Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

25-01-2021

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2021:22

Zaaknummer

20-990/A/A

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat wederpartij. Niet gebleken dat verweerder bewust onjuiste informatie aan de Ondernemingskamer heeft verstrekt. Klacht kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort  Amsterdam van 25 januari 2021 in de zaak 20-990/A/A naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

 

over:

 

verweerder

 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 10 december 2020 met kenmerk 1039619/EJH/FS, door de raad ontvangen op dezelfde datum ontvangen, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 6.

 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Klager is via zijn bedrijf X aandeelhouder in bedrijf Y.

1.2    Bedrijf Y staat sinds medio 2019 onder bewind van de heer W. Tussen onder meer klager en de heer W. is een geschil (hierna: het geschil) ontstaan over de financiering en het bestuur van bedrijf Y. Klager wordt in dit geschil bijgestaan door mr. B. Verweerder staat de heer W. bij.

1.3    Op 23 oktober 2019 heeft verweerder in het kader van het geschil een verzoekschrift bij de Ondernemingskamer ingediend.

1.4    Op 2 november 2019 hebben verweerder en mr. B. elkaar telefonisch gesproken.

1.5    In november 2019 heeft tussen onder meer de heer W. en (de gemachtigde van) klager e-mailcorrespondentie plaatsgevonden over voorstellen voor de financiering van bedrijf Y. De e-mails van 7, 8 en 13 november 2019 zijn overgelegd in de procedure bij de Ondernemingskamer.

1.6    Op 7 november 2019 heeft de heer W. onder meer het volgende aan (de gemachtigde van) klager gemaild:

‘Afgelopen weekend is van de zijde van [klager] aangegeven dat bedrijf X ook bereidheid zou hebben financiering te verstrekken, en dat bedrijf X de voorliggende bereidheid van de genoemde drie financiers matcht met dien verstande dat bedrijf X voor bedrijf Y in zoverre gunstigere voorwaarde biedt doordat zij geen pandrecht bedingt op het patent en bovendien een langerelooptijd accepteert op de lening.’

1.7    In de e-mail van 8 november 2019 heeft mr. B. op de email van de heer W. gereageerd.

1.8    Op 13 november 2019 heeft de heer W. aan onder meer klager het volgende gemaild:

‘Hieruit kan ik niet anders afleiden dan dat ook [klager] een pandrecht bedingt. Eerder was mij al opgevallen dat in zijn e-mail van 1 november 2019 niet was opgenomen dat werd afgezien van een pandrecht. De bereidheid af te zien van een pandrecht is slechts een keer telefonisch door de advocaat van [klager] medegedeeld en daarop heb ik mijn mededeling in mijn e-mail van 7 november 2019 aan u gebaseerd. Echter, nu opnieuw dit element ontbreekt, terwijl nadrukkelijk wel wordt verwezen naar de eerdere concept CLA’s, moet ik aannemen dat dit onderscheidende element, voor zover dit werkelijk al eerder is aangeboden, niet langer wordt voorgesteld;’

1.9    Op 14 november 2019 heeft mr. B. aan verweerder gemaild:

‘Wij waren verbaasd dat de heer W. in zijn email van gisteren aan de aandeelhouders schreef dat wij tegen jou zouden hebben gezegd dat het voorstel van 1 november 2019 van [klager] geen pandrecht inhield.

Allereerst staat in het voorstel duidelijk dat financiering zal plaatsvinden op grond van de CLA’s (met pandrecht dus) en daarnaast hebben wij helemaal niet besproken dat er geen sprake zou zijn van een pandrecht.’

1.10    Op 14 november 2019 het de Ondernemingskamer het verzoekschrift van 23 oktober 2019 mondeling behandeld.

1.11    Op 21 november 2019 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

1.12    Op 27 november 2019 heeft de Ondernemingskamer haar beschikking gegeven. In 2.37 van deze beschikking is het volgende vermeld:

‘Bij e-mail van 1 november 2019 heeft [klager] een financieringsvoorstel voorgelegd aan [de heer W.], in de vorm van een CLA (…) onder dezelfde voorwaarden als de oorspronkelijke CLA’s (…), waarbij ook [klager] een pandrecht op het patent bedong (…).

 

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder dat hij heeft gehandeld in strijd met gedragsregel 8 door het verstrekken van feitelijke informatie waarvan hij wist dat deze onjuist was. Volgens klager heeft verweerder de Ondernemingskamer beïnvloed door de e-mail van 13 november 2019 in de procedure over te leggen waarin de heer W. heeft vermeld dat klager, volgens een telefonische mededeling hierover van mr. B. aan verweerder, bereid zou zijn af te zien van een pandrecht, terwijl dit niet juist is.

2.2    De voorzitter zal hierna bij de beoordeling, waar nodig, op de stukken en stellingen van klager ingaan.

 

3    VERWEER

3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd en betwist dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerder wijst erop dat de Ondernemingskamer er bij de beoordeling van het verzoekschrift van 23 oktober 2019 van uit is gegaan dat klager wel een pandrecht bedong. Volgens verweerder is het verder dan ook niet relevant of mr. B. nu wel of niet in het telefoongesprek van 2 november 2019 heeft gezegd dat klager geen pandrecht zou bedingen.  

3.2    De voorzitter zal hierna bij de beoordeling, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

4    BEOORDELING

4.1    De klacht van klagers gaat over het handelen van verweerder als advocaat van de wederpartij. Uitgangspunt is dat die advocaat een ruime mate van vrijheid geniet om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze als hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt. Deze vrijheid is niet absoluut, maar kan onder meer beperkt worden doordat de advocaat geen feiten mag poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen. Dit is ook voorgeschreven in gedragsregel 8.

4.2    De voorzitter is op grond van de dossierstukken, waaronder de beschikking van de Ondernemingskamer van 27 november 2019, van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder de Ondernemingskamer bewust onjuist heeft voorgelicht door de e-mail van              13 november 2019 met de daarin door klager bedoelde en betwiste telefonische mededeling van mr. B. in de procedure over te leggen. Uit de beschikking van 27 november 2019 blijkt niet dat de e-mailcorrespondentie van 1 tot en met 13 november 2019 (zie 1.5 tot en met 1.8) over het wel of niet door klager bedongen pandrecht van invloed is geweest op het oordeel van de Ondernemingskamer over het verzoekschrift van 23 oktober 2019. Uit de in de beschikking opgenomen feiten blijkt dat de Ondernemingskamer er bij haar oordeel van uit is gegaan dat klager wel een pandrecht heeft bedongen (zie 1.12). De vraag of mr. B. tijdens het telefoongesprek met verweerder wel of niet heeft gezegd dat klager geen pandrecht zou bedingen, kan bij de beoordeling van de klacht dan ook buiten beschouwing worden gelaten. Gelet op het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, dan ook kennelijk ongegrond verklaren.

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. E.J. van der Molen, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2021.

 

Griffier         Voorzitter

Verzonden