden schorsingen;

-     verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd maar na elkaar worden tenuitvoergelegd;

-     de onderhavige schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerster niet op het tableau staat ingeschreven;

- bepaalt dat de maatregel schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van 22 weken niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerster een of meer van de navolgende bijzondere of algemene voorwaarden tijdens de hierna te bepalen proeftijd niet heeft nageleefd;

- stelt de proeftijd op een periode van twee jaren, ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt;

-     stelt als algemene voorwaarde dat verweerster zich binnen de proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verweerster zich gedurende een jaar na het onherroepelijk worden van deze beslissing zal laten begeleiden door mr. X, die verweerster dient te adviseren en te voorzien van aanwijzingen met betrekking tot haar praktijkvoering, de voortgang in dossiers en het contact met cliënten en de deken, terwijl verweerster gehouden is om zich te gedragen naar de adviezen en aanwijzingen die mr. X haar zal geven;

- draagt mr. X en verweerster op om de coaching direct nadat deze beslissing onherroepelijk is en nadat de termijn van het onherroepelijk gedeelte van de in deze zaak aan verweerster opgelegde schorsing en de in klachtzaak 20-527 tenuitvoergelegde schorsing van in totaal zes weken is verstreken, te laten aanvangen;

- draagt mr. X en verweerster op om de (financiële) voorwaarden waaronder de werkzaamheden worden verricht vooraf schriftelijk vast teleggen;

- draagt  mr. X op om samen met verweerster te onderzoeken op welke wijze veranderingen in haar praktijkvoering en het contact met de cliënten het beste kunnen worden bewerkstelligd en daarvoor een plan van aanpak op te stellen;

- draagt  mr. X  op om na afloop van het coaching traject – of eerder indien zij daartoe aanleiding ziet - verslag uit te brengen aan de deken over de stand van zaken in de uitvoering van de hierboven genoemde opdracht, alsmede over haar verwachtingen en adviezen voor de toekomst;

- bepaalt dat mr. X haar werkzaamheden zal uitvoeren tegen een ten laste van verweerster te brengen vergoeding van € 100,- per uur (exclusief BTW), waarbij de reistijd van verweerster tegen hetzelfde uurtarief wordt gedeclareerd en de reiskostenvergoeding € 0,19 per kilometer bedraagt.

-     bepaalt dat verweerster binnen 14 dagen na het onherroepelijk worden van deze uitspraak op een door de deken aan te wijzen rekening ten name van de Raad van de Orde in het arrondissement Zeeland-West-Brabant een voorschot van € 2.500,- (exclusief btw) dient te hebben voldaan, waaruit de declaraties van mr. X, na akkoordbevinding door de deken, zullen worden voldaan,

-    bepaalt dat mr. X haar werkzaamheden eerst aanvangt nadat deze van de deken bericht heeft ontvangen dat het voorschot door deze is ontvangen;

-    bepaalt dat verweerster op eerste verzoek van de deken aan hem binnen zeven dagen na diens verzoek nadere voorschotten van steeds maximaal € 2.500,- (exclusief BTW) zal voldoen;

-    veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;

-    veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van (de gemachtigde van) klaagster van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;

-    veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in [7.4];

 

Aldus beslist door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mrs. A.A.M. Schutte en W.H.N.C. van Beek, leden, bijgestaan door mr. I.J.M. Huysmans-van Opstal, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 april 2021        

  

Griffier    Voorzitter