Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

08-01-2021

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2021:9

Zaaknummer

200141

Inhoudsindicatie

Klacht over eigen advocaat. De raad heeft de klacht in alle onderdelen ongegrond verklaard. Het hof verklaart klachtonderdeel a) alsnog gegrond voor zover dit ziet op het verwijt dat verweerder klaagster ten onrechte heeft laten weten dat “zo nodig” na de comparitie nog producties in het geding gebracht konden worden. Het hof legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad ten aanzien van de ongegrondverklaring van de overige klachtonderdelen.

Uitspraak

BESLISSING

van 8 januari 2021                            

in de zaak 200141

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klaagster

tegen:

verweerder

             

1    HET GEDING IN EERSTE AANLEG

Het hof verwijst naar de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (verder: de raad) van 4 mei 2020, gewezen onder nummer 20-048/A/A.

Deze beslissing is op de datum van de uitspraak aan partijen toegezonden. In deze beslissing is de klacht in al haar onderdelen ongegrond verklaard.

    Deze beslissing is gepubliceerd op tuchtrecht.nl als ECLI:NL:TADRAMS:2020:111.

 

2    HET GEDING IN HOGER BEROEP   

    2.1    Het beroepschrift, met bijlagen, waarbij klaagster van deze beslissing van de raad in

hoger beroep is gekomen, is door de griffie van het hof ontvangen per e-mail op 2 juni 2020 en per post op 4 juni 2020.

    2.2    Het hof heeft voorts kennisgenomen van:

- het dossier van de raad;

- het verweerschrift van verweerder.

2.3    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 2 november 2020 waar klaagster en haar gemachtigde, mr. W.J.A. van Es, alsmede verweerder zijn verschenen en hun standpunten hebben toegelicht.

 

3    KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder dat hij:

a)    haar niet capabel heeft vertegenwoordigd, onder meer door geen nadere stukken meer in het geding te brengen, terwijl door de wederpartij voor de comparitie van partijen een aanzienlijke hoeveelheid stukken in het geding werd gebracht en klaagster er bij verweerder op had aangedrongen om nog stukken in te dienen en daarmee aan te tonen dat de zaken anders lagen. Verweerder zou echter hebben aangegeven dat dat op een later moment ook nog kon. Uiteindelijk zijn er namens klaagster geen nadere stukken meer in het geding gebracht. De rechtbank heeft in het vonnis geoordeeld dat klaagster ter comparitie weliswaar had aangegeven dat zij nog stukken achter de hand had, maar dat zij de kans om deze stukken in het geding te brengen onbenut heeft gelaten. Ook heeft verweerder geen comparitieaantekeningen overgelegd;

b)    de concept conclusie van antwoord niet tijdig aan haar heeft voorgelegd en (daarmee) de afspraak dat uiterlijk 2 juni 2018 te doen niet is nagekomen.

 

4    FEITEN

4.1    Bij de beoordeling van de klacht in hoger beroep gaat het hof uit van de volgende vaststaande feiten.

4.2    In maart 2018 heeft klaagster verweerder verzocht haar bij te staan in een civiele procedure die door mevrouw Van R. (hierna ook: de wederpartij) tegen haar was aangespannen. Grondslag van de vordering van de wederpartij was vernietiging van door de wederpartij aan klaagster gedane schenkingen. De wederpartij stelde dat die door misbruik van omstandigheden aan de zijde van klaagster tot stand waren gekomen.

4.3    In een e-mail van 23 maart 2018 heeft verweerder aan klaagster bericht, voor zover relevant:

“Ik heb de dagvaarding en producties bekeken. Ik kan niet anders zeggen dan dat het een lange karakterschets is waarin [de wederpartij] wordt neergezet als een willoos slachtoffer. In juridische zin wordt gesteld dat mevrouw in een dermate afhankelijke positie verkeerde dat zij geen weerstand kon bieden aan druk om schenkingen te doen.

Alhoewel ik het geen sterk betoog vind kan het met dit soort zaken in de rechtspraak alle kanten uitgaan. Het verweer moet erop neerkomen dat voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat [de wederpartij] op rationele gronden haar beslissingen, waaronder de financiële, nam.

U zei mij dat u over mails, e.d. beschikt waaruit blijkt dat mevrouw willens en wetens heeft gehandeld zoals zij handelde. Ik zou graag kennis nemen van dergelijke berichten waarna ik u nader zou kunnen adviseren.”

4.4    De rechtsbijstandsverzekeraar van klaagster heeft verweerder bij e-mail van 12 april 2018 formeel opdracht gegeven om klaagster bij te staan. Aan verweerder is daarbij verzocht om een beknopt plan van aanpak te verstrekken, alsmede een voorstel te doen voor een gematigd uurtarief.

4.5    Verweerder heeft bij brief van 1 mei 2018 de rechtsbijstandsverzekeraar van klaagster onder meer bericht:

“[De wederpartij] beroept zich op misbruik van omstandigheden en dat maakt bij een schenking dat in beginsel de bewijslast wordt omgedraaid. Het is aan [klaagster] om aan te tonen dat van misbruik van omstandigheden geen sprake was. Op basis van het gesprek met [klaagster] en de tussen partijen gevoerde correspondentie meen ik dat we erin moeten kunnen slagen om aan te tonen dat van een dergelijk misbruik geen sprake was.

We zullen verweer moeten voeren tegen de vordering en aangezien het vooral op feiten aankomt zal nauwgezet bekeken moeten worden welke stukken in het geding worden gebracht. Het verweer zal erop neerkomen dat de gelden geschonken zijn en dat dat een welbewuste keuze is geweest. Dat zal aannemelijk gemaakt moeten worden aan de hand van tussen partijen gevoerde correspondentie. (…)

Voor wat betreft het aantal te besteden uren kan ik niet anders dan daar een zeer grove schatting over te geven. [Klaagster] beschikt over (zeer) veel correspondentie en die beslaat met gemak een aantal ordners. Ter besparing van tijd heb ik [klaagster] gevraagd om zélf een selectie te maken van stukken die zij relevant acht. (…)”.

4.6    Per e-mail van 23 mei 2018 heeft klaagster aan verweerder onder meer bericht:

“Ik ga jou nu elke keer een mail per punt uit de dagvaarding sturen. Bijlagen die betrekking hebben op het desbetreffende punt, voeg ik bij.”

Vervolgens heeft klaagster op 23, 25 en 26 mei 2018 e-mails met een groot aantal bijlagen aan verweerder gestuurd.

4.7    Bij e-mail van 5 juni 2018 heeft verweerder aan klaagster een eerste concept van een gedeelte van de conclusie van antwoord - die op 13 juni 2018 moest worden ingediend - gestuurd. Hij heeft haar daarbij bericht dat hij ‘al verder is dan wat hij nu stuurt’, maar dat hij de rest nog moet redigeren. Voorts heeft hij klaagster verzocht om nog een aantal begeleidende e-mails aan hem door te sturen. Deze e-mails heeft klaagster op 6 juni 2018 om 12.13 uur aan verweerder gestuurd. Hierop heeft verweerder aan klaagster bij e-mail van 6 juni 2018 om 17.34 uur het vervolg van de concept conclusie van antwoord gestuurd. Klaagster heeft na ontvangst van deze e-mail op 6 juni 2018 om 18.47 uur aan verweerder gemaild:

“Dank je voor het toesturen van de stukken die ik tot op heden van je heb ontvangen. Je zegt alleen niets over een vervolg hierop. De rode draad zie ik wel en dat lijkt me prima, maar het is nog niet volledig qua tekst en punten, toch?

Wanneer denk je dat ik kan zien hoe het eindresultaat wordt, aangenomen dat dit nog niet klaar is, maar ook met producties en/of bijlagen? Voor mij is het moeilijk om een totaalbeeld te hebben uit wat ik nu heb en het wordt kort dag als het maandag naar Zwolle zou gaan. Overigens is woensdag hoe dan ook de laatste dag.

Graag zou ik op korte termijn nog meer overzicht krijgen om een totaal beeld te hebben en ik zou, los van de lijn die ik absoluut zie, nog graag e.e.a. met je bespreken wanneer dat nodig is. We hebben maandag natuurlijk als optie, maar ik weet niet wat er nog komt.”

4.8    Op 7 juni 2018 heeft klaagster per e-mail aan verweerder bericht, voor zover relevant:

“Gisteren schreef ik al dat ik blij met de lijn die je hebt uitgezet en ik zie uit naar het vervolg met alle stukken erbij die het geheel onderbouwen.”

4.9    In reactie hierop heeft verweerder op diezelfde dag per e-mail aan klaagster geschreven, voor zover relevant:

“Ik zal jouw opmerkingen nog nader verwerken. Bijgaand het vervolg en ook alvast de producties die ik heb geselecteerd (ook dat worden er meer).

Ik ga echt met een stofkam door alle stukken omdat we moeten vermijden dat er enig stuk wordt overgelegd waaruit blijkt van [de wederpartij’s] depressies en drankgebruik. Indien dat onder de aandacht van een rechter komt dan kan zou die wel eens het standpunt in kun[nen] nemen dat dat een reden zou zijn geweest om haar ervan te weerhouden schenkingen te doen.

In dat verband wil ik je vragen of het mogelijk is om van productie 12 alleen de eerste mail te sturen (…) De onderste mail, waarin geschreven wordt over alcohol en depressie, wil ik uiteraard niet overleggen.”

4.10    Vervolgens heeft klaagster op 8 juni 2018 aan verweerder onder meer bericht:

“Het vervolg op de eerdere punten heb ik gelezen en zal dat nog eens doen. Het ziet er goed uit en vooral de compleet andere ‘toon’ die jij gebruikt. Dat vind ik sterk.”

Bij deze e-mail zijn opnieuw verschillende bijlagen gevoegd.

4.11    Bij e-mail van 8 juni 2018 heeft verweerder aan klaagster bericht dat de conclusie bijna klaar is en dat hij er ‘vanavond en morgen’ de laatste hand aan zal leggen. Op 9 juni 2018 heeft verweerder vervolgens aan klaagster, voor zover relevant, gemaild:

“Waar ze erg op aansturen is op het creëren van een uiterst negatief beeld van jou, en dat door middel van de e-mails. Ik heb een paar mails gevonden die niet anders dan positief genoemd kunnen worden (...). Beschik jij over meer mails die niet ‘stekelig’ zijn en gaan over de ‘gewone dingen des levens’?”

In reactie op deze e-mail van verweerder heeft klaagster bij e-mails van 9, 10 en 11 juni 2018 nadere stukken aan verweerder gestuurd.

4.12    In een e-mail van 11 juni 2018 heeft verweerder aan klaagster bericht:

“Ik heb de stukken die je als bijlage stuurde al eerder gezien maar niet als productie opgenomen. Ik adviseer ook om dat niet te doen, en wel om de volgende redenen:

•    Het stuk ‘terugpakken’ is een bijna therapeutische (zelf)analyse in retroperspectief. Als ik advocaat van [de wederpartij] was dan zou ik - als dit stuk in het geding wordt gebracht - direct betogen dat hieruit al blijkt van een sterke afhankelijkheid(sstoornis) en zodanige persoonlijke problemen dat je alleen daarom al haar had moeten weerhouden van het doen van schenkingen. Zij hebben dit stuk ongetwijfeld ook, maar ze hebben het niet in het geding gebracht. Wellicht is dat omdat ze niet kunnen bewijzen dat dit aan jou gestuurd is. Laten we het hen niet gemakkelijk maken; (…)

In zijn algemeenheid moet ik zeggen dat je ‘verwerende’ partij bent hetgeen inhoudt dat zij hun stellingen zullen moeten bewijzen. Een van de regels die voor de verwerende partij geldt is dat je terughoudend moet zijn met de stukken die je overlegt. Ieder stuk dat van onze zijde wordt ingediend en ieder standpunt dat ingenomen wordt is onherroepelijk. Daarnaast heb jij niets te bewijzen maar alleen te weerleggen.

Ik begrijp dat je graag zou zien dat de acties van [de wederpartij] (en de gevolgen die die voor jou hebben) aan de orde worden gesteld, maar laat je niet op een dwaalspoor brengen. Daarover gaat het niet in de procedure. We moeten ons echt beperken tot de kern van de zaak en die is: heb jij [de wederpartij] ertoe bewogen de schenkingen te doen óf had je haar, gezien hetgeen je over haar wist, daarvan moeten weerhouden. (…)”.

4.13    Op 12 juni 2018 is verweerder bij klaagster op bezoek gegaan en heeft daar in overleg met klaagster de conclusie van antwoord nog op punten aangepast. Vervolgens heeft hij de conclusie bij de rechtbank ingediend, voor de roldatum van 13 juni 2018.

4.14    Bij tussenvonnis heeft de rechtbank een comparitie van partijen bepaald. Verweerder heeft op 27 september 2018 aanvullende stukken ontvangen die door de wederpartij ten behoeve van de comparitie van partijen waren ingediend. Verweerder heeft deze stukken diezelfde dag doorgestuurd aan klaagster. In reactie hierop heeft klaagster bij e-mails van 27 en 28 september 2018 bijlagen aan verweerder gestuurd.

4.15    Op 2 oktober 2018 is verweerder bij klaagster thuis geweest om de stukken te bespreken en de comparitie voor te bereiden.

4.16    Bij e-mail van 4 oktober 2018 heeft klaagster aan verweerder onder meer geschreven:

“Op dit moment ben ik de stukken aan het lezen en ik heb even een vraag over twee documenten. (…)

Is het wat jou betreft van belang als ik dit soort zaken uitlicht? Er is met veel gerommeld natuurlijk…”.

4.17    In reactie hierop heeft verweerder bij e-mail van 5 oktober 2018 aan klaagster bericht, voor zover relevant:

“Ik snap wat je bedoelt maar het lijkt me beter dat we jouw - terechte - constatering voor nu buiten beschouwing laten. Indien nodig kunnen we dit altijd later nog inbrengen. (…)

We moeten ervoor waken om op detailniveau te gaan opereren en we moeten ons beperken tot de hoofdvraag, en die is en blijft of jij [de wederpartij] ertoe bewogen hebt (of zodanig onder jouw invloed hebt gebracht) om die schenking te doen. Vooralsnog is het aan [de wederpartij] om dat aannemelijk te maken en is het niet jou om op voorhand het tegenbewijs te leveren. Het zou zo kunnen zijn dat dat de situatie wordt maar dat kunnen we pas zeggen nadat de rechtbank daar iets over gezegd heeft. Mijn idee is om vooral geen tegenbewijs te leveren, zeker niet nu, want dat zou de indruk kunnen wekken dat je je ‘in bochten wringt’ om haar vordering te weerleggen.

Van onze kant moeten we het zo eenvoudig en transparant mogelijk houden. (…)”

4.18    De reactie van klaagster, bij e-mail van 5 oktober 2018, luidt, voor zover relevant, als volgt:

“Dank weer voor je reactie. Mijn vraag was in het kader van de eventuele vragen die ik ga krijgen over het bedrag enz., en of ik dan dit soort uitlatingen (in het kort) kan noemen. (…) Het was dus niet de bedoeling om deze stukken na te sturen. Daar ben ik van doordrongen!”

4.19    Op 12 oktober 2018 heeft de comparitie van partijen plaatsgevonden.

4.20    Naar aanleiding van de gang van zaken tijdens de comparitie heeft klaagster bij

e-mail van 15 oktober 2018 aan verweerder geschreven, voor zover relevant:

“De lijn die jij had uitgezet is me na onze eerste gesprekken steeds duidelijker geworden. Uiteraard had je daar andere mailtjes voor nodig dan de mail met bijbehorende stukken die ik allemaal heb uitgewerkt deze zomer en als eerste had gestuurd.

Maar wat ik nog steeds niet begrijp, is dat hele pak ‘ingediende stukken’ van de tegenpartij, die ik op 27 september heb ontvangen en bang was, gezien de korte tijd, dat hier nog een reactie op moest komen en deze dinsdag 2 oktober nog bij de rechtbank zou moeten zijn. Dat was immers de uiterste datum om stukken in te dienen voor de mondelinge behandeling. Ik zou dan precies vier dagen de tijd hebben om alles te lezen, vervolgens opnieuw stukken te verzamelen/(uit)zoeken om daar, net als de eerste keer, weer reacties op te geven. In ieder geval in beknopte vorm en had jij het nog moeten uitzoeken. Onmogelijk dus. (…)

Dat dit allemaal niet verplicht is wist ik in eerste instantie niet en vooral omdat ik er van uitging dat je altijd de mogelijkheid hebt, om na de mondelinge behandeling, aanvullend materiaal in te dienen. Dat hebben we ook meerdere malen besproken. Maar op mijn vraag aan het eind van de zitting of er dus nog andere stukken gestuurd mochten worden, die veel konden weerleggen, was de rechter heel duidelijk met haar antwoord. Hier werd kort maar krachtig een grote streep door de rekening gehaald. Is dit nu een uitzondering geweest of zit dat toch anders? Jij was ook verrast volgens mij? Is hier niets meer aan te doen? Bijvoorbeeld na het vonnis, ongeacht hoe dat er uit zal zien?

Verder was ik verbaasd dat [de advocaat van de wederpartij] die ‘Comparitieaantekeningen’ uitdeelde en ging voorlezen. Ik keek jou nog aan om erachter te komen of jij dat ook ging doen? Dat was niet zo, maar ik heb ook niet begrepen wat dit toevoegt, op reeds zoveel ingeleverde stukken van de tegenpartij, en wat een rechtbank daarmee doet? (…)”.

4.21    Als reactie op deze e-mail heeft verweerder bij e-mail van 16 oktober 2018 aan klaagster geschreven, voor zover relevant:

“De lijn die ik uitgezet heb was bedoeld om zo neutraal mogelijk te laten zien dat de schenking een bewuste keuze was. Ik heb met opzet geen stukken overgelegd die gingen over de gemoedstoestand van [de wederpartij], e.d. Hieruit zou immers al snel de conclusie getrokken kunnen worden dat zij kwetsbaar was en dus gemakkelijk te beïnvloeden. (…)

In het kader van een comparitie mogen partijen tot 10 dagen voor de zitting nog stukken overleggen. Daar hebben we het nog over gehad en ik heb je aan de telefoon nog gezegd van hun kant nog wel wat te verwachten. Ik geloof dat het dezelfde dag was dat het pak binnenkwam.

Dergelijke stukken dienen ter adstructie van de comparitie en daar mag op de zitting op gereageerd worden. Indien na de comparitie de rechtbank het nodig vindt dat er nog nadere standpunten verduidelijkt moeten worden dan kan daarvoor nog gelegenheid worden gegeven. De rechtbank vond dat blijkbaar niet meer nodig omdat meegedeeld werd dat er vonnis wordt gewezen. Dat kan een eindvonnis zijn, waarmee beslist wordt over de vordering maar dat kan ook een tussenvonnis zijn. (…)

Ik denk dat wij er goed aan hebben gedaan om geen nadere stukken in te dienen. De strategie van de wederpartij was immers om - zoals letterlijk ter zitting gesteld - jou neer te zetten als iemand die [de wederpartij] van de kudde afzonderde om haar vervolgens te verslinden. De vele berichten die ik tussen jullie heb gezien, en die wij niet overgelegd hebben, toonden een bepaalde gemoedstoestand van [de wederpartij] waaruit je een afhankelijkheid zou kunnen afleiden. Deze berichten zouden slechts hun standpunt kunnen bevestigen.

Normaliter mag je nog een akte nemen om stukken in te dienen, de eis te wijzigen of anderszins maar de rechtbank voelde zich voldoende geïnformeerd om vonnis te wijzen. Ik zie dat niet als een streep door de rekening omdat de stukken die er vanuit jouw positie toe doen al overgelegd zijn.

Gezien de stukken die vanwege [de wederpartij] nader zijn overgelegd zou ik niet weten welke stukken jij daar nog tegenover had willen stellen. (…)

De comparitieaantekeningen dienen geen doel. (...) De rechtbank doet daar overigens niet meer mee dan wat van onze zijde zonder deze aantekeningen gezegd wordt. Zoals je hoorde worden er door de griffier aantekeningen gemaakt en die worden in een proces-verbaal vastgelegd. (…)

Tot slot nog de opmerking, dat mocht een en ander in jouw nadeel uitvallen er hoger beroep mogelijk is. Een hoger beroep wordt behandeld door het gerechtshof en dat is in feite een geheel nieuwe beoordeling van de hele kwestie.

Ik kan me voorstellen dat je nog nadere vragen hebt. Wellicht is het goed om binnenkort even te bellen met elkaar.”

4.22    Bij brief van 23 november 2018 heeft klaagster verweerder aansprakelijk gesteld. De brief luidt, voor zover relevant, als volgt:

“Zoals ik in mijn mail van 15 oktober heb aangegeven werd de strategie, die volgens mij gaandeweg een geheel ander karakter had gekregen, steeds duidelijker, maar dit was in eerste instantie niet afgesproken. Ik heb de eerste maanden honderden stukken overlegd, die juist een groot deel van de gestelde feiten uit de dagvaarding voor een belangrijk deel konden weerleggen. Uiteindelijk beperkte u zich tot de schenking heb ik begrepen. Dit hebben we meerdere malen besproken.

Ik bleef grote moeite houden met het feit dat er amper op alle aantijgingen, verdraaiingen en leugens uit het dossier werd ingegaan, maar ik realiseerde mij, gezien mijn medische situatie en PTSS/complexe trauma, dat ik er zeer emotioneel in stond.

Na het opvragen van, en ik citeer:…’Beschik jij over meer mails die niet ‘stekelig’ zijn en gaan over de ‘gewone dingen des levens’?” … d.d. zaterdag 9 juni, waren we reeds een week voorbij het moment dat ik de CvA had zullen ontvangen. Dat was de afspraak.

Er zou dan voldoende tijd zijn geweest om alle punten door te spreken met elkaar en nog e.e.a. te veranderen indien noodzakelijk. Deze moest immers uiterlijk 13 juni bij de Rechtbank in Zwolle zijn.

Op 13 juni had ik nog steeds geen definitieve CvA. Ik heb u ’s morgens vroeg een mail gestuurd met de vraag om mij z.s.m. de stukken te sturen. Dit gebeurde vlak voordat u in de auto stapte op weg hiernaartoe om:

•    hier ter plekke op mijn laptop nog wijzigingen aan te brengen

•    de stukken persoonlijk bij de Rechtbank af te leveren

Vervolgens heb ik tien dagen voor de comparitie met u gebeld om vooraf nog te overleggen en we hebben een datum geprikt. Tijdens dit gesprek gaf u aan nog wel e.e.a. te verwachten. ‘Een pak’ noemde u het en het kwam. Een uur later kreeg ik het doorgestuurd. Na een blik te hebben geworpen op de twee dossiers, tezamen nog eens 232 pagina’s, heb ik meteen weer gebeld met de vraag hoe u hierop zou gaan reageren en welke stukken ik eventueel nog moest sturen. Dit laatste was natuurlijk onzin, u had immers zo goed als alles. Ik had nog wel enig materiaal gevonden, maar ook daar werd door u niet op gereageerd. Daar was nog alle gelegenheid voor na de comparitie volgens u. En op mijn volgende suggestie, om op z’n minst met een kort berichtje hieraan te refereren, gaf u ook geen gehoor.

Tijdens de comparitie heeft u weinig tot niets gezegd.

Voorts deelde u bij herhaling mede dat er nog stukken konden worden ingezonden.

Dit bleek onjuist.

Tijdens de comparitie kreeg ik veel vragen over zaken zoals in de dagvaarding en in de twee nagestuurde dossiers van 27 september werden aangehaald. Ook op medisch gebied.

De uitspraak van de Rechtbank staat nog niet vast, maar mocht een en ander ertoe leiden dat ik door u optreden of het gebrek daaraan schade lijd, stel ik u nu voor alsdan aansprakelijk voor alle schade die ik heb geleden of nog zal lijden ten gevolge van uw gebrekkige belangenbehartiging. (…)”.

4.23    De rechtbank Overijssel heeft op 28 november 2018 vonnis gewezen en klaagster onder meer veroordeeld tot betaling van € 500.000,- aan de wederpartij. De rechtbank heeft hiertoe onder meer overwogen:

“Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de schenkingen onder invloed van misbruik van omstandigheden tot stand zijn gekomen. [De wederpartij] heeft - zoals hiervoor overwogen - daarvoor voldoende feiten gesteld en [klaagster] heeft die onvoldoende weersproken, zodat aan bewijslevering van het tegendeel door [klaagster] als bedoeld in artikel 7:176 BW niet wordt toegekomen. [Klaagster] heeft ter comparitie weliswaar gezegd dat zij nog stukken achter de hand heeft, maar de kans om deze stukken (eerder) in te brengen heeft [klaagster] onbenut gelaten. De rechtbank zal het beroep van [de wederpartij] op de vernietigbaarheid van de schenkingen dan ook honoreren en zal [klaagster], zoals gevorderd, veroordelen tot terugbetaling van € 500.000. (…)”.

4.24    Op 11 december 2018 heeft klaagster een klacht over verweerder ingediend bij de deken.

4.25    Klaagster is met bijstand van een opvolgend advocaat in hoger beroep gegaan van het vonnis van de rechtbank van 28 november 2018. Na het bereiken van een schikking heeft zij het hoger beroep ingetrokken.

 

5    BEOORDELING

    Algemene opmerkingen

5.1    Klaagster heeft tegen de beslissing van de raad twee beroepsgronden gericht.

5.2    De eerste beroepsgrond ziet op de door de raad vastgestelde feiten met betrekking tot het hoger beroep tegen het vonnis van 28 november 2018. Deze beroepsgrond behoeft geen nadere bespreking, omdat, zoals uit het vorenstaande blijkt, het hof de feiten zelfstandig heeft vastgesteld.

5.3    Met haar tweede beroepsgrond voert klaagster allereerst aan dat de in de bestreden beslissing opgenomen omschrijving van de klacht onjuist is, omdat de klachten ook in hun onderling verband moeten worden beoordeeld.

5.4    Naar het oordeel van het hof komt klaagster hiermee niet zozeer op tegen de omschrijving van de klacht, maar tegen de beoordeling daarvan door de raad.

Bij de verdere beoordeling van de klacht zal het hof dan ook uitgaan van de klachtomschrijving zoals hiervoor onder 3 vermeld. Waar nodig zal het hof bij de inhoudelijke beoordeling van de tweede beroepsgrond de stelling van klaagster dat de klachten ook in hun onderling verband moeten worden beoordeeld meenemen.

5.5    Met de tweede beroepsgrond komt klaagster voorts op tegen de ongegrondverklaring door de raad van beide klachtonderdelen.

    Klachtonderdeel a)

5.6    Met betrekking tot klachtonderdeel a) heeft de raad - samengevat -  overwogen en geoordeeld als volgt. Verweerder heeft diverse keren (per e-mail) aan klaagster meegedeeld hoe hij het verweer in de procedure tegen de wederpartij wilde voeren. Met name heeft hij aan klaagster uiteengezet waarom hij bepaalde stukken juist niet in de procedure wenste over te leggen. Indien klaagster zich niet kon verenigen met deze aanpak van de zaak had het op haar weg gelegen om verweerder hier nadere vragen over te stellen of zich in het uiterste geval tot een andere advocaat te wenden. Dat heeft zij niet gedaan. De raad heeft op basis van het dossier en wat ter zitting is besproken ook niet kunnen vaststellen dat de door verweerder gekozen aanpak in deze zaak onjuist was. Hierover valt verweerder dan ook tuchtrechtelijk geen verwijt te maken. Tegenover de stelling van klaagster dat zij voor de comparitie nog stukken in het geding had kunnen brengen, heeft verweerder gemotiveerd uiteengezet waarom de stukken die klaagster hem nog toestuurde naar zijn mening niet geschikt waren om aan de rechtbank over te leggen. Gelet op zijn aanpak van de zaak, was dat een bewuste keuze. Niet is komen vast te staan dat als verweerder namens klaagster nog andere stukken had overgelegd, het oordeel van de rechtbank anders had kunnen zijn. Nu van geen van de stukken waarover klaagster nog beschikte, is komen vast te staan dat die het oordeel van de rechtbank hadden kunnen veranderen, behoeft de stelling van klaagster dat verweerder haar ten onrechte had geïnformeerd dat op een later moment na de zitting nog stukken konden worden ingediend geen bespreking. Verder miskent klaagster dat het geen verplichting is voor een advocaat om comparitieaantekeningen aan de rechtbank over te leggen. Uit het proces-verbaal van de comparitie blijkt dat verweerder wel degelijk namens klaagster verweren naar voren heeft gebracht. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder de belangen van klaagster behartigd met de zorgvuldigheid die van hem mocht worden verwacht.

5.7    Het hof stelt voorop dat de raad in de bestreden beslissing bij de beoordeling terecht als maatstaf heeft genomen dat, gezien het bepaalde in artikel 46 Advocatenwet, de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen indien daarover wordt geklaagd. Bij die beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waarvoor de advocaat bij de behandeling van de zaak kan komen te staan. De vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en de keuzes waarvoor hij kan komen te staan, is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt.

5.8    Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Aan de hand van deze maatstaf zal het hof de klacht beoordelen. Daarbij wordt opgemerkt dat binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden. Het hof toetst daarom of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht.

5.9    Klachtonderdeel a) is ook in hoger beroep toegespitst op het verwijt dat verweerder voorafgaand aan de comparitie geen nadere stukken heeft ingediend, dat verweerder klaagster ten onrechte heeft laten weten dat ook op een later moment na de comparitie nog stukken ingediend konden worden en dat verweerder geen comparitieaantekeningen heeft overgelegd.

5.10    Niet in geschil is dat verweerder meermaals aan klaagster te kennen heeft gegeven het verweer tegen de vordering van de wederpartij te willen concentreren op de schenkingen ‘an sich’ en op de omstandigheid dat de schenkingen welbewust door de wederpartij zijn gedaan. Niet in geschil is ook dat verweerder in dat verband meermaals en gemotiveerd aan klaagster te kennen heeft gegeven dat hij bepaalde door haar aan hem voorgelegde stukken niet in het geding wilde brengen, omdat deze volgens hem veeleer de door de wederpartij aan haar vordering ten grondslag gelegde motivering ondersteunden.

5.11    Klaagster voert aan dat verweerder meer gebruik had moeten maken van de door haar aangeleverde stukken, zodat het verweer niet alleen gericht zou zijn geweest op de schenkingen, maar ook op het gestelde misbruik van omstandigheden. Verweerder had dat in ieder geval moeten doen in aanloop naar de comparitie, nadat klaagster daarom aanhoudend had verzocht en de wederpartij een grote hoeveelheid nadere producties aan de rechtbank had gestuurd.

5.12    Naar het oordeel van het hof heeft klaagster haar klacht op dit punt onvoldoende geconcretiseerd. Klaagster heeft nagelaten aan te geven welke stukken in haar ogen relevant waren en zij heeft nagelaten te onderbouwen waarom deze stukken volgens haar relevant waren en in het geding gebracht hadden moeten worden.

Klaagster heeft weliswaar gesteld dat de door haar bedoelde stukken een totaal ander beeld zouden hebben gegeven op de inhoud van de stukken van de wederpartij, dat deze ook vele beschuldigingen van de wederpartij zouden hebben kunnen weerleggen en dat daarmee aangetoond had kunnen worden dat klaagster niet in de omstandigheid verkeerde om misbruik van omstandigheden te maken, maar dit spreekt, gelet op de stukken waarover het hof beschikt, geenszins voor zich. Het had op de weg van klaagster gelegen om duidelijk te maken waarom de door haar bedoelde stukken een ander licht zouden hebben doen schijnen op de stukken en stellingen van de wederpartij.

Dat de rechtbank, zoals klaagster stelt, door het niet in het geding brengen van de door klaagster bedoelde stukken geen zicht heeft gekregen op alle relevante omstandigheden is dan ook niet gebleken. De inhoud van de schikking waarmee de zaak is geëindigd, biedt ook geen aanknopingspunt voor die stelling. Naar klaagster ter zitting in hoger beroep desgevraagd heeft verklaard, heeft zij in de schikking een betalingsverplichting op zich genomen die de veroordeling in het vonnis van de rechtbank overtreft.

5.13    In zoverre faalt de tweede beroepsgrond van klaagster.

5.14    Vast staat dat verweerder per e-mail van 5 oktober 2018 aan klaagster onder meer heeft medegedeeld:

“Ik snap wat je bedoelt maar het lijkt me beter dat we jouw - terechte - constatering voor nu buiten beschouwing laten. Indien nodig kunnen we dit altijd later nog inbrengen. (…) Mijn idee is om vooral geen tegenbewijs te leveren, zeker niet nu, want dat zou de indruk kunnen wekken dat je je ‘in bochten wringt’ om haar vordering te weerleggen.”   

5.15    Het hof maakt uit deze e-mail op dat verweerder aan klaagster te kennen heeft gegeven dat producties ook op een later moment, na de comparitie, nog in het geding gebracht konden worden. Verweerder heeft dit ter zitting ook bevestigd. Ook in zijn

e-mail aan klaagster van 16 oktober 2018 schrijft verweerder dat je ‘normaliter’ na de comparitie nog ‘een akte mag nemen om stukken in te dienen, de eis te wijzigen of anderszins’. Verweerder had er naar het oordeel van het hof echter rekening mee moeten houden dat de rechtbank hem na de comparitie geen gelegenheid meer zou geven tot het in het geding brengen van stukken. De comparitie van partijen is immers in beginsel het sluitstuk van de procedure in eerste aanleg. De mogelijkheid om nadien nog een nadere schriftelijke reactie of nadere producties in te dienen, wordt aan partijen veelal slechts geboden, indien dat met het oog op het beginsel van hoor en wederhoor of met het oog op een goede instructie van de zaak noodzakelijk is (vgl. artikel 132 Rv). Verweerder heeft klaagster in dit opzicht onjuist geïnformeerd. Was klaagster wel juist geïnformeerd dan had zij bij verweerder erop kunnen aandringen om stukken voorafgaand aan de comparitie in te dienen. Verweerder heeft daarmee niet gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht.

5.16    Verweerder heeft ter zitting nog aangevoerd dat hij met de e-mail van 5 oktober 2018 beoogde om aan te geven dat het verweer - het verhaal - nog later ingediend kon worden en dat klaagster er, zo blijkt volgens verweerder uit haar antwoordmail van 5 oktober 2018, van op de hoogte was dat de termijn voor het indienen van stukken bij de rechtbank voorbij was, maar het hof verwerpt dit betoog.

5.17    Niet valt in te zien dat klaagster uit de e-mail van verweerder van 5 oktober 2018 had moeten begrijpen dat verweerder hiermee niet doelde op het inbrengen van stukken, maar slechts op het voeren van nader verweer. Daarbij betrekt het hof dat de e-mail van verweerder van 5 oktober 2018 een reactie inhield op een e-mail van klaagster van 4 oktober 2018, waarin zij verweerder een vraag stelde “over twee documenten”.     Ook valt uit de antwoordmail van klaagster van 5 oktober 2018, anders dan verweerder betoogt, niet op te maken dat klaagster op de hoogte was van het verstrijken van de termijn voor het indienen van stukken. Klaagster heeft verweerder in deze e-mail medegedeeld: “Mijn vraag was in het kader van de eventuele vragen die ik ga krijgen over het bedrag enz., en of ik dan dit soort uitlatingen (in het kort) kan noemen. (…) Het was dus niet de bedoeling om deze stukken na te sturen. Daar ben ik van doordrongen!”. Het hof kan hieruit slechts opmaken dat klaagster doordrongen was van het feit dat verweerder, gelet op de inhoud van het verweer als hiervoor onder 5.10 weergegeven, niet wenste dat er nog stukken ingediend zouden worden.

5.18    Het hof zal klachtonderdeel a) alsnog gegrond verklaren voor zover dit ziet op het verwijt dat verweerder klaagster ten onrechte heeft laten weten dat “zo nodig” na de comparitie nog producties in het geding gebracht konden worden.

5.19    Klaagster stelt verder dat zij is benadeeld doordat verweerder geen nadere stukken in het geding heeft gebracht, een te beperkt bewijsaanbod heeft gedaan en onvoldoende is ingegaan op de nadere producties van de wederpartij. Het dossier biedt voor die stelling echter geen aanknopingspunten: daaruit valt niet op te maken dat de zaak voor klaagster beter was afgelopen als verweerder anders had gehandeld. Ook overigens valt niet in te zien dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door geen nadere stukken in het geding te brengen, geen nader bewijsaanbod te doen en niet nader op de nagekomen producties in te gaan.

5.20    Verder is het hof met de raad van oordeel dat het niet verplicht is om comparitieaantekeningen aan de rechtbank over te leggen. Het enkele feit dat de wederpartij dit wel heeft gedaan, maakt dit niet anders.

5.21    In zoverre faalt de tweede beroepsgrond van klaagster.

    Klachtonderdeel b)

5.22    Met betrekking tot klachtonderdeel b) heeft de raad - samengevat - overwogen en geoordeeld als volgt. Ook als klaagster en verweerder afgesproken zouden hebben dat verweerder het concept van de conclusie van antwoord op 2 juni 2018 gereed zou hebben, was het voor verweerder niet mogelijk geweest daaraan te voldoen. Klaagster heeft immers in de periode van 23 mei tot en met 10 juni 2018 nog veel stukken aan verweerder gestuurd, die hij moest bestuderen om te bezien of deze in de conclusie moesten worden verwerkt en aan de rechtbank moesten worden overgelegd. De raad heeft ook uit het dossier en uit hetgeen ter zitting is besproken niet kunnen vaststellen dat verweerder op dit punt tuchtrechtelijk verwijtbaar zou hebben gehandeld.

5.23    Het hof stelt vast dat verweerder bij e-mail van 5 juni 2018 aan klaagster een eerste concept van een gedeelte van de conclusie van antwoord heeft gestuurd, dat in de dagen daarna klaagster (desgevraagd) nog stukken aan verweerder heeft toegestuurd en dat klaagster en verweerder contact hebben gehad over de conclusie. Niet in geschil is voorts dat verweerder klaagster op 12 juni 2018 het ‘eindconcept’ van de conclusie van antwoord heeft doen toekomen (zonder producties) en dat klaagster en verweerder dit ‘eindconcept’ op diezelfde dag nog bij klaagster thuis hebben doorgenomen, dat op dat moment nog een aantal kleine wijzigingen daarin zijn aangebracht en dat verweerder de conclusie van antwoord vervolgens naar de rechtbank heeft gebracht voor de roldatum van 13 juni 2018.

5.24    Klaagster stelt zich op het standpunt dat zij het concept van de conclusie van antwoord niet tijdig ter beoordeling en ter bespreking heeft ontvangen. Zij voert in dat verband aan dat het in zijn algemeenheid, maar zeker in deze complexe zaak en gelet op de persoon van klaagster, in strijd is met de zorgvuldigheid die een advocaat betaamt om op de dag van indiening van een conclusie van antwoord pas het eindconcept aan haar voor te leggen, aan te passen en in te dienen. Dit geldt volgens klaagster te meer, nu op grond van het procesrecht veelal geen conclusies van re- en dupliek meer volgen na een comparitie en aanvullingen/aanpassingen vaak niet meer kunnen plaatsvinden anders dan bij gelegenheid van de comparitie.

5.25    Het hof volgt klaagster niet in dit standpunt. De conclusie van antwoord is door verweerder met klaagster besproken, deze is door klaagster akkoord bevonden en tijdig bij de rechtbank ingediend. Dat verweerder daarbij niet het tijdpad zou hebben gevolgd als op voorhand aangegeven - zoals klaagster stelt en verweerder betwist -, is naar het oordeel van het hof verklaarbaar gezien de grote hoeveelheid stukken die klaagster in juni 2018 nog heeft toegezonden aan verweerder. Gelet daarop is dit verwijt van onvoldoende gewicht om verweerder hierover een tuchtrechtelijk verwijt te maken. De complexiteit van de zaak, de persoon van klaagster en de stelling dat na de comparitie veelal geen proceshandelingen meer plaats kunnen vinden, leiden het hof niet tot een ander oordeel.

5.26    Deze beroepsgrond van klaagster faalt dan ook.

    Slotsom

5.27    De slotsom is dat klachtonderdeel a), voor zover dit ziet op het verwijt dat verweerder klaagster ten onrechte heeft laten weten dat na de comparitie zo nodig nog producties in het geding gebracht konden worden, alsnog gegrond verklaard dient te worden en dat de overige klachtonderdelen naar het oordeel van het hof, ook bezien in onderling verband, ongegrond zijn.

5.28    De beslissing van het hof is gebaseerd op de overwegingen die hierboven staan. Hetgeen klaagster in haar beroepsgronden meer of anders naar voren heeft gebracht, zoals haar slechte gezondheidstoestand, de omstandigheid dat zij niet juridisch deskundig is, de grootte van de vordering van de wederpartij en de omstandigheid dat volgens haar een zeer omvangrijk dossier aanwezig was, kan aan deze beslissing niet afdoen.

5.29    Het hof acht de maatregel van waarschuwing als zakelijke terechtwijzing passend en geboden.

5.30    Omdat het hof de klacht alsnog gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e, vijfde lid, Advocatenwet het door klaagster in eerste aanleg betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden.

5.31    Omdat het hof een maatregel oplegt, zal het hof verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten in hoger beroep:

a) € 50,- reiskosten van klaagster;

b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;

c) € 750,- kosten van de Staat.

5.32    Verweerder moet op grond van artikel 48ac, vierde lid, Advocatenwet het bedrag van € 50,- reiskosten binnen vier weken na deze uitspraak betalen aan klaagster. Klaagster moet daarvoor tijdig haar rekeningnummer schriftelijk doorgeven aan verweerder.

5.33    Verweerder moet op grond van artikel 48ac, vierde lid, Advocatenwet het bedrag van € 1.500,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- vernietigt de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 4 mei 2020, gewezen onder nummer 20-048/A/A, voor zover daarbij het onderdeel van klachtonderdeel a), inhoudende dat verweerder klaagster ten onrechte heeft laten weten dat na de comparitie zo nodig nog producties in het geding gebracht konden worden, ongegrond is verklaard;

en doet in zoverre opnieuw recht:

- verklaart het onderdeel van klachtonderdeel a), voor zover dat betrekking heeft op het verwijt dat verweerder klaagster ten onrechte heeft laten weten dat na de comparitie zo nodig nog producties in het geding gebracht konden worden, alsnog gegrond;

- legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;

- bekrachtigt genoemde beslissing ten aanzien van de ongegrondverklaring van de overige klachtonderdelen;

- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten in hoger beroep van

€ 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in hoger beroep van € 1.500,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

Deze beslissing is gegeven door mr. T. Zuidema, voorzitter, en mrs. A.A.H. Zegers, A.H. Sturhoofd, H.J.P Robers en A.P. Wessels, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J.M. Lauvenberg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2021.

   

griffier            voorzitter   

 

De beslissing is verzonden op 8 januari 2021