Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

25-01-2021

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2021:19

Zaaknummer

20-853/A/A

Inhoudsindicatie

Klacht over eigen advocaat. Tussen klager en verweerder is een advocaat-cliënt relatie ontstaan. Dat klager de opdrachtbevestiging niet heeft getekend en geen voorshot heeft voldaan, doet daar niet aan af. Het stond verweerder niet vrij om enkele jaren later, zonder overleg met klager, een procedure te-gen klager te starten. Klacht deels gegrond. Waarschuwing.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 25 januari 2021  in de zaak 20-853/A/A naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

 

over:

 

verweerder

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 17 februari 2020 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 10 november 2020 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 1086402 van de deken ontvangen.

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 14 december 2020. Daarbij was verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 7.

 

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    Klager besteedt sinds enige jaren zowel zijn privé als zakelijke incassozaken uit aan de Nova Groep. Deze groep bestaat onder meer uit Nova Incasso en Nova Legal.

2.3    Verweerder heeft tot maart 2018 een eigen advocatenkantoor gehad. Daarna is hij een korte periode werkzaam geweest voor Nova Legal. In die periode stond hij niet als advocaat op het tableau ingeschreven. Op 19 juli 2018  heeft verweerder de vennootschap Nova Legal Advocatuur B.V. (hierna: Nova Legal Advocatuur) opgericht. Vanaf dat moment verwees de Nova Groep nieuwe zaken onder meer naar het kantoor van verweerder.

2.4    In december 2018  heeft verweerder de opdracht van Nova Groep gekregen om werkzaamheden ten behoeve van klager uit te voeren. Het betrof het opstellen van een concept-verzoekschrift tot het leggen van conservatoir derdenbeslag. Verweerder heeft aan klager een opdrachtbevestiging gestuurd, met het verzoek om die ondertekend terug te sturen en een voorschot te voldoen. Het secretariaat van het kantoor van verweerder heeft het concept-verzoekschrift bij e-mail van 7 december 2018  aan klager gestuurd.

2.5    De opdracht heeft geen vervolg gekregen: klager heeft de opdrachtbevestiging niet getekend, er is geen voorschot voldaan en het verzoekschrift is nimmer ingediend.

2.6    Op 31 juli 2019 heeft verweerder namens P. B.V. en L. B.V. een faillissementsaanvraag tegen onder meer V. Nederland B.V. ingediend.

2.7    Mr. Van A. heeft bij e-mail van 16 augustus 2019 , 10.59 uur, aan verweerder bericht, voor zover relevant:

“Tot mij wendden zich cliënten, V. Nederland B.V. (…) en [klager] met het verzoek hun belangen in opgemelde kwestie te behartigen (…)

Van cliënten begrijp ik dat u eerder hun belangen als advocaat behartigde en als zodanig optrad. (…)

Slechts ingeval aan de drie cumulatieve vereisten van gedragsregel 15 lid 3 is voldaan, kan en mag een advocaat tegen oud cliënten optreden. Aan die vereisten is niet voldaan en cliënten hebben grote bezwaren tegen de behandeling van de faillissementsaanvraag van V. Nederland B.V. en [klager] in privé door u en uw kantoor.

Namens cliënten breng ik in herinnering het verzoekschrift dat u in opdracht van V. Nederland B.V. (…) heeft vervaardigd. Vaststaat derhalve dat V. Nederland B.V. als (oud) cliënte te gelden heeft en dat u thans – zonder ook maar om de instemming van V. Nederland B.V. te vragen – een faillissementsaanvraag tegen haar heeft ingediend. In de visie van cliënten is aldus sprake van belangenverstrengeling, althans van een situatie waarin de schijn van belangenverstrengeling is ontstaan.

Gelet op het voorgaande verzoek – en voor zover nodig sommeer – ik u en Nova Legal Advocatuur om: (i) het optreden tegen cliënten met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden en (ii) per ommegaande tot intrekking over te gaan van de faillissementsrekesten en procedures gericht tegen cliënten.”

2.8    Verweerder heeft op dezelfde dag, bij e-mail van 13.43  uur, aan de advocaat van klager bericht:

“Aan het verzoekschrift te zien is het rekest kennelijk ergens in 2017 opgesteld, mijn kantoor (Nova Legal Advocatuur B.V.) bestond toen nog niet. In die periode was ik overigens zelf, in een ander arrondissement, als advocaat werkzaam.

De conclusie is dan ook dat noch ik,  noch mijn kantoor voor V. hebben opgetreden, V. is dan ook geen cliënte van mij of mijn kantoor geweest. In dat verband is er dan ook geen belangenverstrengeling.”

2.9    De advocaat van klager heeft hierop bij e-mail van 14.00  uur aan verweerder een kopie toegestuurd van het concept-verweerschrift dat verweerder in 2018 voor klager had opgesteld. 

2.10    In reactie daarop heeft verweerder bij e-mail van 14.45  uur aan de advocaat van klager bericht:

“Aansluitend op mijn mail van zojuist, en om de discussie verder te beëindigen, kan ik berichten dat indien de bezwaren van uw cliënten zodanig groot zijn, ik en mijn kantoor bereid zijn om zich als kantoor terug te trekken uit de procedurenes en deze aan een andser kantoor over te dragen, daarmee sta ik en mijn kantoor verder geen der partijen bij.”

2.11    Hierop heeft de advocaat van klager bij e-mail van 16 augustus 2019  om 15.23 uur aan verweerder bericht:

“De bezwaren van cliënten zijn zodanig groot dat zij mij reeds opdracht verstrekten een klachtprocedure te entameren.

Gelet echter op de getoonde bereidheid van u en uw samenwerkingsverband om zich vrijwillig terug te trekken uit alle procedures, zullen cliënten dat achterwege laten.”

2.12    Verweerder heeft op 16 augustus 2019, om 15.48 uur , aan de advocaat van klager bericht dat hij de zaken zal overdragen aan een ander kantoor.

2.13    Met ingang van 1 oktober 2019  is verweerder bij een ander advocatenkantoor gaan werken. Hij heeft met ingang van 15 april 2020  de statutaire naam en de doelomschrijving van zijn vennootschap gewijzigd. 

 

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:

a) Verweerder heeft in strijd met gedragsregel 15 omtrent belangenverstrengeling gehandeld, door eerst voor klager werkzaamheden te hebben verricht en daarna is hij, althans zijn kantoor, zonder vooraankondiging en/of instemming van klager, procedures tegen klager en aan hem gelieerde vennootschappen gestart.

b) Verweerder, althans zijn kantoor, is zelf actief op zoek gegaan naar schuldeisers van klager en aan gelieerde entiteiten van klager, teneinde diverse juridische procedures te entameren.

 

4    VERWEER

4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

5    BEOORDELING

5.1    Bij de beoordeling van de klacht wordt vooropgesteld dat het de advocaat in beginsel niet is toegestaan tegen een cliënt of een voormalig cliënt van hem op te treden. Dit volgt uit gedragsregel 15 lid 1. De advocaat dient zich niet in een situatie te begeven dat hij in een belangenconflict met zijn (voormalige) cliënt geraakt, terwijl voorts de (voormalige) cliënt erop moet kunnen vertrouwen dat vertrouwelijke informatie niet tegen hem kan worden gebruikt.

5.2    Via Nova Legal heeft verweerder een opdracht gekregen om werkzaamheden voor klager te verrichten. Verweerder heeft hierop een opdrachtbevestiging aan klager gestuurd en is begonnen met het opstellen van een verzoekschrift tot het leggen van conservatoir beslag. Daarmee is een advocaat-cliënt-relatie ontstaan. Dat klager de opdrachtbevestiging niet heeft ondertekend en ook niet (meer) heeft gereageerd op het door verweerder opgestelde concept, doet daar in deze zaak naar het oordeel van de raad niet aan af.

5.3    Nu sprake is geweest van een advocaat-cliënt-relatie, stond het verweerder niet vrij om, zonder overleg met klager – namens een andere cliënt een procedure tegen klager te starten. Vaststaat dat verweerder dat overleg niet heeft gezocht. Dit onderdeel van de klacht is dan ook gegrond. Het feit dat verweerder zich direct heeft teruggetrokken nadat hij door klager was geattendeerd op de belangenverstrengeling, maakt niet dat het klachtonderdeel ongegrond zou zijn. Dat verweerder zelf actief op zoek is gegaan naar schuldeisers van klager, zoals klager stelt, heeft de raad niet kunnen vaststellen. Dit klachtonderdeel acht de raad dan ook niet gegrond.

5.4    Klager stelt dat sprake is van een samenwerking van verweerder met een incassobureau en een juridisch adviesbureau. Of hiervan sprake van is, laat de raad in het midden nu zij de klacht reeds gegrond acht op bovengenoemde gronden. Overigens geldt dat de deken heeft aangekondigd zelfstandig dekenonderzoek te zullen gaan doen naar de (schijn van) samenwerking door verweerder met niet-toegelaten beroepsgroepen.

 

6    MAATREGEL

6.1     Gelet op wat in 5.2 en 5.3 is overwogen, acht de raad onder de gegeven omstandigheden de maatregel van een waarschuwing passend en geboden. 

 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

b) € 500,- kosten van de Staat.

 7.3    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart klachtonderdeel a gegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3.

 

Aldus beslist door mr. C. Kraak, voorzitter, mrs. E.M.J. van Nieuwenhuizen en A. de Groot, leden, bijgestaan door mr. C.C. Horrevorts als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2021.

 

Griffier    Voorzitter

Verzonden