Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

25-01-2021

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2021:24

Zaaknummer

20-991/A/A

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij kennelijk ongegrond. Het valt verweerster niet te verwijten dat zij om uitstel van de zitting heeft gevraagd en een dag voor de zitting een aanvullend verzoekschrift heeft ingediend. Verder geen sprake van strijd met gedragsregels 5 en 6.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort  Amsterdam van  25 januari 2021 in de zaak 20-991/A/A naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

 

over:

 

verweerster

gemachtigde: mr. B. Martens

 

 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 10 december 2020 met kenmerk 1031767/EJH/SH, digitaal door de raad ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 7.

 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Klager is verwikkeld in een echtscheidingsprocedure met zijn ex-echtgenote (hierna: de vrouw). De vrouw werd in eerste instantie bijgestaan door mr. S en later door een kantoorgenote van verweerster.

1.2    In september 2019 heeft verweerster de zaak van de vrouw overgenomen in verband met ziekte van haar kantoorgenote. Bij brief van 17 september 2019 heeft verweerster de rechtbank verzocht om uitstel van de op 8 oktober 2019 geplande scenariozitting. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen en de scenariozitting verplaatst naar 1 november 2019.

1.3    Op 31 oktober 2019 heeft verweerster namens de vrouw een aanvullend verzoekschrift bij de rechtbank ingediend. Op 1 november 2019 heeft de advocaat van de man het petitum zoals vermeld in het aanvullend verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken, aangevuld.

1.4    Op 1 november 2019 heeft de scenariozitting bij de rechtbank plaatsgevonden. Op de zitting is bepaald dat op 18 december 2019 een vervolgzitting zal plaatsvinden. Bij faxbrief van eveneens 1 november 2019 heeft verweerster de rechtbank verzocht klager te verzoeken om de in het aanvullend verzoekschrift van de vrouw genoemde stukken te doen overleggen. Bij faxbrief van 4 november 2019 heeft de advocaat van klager hierop gereageerd.

1.5    Op 5 november 2019 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.

1.6    Bij beschikking van 21 november 2019 heeft de rechtbank klager en de vrouw verzocht voor 18 december 2019 een (gedeeltelijk) ouderschapsplan over te leggen, de vrouw in de gelegenheid gesteld uiterlijk 22 november 2019 haar standpunten met betrekking tot haar verzoeken nader te onderbouwen met stukken en klager in de gelegenheid gesteld daar uiterlijk 13 december 2019 op te reageren.

1.7    Op 22 november 2019 heeft verweerster aanvullende producties bij de rechtbank ingediend. Bij brief van 25 november 2019 heeft de advocaat van klager de rechtbank verzocht te bepalen dat de door verweerster ingediende producties buiten beschouwing worden gelaten dan wel haar te gelasten de producties op een andere wijze aan te leveren.

1.8    Bij tussenbeschikking van 29 november 2019 heeft de rechtbank verweerster verzocht uiterlijk 4 december 2019 betreffende de door haar overgelegde producties 1A tot en met 87A ten aanzien van iedere productie duidelijk aan te geven op welk standpunt, welke zij heeft genoemd in haar processtuk, de betreffende productie betrekking heeft waarbij ook duidelijk moet zijn op welk verzoek van haar die productie ziet.

1.9    Op 4 december 2019 heeft verweerster een herziene productielijst bij de rechtbank ingediend.

1.10    Op 6 december 2019 heeft verweerster vijf aanvullende producties bij de rechtbank ingediend. Na bezwaar van de advocaat van klager heeft de rechtbank deze stukken buiten beschouwing gelaten.

 

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende.

a)    Verweerster heeft klager benadeeld door de rechtbank om uitstel van de scenariozitting te verzoeken en een dag voor de scenariozitting een aanvullend verzoekschrift in te dienen waarin bovendien onjuistheden en verdachtmakingen aan het adres van klager zijn opgenomen.

b)    Verweerster heeft gedragsregel 5 niet in acht genomen en niet gestreefd naar een minnelijke oplossing.

c)    Verweerster heeft gedragsregel 6 niet in acht genomen waardoor klager op onnodige kosten wordt gejaagd.

 

3    VERWEER

3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

4    BEOORDELING

4.1    De klacht ziet op het handelen en/of nalaten van verweerster als advocaat van de wederpartij. Uitgangspunt is dat die advocaat een ruime mate van vrijheid geniet om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze als hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt. Deze vrijheid is niet absoluut, maar kan onder meer beperkt worden doordat (a) de advocaat zich niet onnodig grievend mag uitlaten over de wederpartij, (b) de advocaat geen feiten mag poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) de advocaat bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig mag schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt voorts dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat behoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

Klachtonderdeel a)

4.2    Klager verwijt verweerster allereerst dat zij hem heeft benadeeld door de rechtbank om uitstel van de scenariozitting te verzoeken en een dag voor de zitting een aanvullend verzoekschrift in te dienen.

4.3    Verweerster heeft toegelicht dat zij de zaak van de vrouw op 17 september 2019 heeft overgenomen van haar zieke kantoorgenote. Vanwege de korte tijdspanne, gezien de datum van de geplande scenariozitting, in samenhang met de omvangrijkheid van het dossier, heeft zij de advocaat van klager gevraagd of hij akkoord was met uitstel van de zitting. De advocaat van klager was daarmee niet akkoord, reden waarom zij zich tot de rechtbank heeft gewend met het verzoek om uitstel van de zitting. De rechtbank heeft het verzoek gehonoreerd en een nieuwe zittingsdatum bepaald. De voorzitter is van oordeel dat, anders dan klager stelt, verweerster dit verzoek aan de rechtbank mocht doen in het belang van haar cliënte. Het was aan de rechtbank om op het verzoek te beslissen, wat de rechtbank ook heeft gedaan. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is geen sprake.

4.4    Verweerster heeft verder toegelicht dat zij bij de rechtbank heeft geverifieerd tot welk moment zij een aanvullend verzoekschrift mocht indienen. Aangegeven werd het liefst zo snel mogelijk, maar in ieder geval een dag voor de zitting. Klager heeft dit niet betwist. Niet valt dan ook in te zien waarom het indienen van een aanvullend verzoekschrift op 31 oktober 2019 tuchtrechtelijk verwijtbaar zou zijn. Dat door indiening van het aanvullend verzoekschrift op 31 oktober 2019 het voor klager onmogelijk was het verzoekschrift voor de zitting met zijn advocaat te bespreken, zoals klager stelt, is onvoldoende. Bovendien heeft verweerster onbetwist aangevoerd dat de zaak op de scenariozitting van 1 november 2019 niet inhoudelijk is behandeld en klager in het kader van de vervolgzitting op 18 december 2019 een verweertermijn heeft gekregen tot 16 december 2019.

4.5    Klager verwijt verweerster in dit klachtonderdeel ook dat in het aanvullend verzoekschrift onjuiste feiten en verdachtmakingen aan het adres van klager zijn opgenomen. Klager noemt in zijn klacht als voorbeelden dat hij de kinderen zou belasten met de echtscheidingsperikelen, dat hij nooit kinderalimentatie heeft betaald en de vrouw vanaf juni 2019 wel de helft van de woonlasten betaalt, dat hij de vrouw (psychisch) zou hebben mishandeld, dat hij nooit zou hebben omgekeken naar de kinderen, dat de huurovereenkomst van de door hem gehuurde woning zou nep zijn en dat hij zijn huur nooit zou betalen.

4.6    De voorzitter overweegt als volgt. De door klager genoemde voorbeelden van onjuiste feiten en/of verdachtmakingen betreffen voornamelijk door de vrouw ingenomen stellingen in de echtscheidingsprocedure. Het is aan de civiele rechter en niet aan de tuchtrechter om daarover te oordelen. Dat de door verweerster namens de vrouw ingenomen stellingen kennelijk onjuist zijn, of dat verweerster feiten heeft geponeerd waarvan zij wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat die onjuist zijn, heeft klager onvoldoende onderbouwd en blijkt ook niet uit het klachtdossier. Wat betreft de beschuldiging van mishandeling, wat op zich een ernstige beschuldiging is die een advocaat niet zomaar mag doen, heeft klager erkend dat de vrouw aangifte jegens klager heeft gedaan van mishandeling. De aangifte is volgens klager weliswaar geseponeerd, maar verweerster heeft geen beschuldiging geuit die totaal ongefundeerd is.

4.7    De conclusie van het voorgaande is dat klachtonderdeel a) kennelijk ongegrond is.

Klachtonderdeel b)

4.8    In klachtonderdeel b) verwijt klager verweerster dat zij gedragsregel 5 niet in acht heeft genomen en niet heeft gestreefd naar een minnelijke oplossing. Klager heeft dit aldus toegelicht dat de rechtbank in de beschikking van 21 november 2019 klager en de vrouw heeft verzocht voor 18 december 2019 een (gedeeltelijk) ouderschapsplan over te leggen. Klager heeft er in eerste instantie voor gekozen af te wachten of verweerster namens de vrouw met een voorstel voor een ouderschapsplan zou komen. Dat gebeurde niet, waarna klager zijn advocaat heeft verzocht een voorstel te doen. Dat heeft zij op 27 november 2019 gedaan. Verweerster heeft hierop pas op 11 december 2019 gereageerd. Omdat het tegenvoorstel van verweerster op een aantal punten niet duidelijk was, heeft de advocaat van klager een dag later enkele vragen gesteld. Hierop heeft verweerster niet meer gereageerd voor de zitting van 18 december 2019, aldus klager.

4.9    Verweerster heeft aangevoerd dat de advocaat van klager in een brief aan de rechtbank van 25 november 2019 heeft meegedeeld dat zij met een voorstel voor een ouderschapsplan zou komen. In afwachting daarvan is verweerster niet zelf met een voorstel gekomen. Dat de beantwoording van het voorstel van klager van 27 november 2019 langer op zich heeft laten wachten dan wenselijk is, komt mede door het overlijden van de broer van de vrouw. In de e-mail van 11 december 2019 heeft verweerster namens de vrouw klager onder meer een ruimere zorgregeling voorgesteld dan de vrouw eerder voor ogen had. De advocaat van klager liet in haar reactie van 12 december 2019 weten dat klager daarmee niet akkoord was en dat de rechter er over zal moeten beslissen. Mede gelet op die opmerking is in afwachting van de zitting de beantwoording van de door de advocaat van klager gestelde vragen uitgebleven. Het uitblijven van antwoorden op deze vragen is er niet de oorzaak van dat er geen (gedeeltelijk) ouderschapsplan tot stand is gekomen. Er is geen (gedeeltelijk) ouderschapsplan tot stand gekomen omdat klager niet akkoord is gegaan met de voorgestelde zorgregeling, aldus verweerster.

4.10    De voorzitter overweegt als volgt. Tegenover het gemotiveerde verweer van verweerster heeft klager onvoldoende onderbouwd dat verweerster gedragsregel 5 niet in acht heeft genomen en niet heeft gestreefd naar een minnelijke oplossing. Het klachtdossier biedt daarvoor ook geen aanknopingspunten. Klachtonderdeel b) is daarom kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel c)

4.11    Klager verwijt verweerster tot slot dat zij gedragsregel 6 niet in acht heeft genomen waardoor hij op onnodige kosten is gejaagd. Klager heeft dit als volgt toegelicht. Doordat verweerster pas op 31 oktober 2019 een aanvullend verzoekschrift heeft ingediend, had de scenariozitting weinig toegevoegde waarde terwijl de advocaat van klager hier wel veel tijd in heeft gestoken. Verweerster heeft klager ook op kosten gejaagd door op 22 november 2019 een ongeordend pak producties bij de rechtbank in te dienen waartegen de advocaat van klager bezwaar heeft moeten maken en door op 6 december 2019 aanvullende producties in te dienen. Laatstgenoemde producties zijn door de rechtbank weliswaar buiten beschouwing gelaten, maar de advocaat van klager heeft de producties wel moeten bestuderen en haar verweer daarop moeten voorbereiden, aldus klager. 

4.12    De voorzitter overweegt als volgt. Verweerster heeft haar werkzaamheden in het kader van de behartiging van haar belangen voor haar cliënte verricht. Zoals hiervoor overwogen komt haar daarbij de nodige vrijheid toe, onder meer bij keuzes met betrekking tot het indienen van processtukken. Dat de advocaatkosten van klager het gevolg zijn van een niet doelmatige behandeling van de zaak door verweerster in een mate dat zij de tuchtrechtelijke grenzen overschrijdt is de voorzitter niet gebleken, Klachtonderdeel c) is eveneens kennelijk ongegrond.

4.13    Voor zover klager er ook over klaagt dat verweerster escalerend heeft opgetreden en klager en de vrouw door het optreden van verweerster alleen maar verder tegenover elkaar zijn gaan staan geldt dat klager dit onvoldoende heeft onderbouwd. Voor zover klager hierbij doelt op het in het geding brengen van door de vrouw opgestelde stukken, waaronder een feitenrelaas, geldt dat het verweerster vrij stond die stukken in het geding te brengen.

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart: de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. E.J. van der Molen, voorzitter, bijgestaan door mr. S. van Excel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2021.

 

Griffier         Voorzitter

Verzonden