Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

24-03-2021

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2021:57

Zaaknummer

21-042/DB/OB

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht tegen advocaat in hoedanigheid van managing-partner. Klacht deels niet-ontvankelijk op grond van het verstrijken van de termijn als bedoeld in art. 46g Advocatenwet. Klacht voor het overige kennelijk ongegrond nu niet is gebleken dat verweerder zich bij de vervulling van diens andere hoedanigheid zodanig heeft gedragen dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur is ondermijnd.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort  ‘s-Hertogenbosch

van 24 maart 2021

in de zaak 21-042/DB/OB

 

naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

over:

verweerder

 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de e-mail van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: de deken) van 18 januari 2021 met kenmerk 48|19|175K  en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 9.

 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Klager is van 2006 tot 2011 bijgestaan door advocaten van H Advocaten, waaronder mr. V en mr. W, in een geschil met A. Klager is in de appel- en herroepingsprocedure in het ongelijk gesteld. Klager verwijt mr. W dat hij beroepsfouten heeft gemaakt.

1.2    Bij brief d.d. 14 april 2009 heeft mr. V aan mr. S cassatie advies gevraagd. In deze brief heeft mr. V onder meer aan mr. S medegedeeld:

    “Mede na overleg met mijn kantoorgenoot [verweerder] vraag ik uw advies met betrekking tot het volgende. (…)”

1.2    Verweerder is managing partner van H Advocaten. Verweerder heeft klager niet bijgestaan in het geschil met A en heeft ook geen inhoudelijke bemoeienis met de kwestie gehad.

1.3    Klager heeft tegen meerdere advocaten van het kantoor H Advocaten klachten ingediend, die zijn behandeld door de deken en de raad van discipline.

1.4    Klager heeft bij e-mail d.d. 18 december 2019 bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

 

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende.

Verweerder heeft de waarheid verzwegen en heeft niet erkend dat zijn voormalig kantoorgenoot en de behandelend advocaat van klagers dossier, mr. W, er namens H Advocaten een zooitje van heeft gemaakt. Verweerder heeft klagers procedure tegen A niet gevolgd, terwijl hij daarvan sinds 2009 op de hoogte was. In 2019 heeft verweerder er als partner van H Advocaten het zwijgen toe gedaan. Verweerder heeft zich aldus schuldig gemaakt aan een advocaat onwaardig gedrag en is medeverantwoordelijk voor alle schade die klager heeft geleden.

 

3    VERWEER

3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

4    BEOORDELING

4.1    De voorzitter overweegt dat ingevolge het bepaalde in artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet een klacht niet-ontvankelijk wordt verklaard indien het klaagschrift wordt ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop de klager heeft kennis genomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het nalaten of handelen van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. Klager heeft bij brief d.d. 18 december 2019 bij de deken geklaagd over verweerder. Vast staat dat de bijstand van mrs. V en W in 2011 is geëindigd. Dat betekent dat, voor zover klager verweerder verwijt dat hij de procedure niet heeft gevolgd, die klacht te laat is ingediend en niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Immers, voor zover de klacht betrekking heeft op handelen of nalaten van verweerder van voor 18 december 2016 kan klager ingevolge het bepaalde in artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet niet in de klacht worden ontvangen en in zoverre is de klacht dan ook niet-ontvankelijk.

4.2    Voor zover de klacht betrekking heeft op handelen of nalaten van verweerder van na 18 december 2016 kan klager wel in de klacht worden ontvangen. De voorzitter oordeelt als volgt.

4.3    Vast staat dat verweerder klager niet heeft bijgestaan in diens zaak. Verweerder heeft voorts uitdrukkelijk weersproken dat hij inhoudelijke bemoeienis heeft gehad met klagers dossier en het tegendeel blijkt niet uit de overgelegde stukken. Het enkele feit dat verweerders voormalig kantoorgenoot mr. V in 2009 aan mr. S heeft geschreven dat hij overleg had gepleegd met verweerder rechtvaardigt naar het oordeel van de voorzitter niet de conclusie dat verweerder als advocaat zodanig inhoudelijk betrokken is geweest bij klagers dossier, dat hij voor de beweerdelijk bij de behandeling van dat dossier gemaakte beroepsfouten tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden.

4.4    De voorzitter overweegt dat, voor zover de klacht betrekking heeft op het handelen van verweerder in zijn hoedanigheid van managing partner van H Advocaten, het in de Advocatenwet geregelde tuchtrecht betrekking heeft op het handelen en nalaten van advocaten en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, blijft het advocatentuchtrecht in die zin voor hem gelden, dat indien die advocaat zich bij de vervulling van diens andere hoedanigheid zodanig gedraagt dan wel misdraagt dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt ondermijnd, sprake kan zijn van een handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt, waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden.

4.5    Niet valt in te zien dat verweerder in diens hoedanigheid van managing partner tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor de beweerdelijke tekortkomingen in de behandeling van klagers zaak door verweerders (voormalig) kantoorgenoten en de beweerdelijk door klager geleden schade. Vast staat dat H Advocaten en klager van mening verschillen of er sprake is van door de (voormalige) kantoorgenoten van verweerder gemaakte beroepsfouten. Op verweerder in diens hoedanigheid van managing partner rustte niet de verplichting om te erkennen dat diens voormalig kantoorgenoot  mr. W de door klager gestelde beroepsfouten heeft gemaakt. Tot slot is naar het oordeel van de voorzitter niet gebleken dat verweerder in zijn hoedanigheid van managing partner heeft gezwegen waar hij had moeten spreken, noch dat verweerder zich in die hoedanigheid heeft schuldig gemaakt aan een advocaat onwaardig gedrag.

4.6    Nu niet is gebleken dat verweerder zich bij de vervulling van diens andere hoedanigheid zodanig heeft gedragen dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur is ondermijnd, zal de voorzitter de klacht, voor zover deze betrekking heeft op handelen of nalaten van verweerder van na 18 december 2016, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond verklaren.   

 

5    BESLISSING

De voorzitter verklaart:

-    de klacht, met toepassing van artikel 46g lid 1 sub a Advocatenwet, niet-ontvankelijk voor zover deze betrekking heeft op handelen of nalaten van verweerder van voor 18 december 2016;

-    de klacht, voor zover deze betrekking heeft op handelen of nalaten van verweerder van na 18 december 2016 ontvankelijk en, met toepassing van artikel 46j lid 1 sub c

Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. R.A.J. van Leeuwen, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr.  T.H.G. Huber - van de Langenberg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2021.

 

Griffier                  Voorzitter