Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

25-01-2021

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2021:14

Zaaknummer

20-359/DB/OB

Inhoudsindicatie

Ook in verzet is niet gebleken dat ten tijde van de verweten handelingen sprake was van een lopende betalingsregeling. Verweerster heeft de stelling dat er een betalingsregeling liep betwist, terwijl klager naar het oordeel van de raad onvoldoende naar voren heeft gebracht om vast te stellen dat van de door hem gestelde betalingsregeling sprake was. Grenzen vrijheid advocaat wederpartij niet overschreden. Verzet ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch

van  25 januari 2021

in de zaak 20-359/DB/OB

 

naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de raad van discipline van 15 juni 2020 op de klacht van:

 

klager

 

tegen:

 

verweerster

 

 

 

 

1          Verloop van de procedure

1.1      Klager heeft middels bij e-mail van 21 augustus 2019 bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant, hierna: “de deken”, een klacht ingediend tegen verweerster.

1.2      Bij e-mail d.d. 15 mei 2020 met kenmerk nr. 48|19|101K heeft de deken de klacht ter kennis gebracht van de raad. 

1.3      Bij beslissing van 15 juni 2020 heeft de voorzitter van de raad van discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch de klacht kennelijk ongegrond verklaard. De beslissing van de voorzitter is op 16 juni 2020 verzonden aan klager.

1.4      Klagers gemachtigde, mr. S, heeft bij e-mail d.d. 15 juli 2020 verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.

1.5      Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 23 november 2020. Daarbij waren klager, bijgestaan door mr. S en de heer OS, en verweerster, bijgestaan door haar kantoorgenoot mr. L,  aanwezig.

1.6      De raad heeft kennisgenomen van: de beslissing van de voorzitter waarvan verzet en van de stukken waarop de beslissing blijkens de tekst daarvan is gegeven en het verzetschrift van klagers gemachtigde.

 

2          FEITEN

2.1      Voor een weergave van de vaststaande feiten verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter. 

 

 

3          KLACHT EN VERZET

3.1      De klacht, zoals weergegeven in de beslissing van de voorzitter, houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat zij:

1.                  heeft gesteld dat er sprake zou zijn van een overeenkomst tussenklager en E. en heeft ook toegezegd om die overeenkomst te verstrekken, maar is die toezegging niet nagekomen;

 

 

 

2.              heeft gedreigd met het indienen van een faillissementsverzoek als ongeoorloofd pressiemiddel, aangezien eerder namens E. was aangegeven dat zou worden overgegaan tot dagvaarding en bovendien de overeenkomst waarop de vordering gebaseerd is niet wordt getoond.

 

 

 

3.3      De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in:

De voorzitter heeft ten onrechte geconcludeerd dat er geen betalingsregeling liep. De conclusie van de voorzitter is onnavolgbaar.

 

4          BEOORDELING  

4.1      De raad heeft kennis genomen van het dossier en de nagekomen stukken. De raad is van oordeel dat de voorzitter bij de beoordeling van de klacht het juiste beoordelingscriterium heeft gehanteerd en acht heeft geslagen op alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Ook in verzet is niet gebleken dat ten tijde van de verweten handelingen sprake was van een lopende betalingsregeling. Verweerster heeft de stelling dat er een betalingsregeling liep betwist, terwijl klager naar het oordeel van de raad onvoldoende naar voren heeft gebracht om vast te stellen dat van de door hem gestelde betalingsregeling sprake was.

4.2      De raad komt tot de slotsom dat de voorzitter terecht en op juiste gronden toepassing heeft gegeven aan artikel 46j lid 1 sub c Advocatenwet, op grond waarvan de klacht zonder voorafgaande mondelinge behandeling bij beslissing van de voorzitter kan worden afgedaan. Nu het verzet van klager tegen de beslissing van de voorzitter ook overigens geen nieuwe gezichtspunten oplevert is er geen plaats voor verder onderzoek naar de klacht en moet het verzet ongegrond worden verklaard.

 

 

 

 

 

 

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-       verklaart het verzet ongegrond.

 

 

Aldus beslist door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mrs. A. Groenewoud en W.A.A.J. Fick-Nolet, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber - Van de Langenberg, als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 25 januari 2021.

 

 

 

 

Griffier                                                                                               Voorzitter