Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

29-01-2020

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2020:32

Zaaknummer

19-696

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat wederpartij. Op grond van de dossierstukken is het de voorzitter niet gebleken dat verweerder de grenzen van de hem toekomende vrijheid als advocaat op de zitting heeft overschreden dan wel dat verweerder zich in enig ander opzicht niet heeft gedragen zoals het een behoorlijk advocaat betaamt. Klacht kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 29 januari 2020

in de zaak 19-696

naar aanleiding van de klacht van:

klager

tegen

verweerder

 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland van 8 oktober 2019 met kenmerk Z 910291/MM/sd, door de raad op diezelfde datum ontvangen, en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken.

 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op de stukken, uit van de volgende feiten.

1.1    Klager is de stiefvader van mevrouw G. Aan mevrouw G. is in het verleden zorg verleend door de Stichting Philadelphia Zorg.

1.2    In de periode van 4 december 2013 tot 1 juli 2015 is mevrouw B. mentor geweest van mevrouw G. en van 4 december 2013 tot 12 april 2016 is mevrouw B. bewindvoerder van (de goederen van) mevrouw G. geweest.

1.3    Op dit moment is klager mentor en bewindvoerder van (de goederen van) mevrouw G.

1.4    Bij brief van 15 februari 2017 heeft mr. S. mevrouw B. namens mevrouw G. – kort gezegd – aansprakelijk gesteld voor schade die mevrouw G. heeft geleden als gevolg van het door mevrouw B. gevoerde bewind.

1.5    Op 19 november 2018 heeft mr. S. namens klager en mevrouw G. bij de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) een verzoekschrift ingediend tot toezending van een kopie van alle door mevrouw B. verwerkte persoonsgegevens van klager en mevrouw G. en een gespecificeerde toelichting daarop (hierna: het verzoekschrift).

1.6    Op 26 april 2018 heeft mr. S. namens klager bij de rechtbank een aanvulling op het verzoekschrift ingediend.

1.7    Verweerder staat mevrouw B. bij in de door klager aangespannen procedure.

1.8    Op 7 mei 2019 is het verzoekschrift mondeling behandeld.

1.9    Op 10 mei 2019 heeft klager bij de deken digitaal een klacht over verweerder ingediend. 

 

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij:

a)    tijdens de zitting op 7 mei 2019 heeft verklaard dat mr. S. met nieuwe feiten is gekomen over een ‘ontvoering’ van mevrouw G. door mevrouw B. en door mevrouw B. ingediende BOPZ-aanvragen, terwijl verweerder deze feiten wel degelijk kende;

b)    heeft gedreigd met een klacht tegen mr. S., omdat zij tijdens de zitting op 7 mei 2019 nieuwe feiten naar voren bracht;

c)    tijdens de zitting op 7 mei 2019 heeft gelogen en daarmee de rechtbank bewust verkeerd heeft geïnformeerd dan wel misleid.

2.2    De voorzitter zal de stellingen die klager in het kader van zijn klacht naar voren heeft gebracht hierna, waar nodig, bespreken.

 

3    VERWEER

3.1    Verweerder heeft zich gemotiveerd tegen de klacht verweerd. In dat verband heeft verweerder betwist dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Volgens verweerder heeft hij tijdens de zitting van 7 mei 2019 geen leugens verteld en was hij niet eerder bekend met de feiten die mr. S. pas ter zitting naar voren bracht en die niet in de brief van 15 februari 2017 zijn genoemd. Verder heeft verweerder betwist dat hij op de zitting van 7 mei 2019 heeft gedreigd met het indienen van een klacht over mr. S.

3.2    De voorzitter zal het inhoudelijke verweer van verweerder hierna, waar nodig, bij de beoordeling  van de klacht bespreken.

 

4    BEOORDELING

4.1    De klacht gaat over het handelen van de advocaat van de wederpartij van klager. Daarbij is het uitgangspunt dat een advocaat een ruime mate van vrijheid geniet om de belangen van zijn cliënte te behartigen op de wijze als hem in overleg met zijn cliënte goeddunkt. Deze vrijheid is niet absoluut, maar kan onder meer beperkt worden doordat de advocaat bij de behartiging van de belangen van zijn cliënte de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig mag schaden zonder redelijk doel. De advocaat behoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen. De voorzitter zal de klachtonderdelen met inachtneming van dit uitgangspunt beoordelen.

Ad klachtonderdelen a) tot en met c)

4.2    De klachtonderdelen a) tot en met c) gaan over gedragingen van verweerder op de zitting van 7 mei 2019. Naar het oordeel van de voorzitter lenen de klachtonderdelen a) tot en met c) zich dan ook voor gezamenlijke beoordeling.

4.3    Op grond van de dossierstukken is het de voorzitter niet gebleken dat verweerder de grenzen van de hem toekomende vrijheid als advocaat op de zitting van 7 mei 2019 heeft overschreden dan wel dat verweerder zich in enig ander opzicht niet heeft gedragen zoals het een behoorlijk advocaat betaamt. Anders dan klager meent, blijkt uit de stukken niet dat verweerder eerder dan 7 mei 2019 op de hoogte was van de beschuldiging van ontvoering van mevrouw G. door mevrouw B. en van het doen van BOPZ-aanvragen voor mevrouw G. In de brief van 15 februari 2017, waarin mevrouw B. aansprakelijk is gesteld, worden de ontvoering en de BOPZ-aanvragen niet als zodanig vermeld. Van het onjuist informeren dan wel het misleiden van de rechtbank is naar het oordeel van de voorzitter dan ook geen sprake. Verder is het de voorzitter niet gebleken dat verweerder op de zitting van 7 mei 2019 met het indienen van een klacht over mr. S. heeft gedreigd. In dat verband merkt de voorzitter op dat het verweerder bij de behartiging van de belangen van zijn cliënte vrij staat om collega-advocaten op klachtwaardig gedrag te wijzen als dat gedrag schadelijk is voor zijn cliënte en het betamelijke overschrijdt. De vraag of het gedrag van mr. S. klachtwaardig was, is in deze klachtprocedure niet aan de orde. Nu van enige tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging van verweerder niet is gebleken, zal de voorzitter klachtonderdelen a) tot en met c) kennelijk ongegrond verklaren.

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. A.E. Zweers, plaatsvervangend voorzitter, met bijstand van mr. A.E. van Oost als griffier op 29 januari 2020.

 

griffier                                                voorzitter