Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

15-03-2021

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2021:52

Zaaknummer

20-730/A/A

Inhoudsindicatie

Klacht van de advocaat van de wederpartij over niet-verschijning van verweerder ter zitting deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam

van 15 maart 2021

in de zaak 20-730/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 6 november 2019 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 22 september 2020 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 1032419/EJH/AvO van de deken ontvangen.

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 1 februari 2021. Daarbij waren verweerder en zijn gemachtigde mr. B.M.J. Anneveld aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 6. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mails van verweerder van 15 januari 2021, 26 januari 2021, 30 januari 2021 en 31 januari 2021.

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    Klager is de advocaat van de wederpartij van verweerders (voormalige) cliënt. Verweerder heeft namens zijn cliënt klagers cliënte gedagvaard voor de rechtbank Noord-Holland. Verweerder is zonder zijn (voormalig) cliënt ter zitting verschenen. De kantonrechter heeft de vordering als onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd afgewezen.

2.3    Verweerder heeft vervolgens hoger beroep ingesteld. Het hof heeft op 4 november 2019 een comparitie na aanbrengen gelast. Verweerder en zijn (voormalige) cliënt zijn zonder bericht niet verschenen op de comparitie.

2.4    Verweerder was als advocaat-stagiair verbonden aan het kantoor H. Advocaten te Amsterdam. Op 1 november 2019 heeft verweerder zich uitgeschreven als advocaat in het arrondissement Amsterdam en zich overgeschreven naar de orde van advocaten in het arrondissement Den Haag.

2.5    In de historie van de Landelijke Advocatentabel (het tableau) staat vermeld dat verweerder formeel tot 8 november 2019 als advocaat-stagiair aan het kantoor van H. Advocaten was verbonden.

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder dat hij zich als advocaat onbetamelijk heeft gedragen tegenover het gerechtshof en zijn beroepsgroep en het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Verweerder heeft gedragsregel 6 geschonden omdat door zijn afwezigheid de behandeling van de zaak niet heeft kunnen plaatsvinden en zowel door de wederpartij als het hof onnodige kosten zijn gemaakt.

4    VERWEER

4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING

Bevoegdheid

5.1    Verweerder stelt zich op het standpunt dat de raad van discipline in Amsterdam niet bevoegd is omdat hij ten tijde van de gedraging die ter discussie staat (het niet-verschijnen op de zitting van 4 november 2019) niet meer als advocaat in Amsterdam stond ingeschreven. Verweerder stelt verder dat zijn stage per 1 november 2019 van rechtswege was opgeschort doordat hij zich als advocaat overschreef naar Den Haag. Hij meent dan ook dat alleen de deken in dat arrondissement de klacht van klager had mogen onderzoeken, en in het verlengde daarvan dat alleen de raad van discipline in het ressort Den Haag bevoegd is die te behandelen.

5.2    De raad overweegt als volgt. Een advocaat-stagiair kan niet eenzijdig bewerkstelligen dat hij van patroon wisselt. Artikel 3.5 lid 1 van de Verordening op de advocatuur (VODA) bepaalt dat de raad van de orde aan elke stage en patroon zijn goedkeuring moet verlenen. Ook indien de stagiair van patroon (en in dit geval tevens van arrondissement) wenst te wisselen, is hiervoor goedkeuring van de raad van de orde vereist.

5.3    Daarnaast is in artikel 3.4 lid 2 sub d VODA bepaald dat de stage van rechtswege is opgeschort zodra de patroon en de stagiair niet langer in hetzelfde arrondissement zijn ingeschreven. Uit de historie van het tableau blijkt dat verweerder tot 8 november 2019 formeel ingeschreven stond bij het kantoor H. Advocaten in Amsterdam. Omdat hij geen toestemming had van de raad van de orde om over te stappen naar een andere patroon dan wel naar een ander arrondissement, is op die datum de stage van verweerder van rechtswege opgeschort.

5.4    Conclusie is dat de deken in het arrondissement Amsterdam bevoegd was de klacht te onderzoeken en dat deze raad de klacht in behandeling kan nemen.

De klacht

5.5    De volgende vraag is of klager kan worden ontvangen in zijn klacht. Om in een klacht ontvankelijk te zijn geldt dat een klager een zelfstandig belang dient te hebben. Een klager kan dus niet klagen namens het hof of ‘de beroepsgroep’. Voor zover het algemeen belang in een tuchtprocedure aan de orde is, kan dat slechts beoordeeld worden naar aanleiding van een dekenbezwaar, waarvan in de onderhavige zaak geen sprake is.

5.6    Conclusie van het voorgaande is dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klacht voor zover het de belangen van het hof, de beroepsgroep en/of het algemeen belang betreft. Dit heeft tot gevolg dat de raad ten aanzien van dit gedeelte aan een (verdere) inhoudelijke beoordeling van de klacht niet toekomt. Wat daarover is opgemerkt zal daarom verder onbesproken blijven.

5.7    Klager is ontvankelijk in het deel van zijn klacht dat ziet op het niet verschijnen van verweerder op de zitting van 4 november 2019 voor zover hij daar zijn eigen belang bij betrokken heeft. Volgens klager heeft hij aan zijn cliënte niet gedeclareerd voor zijn gang naar de comparitie in de feitelijk zinloze appelprocedure.

5.8    De raad overweegt dat klager het niet aan verweerder kan verwijten dat hij zijn cliënte – die door het niet-verschijnen van verweerder de procedure eenvoudig heeft gewonnen -  niet heeft gefactureerd. Dat klager het vervelend heeft gevonden om wel voor deze uren te declareren, is van onvoldoende gewicht om zijn klacht over het nalaten van verweerder gegrond te verklaren. De klacht zal worden afgewezen.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond;

Aldus beslist door mr. Q.R.M. Falger, voorzitter, mrs. E.M.J. van Nieuwenhuizen, C. Wiggers, leden, bijgestaan door mr. N.M.K. Damen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2021.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op:  15 maart 2021