Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

17-04-2020

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2020:95

Zaaknummer

200021

Inhoudsindicatie

Beklag tegen beslissing van de deken geen advocaat aan te wijzen (art. 13 Advw). Klager wil een cassatieprocedure voeren, maar de door hem benaderde cassatieadvocaten zien geen redelijke kans van slagen van een cassatieprocedure. De deken heeft op goede gronden het verzoek afgewezen, nu klager geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die tot twijfel leiden over het oordeel van die advocaten over de kans van slagen. Het hof oordeelt dat dit beklag ongegrond is. Het tweede beklag van klager, dat geen cassatieadvocaat wordt aangewezen om het door klager ingediende verzoekschrift te ondertekenen en de verdere cassatieprocedure te voeren, is eveneens ongegrond. Dat klager ervoor heeft gekozen een cassatieprocedure te starten zonder advocaat, betekent niet dat de kans van slagen van een cassatieprocedure anders is en de deken derhalve geen gegronde reden meer het verzoek af te wijzen. Het hof geeft de deken in overweging geen aanwijzingsverzoeken van klager meer in behandeling te nemen.

Uitspraak

BESLISSING                           

van 17 april 2020

in de zaak 200021

naar aanleiding van het beklag van:

klager

tegen:

de Deken van de Orde van Advocaten

in het arrondissement Den Haag

de deken

1    HET VERZOEK ALS BEDOELD IN ARTIKEL 13 LID 1 ADVOCATENWET

1.1    Klager heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. De deken heeft dit verzoek afgewezen bij brief van 23 december 2019. Klager heeft tegen die beslissing een beklag ingediend bij het hof op 3 februari 2020.

1.2    Nadat klager opnieuw om aanwijzing van een advocaat heeft verzocht aan de deken, heeft de deken dit verzoek afgewezen bij beslissing van 5 februari 2020. Hiertegen heeft klager beklag gedaan bij het hof bij brief van 18 maart 2020.

 

2    DE PROCEDURE BIJ HET HOF

2.1    Het beklag (met bijlagen) als bedoeld onder 1.1 is op 3 februari 2020 ontvangen door de griffie van het hof. Het beklag van klager als bedoeld onder 1.2 met bijlage is door de griffie ontvangen op 18 maart 2020.

2.2    Het hof heeft verder kennisgenomen van het verweerschrift met bijlagen van de deken d.d. 10 februari 2020, waarin hij ook is ingegaan op zijn afwijzende beslissing als bedoeld in 1.2. Het hof heeft derhalve dit verweerschrift tevens opgevat als verweerschrift tegen het beklag d.d. 18 maart 2020, dat op 20 maart 2020 door de griffie van het hof is doorgezonden aan de deken.

2.3    Het hof heeft de zaak in raadkamer behandeld.

 

3    FEITEN

3.1    Het volgende is komen vast te staan:

3.2    Op 24 oktober 2019 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een beschikking gewezen waarin het echtscheidingsverzoek van de ex-vrouw van klager is toegewezen en een alimentatieverplichting aan klager is opgelegd.

3.3    Klager heeft vervolgens ten minste vijf advocaten aangeschreven om cassatie voor hem in te stellen tegen de beschikking d.d. 24 oktober 2019. In reactie hierop hebben twee advocaten klager bericht geen cassatiezaken te doen. [Naam advocaat 1], cassatieadvocaat, heeft klager op 6 december 2019 bericht niet bereid te zijn cassatie in te stellen, omdat uit de beschikking van het Gerechtshof blijkt dat de ex-vrouw van klager heeft volhard in haar echtscheidingsverzoek. [Naam advocaat 2], cassatieadvocaat, heeft klager op 10 december 2019 bericht niet bereid te zijn de zaak te behandelen, omdat hij geen enkele kans ziet voor een cassatieprocedure. [Naam advocaat 3], tevens cassatieadvocaat, heeft klager bericht hem niet bij te staan in cassatie omdat hij, kort samengevat, geen gronden voor cassatie aanwezig ziet.

3.4    Klager heeft de deken vier keer om aanwijzing van een cassatieadvocaat verzocht. Het eerste verzoek is per e-mail van 13 december 2019 ingediend en door de deken afgewezen bij brief van 23 december 2019. Onder verwijzing naar de gegeven antwoorden van [naam advocaat 2] en [naam advocaat 1] aan klager, die de deken als cassatieadviezen aanmerkt, is de deken van oordeel dat klager wel degelijk advocaten bereid heeft gevonden hem juridische bijstand te verlenen (in de vorm van een advies). Van een situatie in de zin van artikel 13 Advocatenwet is dan ook geen sprake, aldus de deken.

3.5    Op 23 december 2019 heeft klager opnieuw een aanwijzingsverzoek ingediend, dat is afgewezen door de deken onder verwijzing naar de eerdere beslissing. Klager heeft de deken op 9 januari 2020 verzocht zijn afwijzende beslissing te herzien.

3.6    Op 9 januari 2020 heeft klager de deken opnieuw verzocht om aanwijzing van een advocaat, waarop de deken klager bij brief van 17 januari 2020 heeft bericht dat artikel 13 Advocatenwet niet van toepassing is op de situatie van klager.

3.7    Klager heeft op 23 januari 2020 cassatie ingesteld bij de Hoge Raad en een door hemzelf daartoe opgesteld verzoekschrift ingediend. De cassatietermijn verstreek op 24 januari 2020. Klager heeft van de Hoge Raad tot 11 februari 2020 uitstel gekregen om zijn ingediende verzoekschrift te laten indienen door een bevoegde advocaat.

3.8    Klager heeft vervolgens een drietal cassatieadvocaten benaderd met het verzoek voor hem op te treden als advocaat door het al bij de Hoge Raad ingediende verzoekschrift van klager te ondertekenen. Deze advocaten, [namen advocaten 4,5, en 6], hebben klager onafhankelijk van elkaar bericht dat zij geen cassatieprocedure voeren zonder eerst zelf een cassatieadvies af te geven en zelf het cassatiemiddel op te stellen. Zij zijn niet bereid het door klager opgestelde en ingediende verzoekschrift voor hem te ondertekenen.

3.9    Per e-mail van 31 januari 2020 heeft klager de deken opnieuw verzocht om aanwijzing van een cassatieadvocaat, omdat hij geen advocaat kan vinden die het door hem opgestelde en ingediende verzoekschrift voor hem wil ondertekenen. De deken heeft dit verzoek afgewezen in zijn beslissing van 5 februari 2020, omdat klager eerder advocaten heeft gevonden die hem hebben geadviseerd over de zaak en derhalve van juridische bijstand hebben voorzien. Artikel 13 Advocatenwet is niet van toepassing volgens de deken.

 

4    BEOORDELING

4.1    Klager voert, kort en zakelijk weergegeven, in zijn beklag aan dat de deken ten onrechte is voorbijgegaan aan de noodzaak cassatie in te stellen en zich daarbij heeft gebaseerd op onvolledige, onjuiste en oppervlakkige standpunten van twee cassatieadvocaten. Daarbij gaat het in cassatie om de vraag of het recht goed is toegepast en niet of de procedure kans van slagen heeft.

4.2    De deken heeft bij het hof in zijn verweerschrift dezelfde gronden aangevoerd als die hij aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd.

4.3    Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke gegronde reden is aanwezig indien de door klager gewenste procedure (in dit geval cassatie) geen redelijke kans van slagen heeft.

4.4    Vaststaat dat klager veel advocaten heeft benaderd met het verzoek hem bij te staan in de door hem gewenste cassatieprocedure. Daarbij heeft in ieder geval een drietal advocaten geoordeeld dat een cassatieprocedure in hun optiek geen kans van slagen heeft en dit standpunt in het kort gemotiveerd. Uit deze reacties kan in ieder geval worden afgeleid dat de procedure naar het oordeel van drie onafhankelijk van elkaar oordelende cassatieadvocaten geen redelijke kans van slagen heeft. Nu klager in beroep bij het hof geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan getwijfeld moet worden aan de beoordeling van de drie cassatieadvocaten, volgt het hof die beoordeling en acht het hof onvoldoende kans van slagen van een cassatieprocedure aanwezig. De deken heeft dan ook  terecht het verzoek als bedoeld onder 1.1 tot aanwijzing van een advocaat afgewezen. Het beklag tegen de beslissing d.d. 23 december 2019 van de deken geen advocaat aan te wijzen in de zin van artikel 13 Advocatenwet wordt derhalve ongegrond verklaard.

4.5    Ten aanzien van het beklag tegen de beslissing van de deken d.d. 5 februari 2020, overweegt het hof als volgt. Het verzoek van klager dat aan deze beslissing ten grondslag ligt, is ingegeven door de situatie dat klager geen advocaat heeft kunnen vinden die bereid was een reeds door klager opgesteld en ingediend verzoekschrift tot het instellen van cassatie te ondertekenen en de verdere cassatieprocedure voor hem te voeren. Dit verandert echter niet de maatstaf die geldt voor de vraag of een advocaat door de deken dient te worden toegewezen op grond van artikel 13 Advocatenwet. In dit verband volstaat het voor de beoordeling van het beklag dan ook te verwijzen naar hetgeen het hof overweegt onder 4.4. Dat klager ervoor heeft gekozen zelf cassatie  in te stellen en daarbij het risico heeft genomen dat hij geen cassatieadvocaat bereid zou kunnen vinden om de procedure verder te voeren, doet daar niet aan af.

4.6    Ten slotte stelt het hof vast dat klager zeer volhardend is in zijn zoektocht naar een cassatieadvocaat. Klager heeft ten minste zes cassatieadvocaten benaderd en geen van hen was bereid een cassatieprocedure voor hem te voeren of over te nemen. In dit verband heeft klager de deken minstens vier keer het verzoek gedaan een advocaat voor hem aan te wijzen. Het moet klager inmiddels duidelijk zijn dat de deken geen advocaat voor deze zaak zal en hoeft aan te wijzen. Het hof geeft de deken derhalve in overweging de volgende verzoeken van klager om een advocaat aan te wijzen voor het voeren van een cassatieprocedure tegen de beschikking van 24 oktober 2019 niet meer in behandeling te nemen.

  

BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- verklaart de beklagen van klager tegen de beslissingen van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag van 23 december 2019 en 5 februari 2020 ongegrond.

 

Deze beslissing is gegeven door mr. T. Zuidema, voorzitter, mrs. A.D.R.M. Boumans en I.P.A. van Heijst, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E. Verwey, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2020.        

griffier                            voorzitter   

De beslissing is verzonden op 17 april 2020.