Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

04-12-2019

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2019:255

Zaaknummer

19-649/DH/DH

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht tegen de eigen advocaat over het optreden in twee letselschadekwesties kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 4 december 2019 in de zaak 19-649/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

 

tegen:

 

verweerder

 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 13 september 2019 met kenmerk K031 2019 ar/mvi, door de raad ontvangen op 16 september 2019, en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken.

 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken, van de volgende feiten uitgegaan.

1.1    Verweerder heeft klager bijgestaan in twee letselschadezaken, waarbij schadevergoedingen zijn gevorderd van een tandarts en van een implantoloog.

1.2    Klager heeft bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (hierna: RTG) een klacht ingediend tegen de tandarts. Het RTG heeft de klacht op 10 mei 2016 gegrond verklaard en heeft de tandarts berispt. De strekking van de klacht was dat de tandarts paradontale klachten van klager niet afdoende heeft behandeld.

1.3    Klager heeft bij het RTG ook een klacht ingediend tegen de implantoloog. Het RTG heeft deze klacht eveneens gegrond verklaard en heeft de implantoloog berispt. De strekking van de klacht was dat de implantoloog niet zonder behandeling van paradontitis had mogen overgaan tot implantatie.

1.4    In september 2016 heeft klager verweerder om bijstand verzocht.

Tandarts

1.5    In september hebben partijen per e-mail van gedachten gewisseld over de zaak tegen de tandarts en heeft klager verweerder al stukken toegezonden, waaronder de beslissing van het RTG. Op 30 september 2016 hebben partijen elkaar voor het eerst gesproken op het kantoor van verweerder.

1.6    Bij brief van 30 september 2016 heeft verweerder aan klager een opdrachtbevestiging gestuurd. Bij de brief heeft verweerder een verslag van het eerste gesprek tussen hem en klager gevoegd. Dit verslag vormt geen onderdeel van het klachtdossier.

1.7    Verweerder heeft de tandarts bij brief van 30 september 2016 aansprakelijk gesteld voor de door klager geleden schade.

1.8    Op 1 oktober 2016 heeft klager aan verweerder een weergave gestuurd van de afspraken die partijen hebben gemaakt ten aanzien van de behandeling van de zaak tegen de tandarts.

1.9    Bij brief van 12 oktober 2016 heeft de verzekeraar van de tandarts verzocht om nadere informatie. Verweerder heeft de brief op 14 oktober 2016 aan klager gestuurd, voorzien van een korte toelichting en een conceptreactie voor de verzekeraar. Klager heeft op 15 oktober 2016 op het concept gereageerd, waarna verweerder op 19 oktober 2016 een brief met nadere informatie over de aansprakelijkstelling naar de verzekeraar van de tandarts heeft gezonden. In deze brief is onder meer geschreven:

“(…) Cliënt zou willen voorstelen de schade pragmatisch te regelen. Bijgevoegd heb ik een schadestaat, inclusief bijlagen. De totale schade kan begroot worden op een bedrag van € 11.986,75 (excl. bgk en rente). Indien u bereid bent het voorgaande bedrag te voldoen aan cliënt, is cliënt bereid af te zien van verdere toekomstige schade. Daarbij wil ik u erop wijzen dat cliënt voorts de schade beperkt heeft door 2 kiezen niet te laten vervangen door implantaten, terwijl dit wel gekund had. (…)”

1.10    In twee e-mails van 25 en 28 oktober 2016 heeft de verzekeraar van de tandarts, zakelijk weergegeven, geschreven dat de uitspraak van het RTG geen grondslag biedt voor alle door klager gevorderde schade. De verzekeraar heeft verder verzocht om toezending van het tandheelkundige dossier van klager. Naar aanleiding van dit verzoek heeft verweerder op 31 oktober 2016 het volgende aan klager geschreven:

“(…) Onderstaand bericht ontving ik van de wederpartij. Indien we een en ander daadwerkelijk medisch willen uitpluizen, zullen er door beide partijen kosten gemaakt moeten worden. Van belang is in dat geval ook de toestand van uw gebit voor de behandeling door [de tandarts]. We zullen dan moeten aantonen dat u voor de behandeling geen klachten had, althans dat de klachten onder controle waren en dat bij tijdige behandeling de implantaten voorkomen hadden kunnen worden. Hier hebben we mijns inziens dan nog een behoorlijke kluif aan. Wat is er beschikbaar aan tandheelkundige informatie van voor de behandeling door [de tandarts]? Zou er nog iets opgevraagd kunnen worden?

Ik verneem hieromtrent graag nog even. Wellicht dat een regeling in der minne voor beide partijen de voorkeur moet hebben. In dat geval zal ik hem bellen en kijken wat hij bereid is te doen zonder nadere stukken. (…)”

1.11    Op 1 november 2016 heeft klager gereageerd en nadere stukken toegezonden aan verweerder. Klager heeft in zijn e-mail geschreven dat een minnelijke schikking de voorkeur heeft “voor opgesteld dat het 2 richting verkeer is”.

1.12    Op 1 december 2016 heeft verweerder aan klager een conceptreactie aan de verzekeraar van de tandarts gestuurd. Dezelfde dag heeft klager daarop gereageerd. Klager heeft onder meer geschreven: “snelle pragmatische regeling met [verzekeraar]” dat snelle svp weg laten klinkt te gretig en komt 2 x voor in concept”.

1.13    Verweerder heeft de brief op 2 december 2016 naar de verzekeraar gestuurd. Aan het slot van de brief is geschreven:

“(…) Graag verneem ik of wij alsnog tot een pragmatische regeling kunnen komen of dat wij verder richting een procedure en een tandheelkundige expertise bewegen. (…)”

1.14    Op 5 december 2016 heeft de verzekeraar de ontvangst van de brief bevestigd en te kennen gegeven dat een nadere, inhoudelijke reactie zal volgen.

1.15    Bij e-mail van 20 februari 2017 heeft verweerder aan de verzekeraar van de tandarts een rappel gestuurd. Vervolgens heeft de verzekeraar op 23 maart 2017 aan verweerder kenbaar gemaakt dat alsnog kan worden ingestemd met het eerdere voorstel van verweerder om de zaak te regelen tegen een vergoeding van € 11.986,75. De verzekeraar heeft bij de e-mail een concept vaststellingsovereenkomst gevoegd.

1.16    Op 24 maart 2017 heeft verweerder het bericht van de verzekeraar van de tandarts van 23 maart 2017 naar klager gezonden. Klager heeft op 26 maart 2017 als volgt gereageerd:

“(…) Wat mij betreft ben ik akkoord op voorwaarde dat de verzekering uw kosten betaald zoals u zelf al aangeeft. Ik zal dan ook nog niet tekenen. Als u mij akkoord geeft zal ik het door mij getekende exemplaar aan u sturen zodat u het door kunt geven aan de verzekeringsmaatschappij.

In mei verwacht ik een uitspraak van het Tucht College inzake [de implantoloog]. Als ik de uitspraak heb zal ik hem sturen zodat u kunt beoordelen of wij ook bij zijn verzekering een schadevergoeding kunnen vragen. (…)”

1.17    Op 28 maart 2017 heeft klager de vaststellingsovereenkomst met de verzekeraar van de tandarts ondertekend.

Implantoloog

1.18    Bij brief van 27 juli 2017 is de implantoloog namens klager aansprakelijk gesteld. Bij brief van 1 september 2017 heeft de aansprakelijkheidsverzekeraar van de implantoloog kenbaar gemaakt dat aansprakelijkheid wordt afgewezen.

1.19    Op 5 oktober 2017 heeft klager verweerder per e-mail gevraagd om bijstand in de zaak tegen de implantoloog. In verband met, zakelijk weergegeven, de advocaatkosten heeft klager besloten eerst zelf in onderhandeling te treden met de verzekeraar van de implantoloog. Op 3 juli 2018 heeft klager verweerder laten weten dat de onderhandelingen niet tot overeenstemming hebben geleid. Klager heeft verweerder verzocht de zaak tegen de implantoloog in behandeling te nemen.

1.20    Op 3 augustus 2018 heeft verweerder aan klager laten weten dat hij met vakantie gaat en dat hij na zijn vakantie, derhalve na 20 augustus 2018, aan de slag zal gaan met de kwestie tegen de implantoloog. Verweerder heeft klager aangeboden om de zaak tijdens zijn vakantie over te dragen aan een collega. Klager heeft dezelfde dag gereageerd en laten weten dat het kan wachten tot na de vakantie.

1.21    Op 23 september 2018 heeft klager gevraagd of verweerder “een indicatie kan geven wanneer [verweerder] naar a.s.r. gaat reageren. Op 24 september 2018 antwoordde verweerder :

“(…) Binnen twee weken heb ik zeker wel de conceptreactie klaar. Ik pak het zo snel mogelijk op. (…)”

1.22    Op 5 oktober 2018 heeft verweerder het volgende geschreven aan klager:

“(…) Inmiddels heb ik alle door u aangeleverde stukken bestudeerd, naar aanleiding waarvan ik tot de conclusie ben gekomen dat ASR niet bereid is om zonder duidelijk deskundigenoordeel de aansprakelijkheid te erkennen, dan wel een bedrag te betalen dat in de buurt komt van hetgeen u gevorderd heeft. Ik zou dan ook willen voorstellen om mee te werken aan het aanwijzen van een deskundige die een oordeel kan geven over de aansprakelijkheid. In welke vorm dit gegoten wordt kan ik overleggen met de wederpartij en de betrokken medisch adviseurs. Ik ben overigens van mening dat er goede argumenten zijn om de kosten van het deskundigenbericht volledig voor rekening van ASR te laten komen en om deze niet voorlopig te delen (zoals voorgesteld door ASR). Indien de deskundige van oordeel is dat ASR aansprakelijk is, kunnen we vervolgens een volledige schadevergoeding vorderen.

Kunt u zich hierin vinden? Indien akkoord zal ik de advocaat van ASR bellen om de zaak te bespreken. (…)”

1.23    Op 6 oktober 2018 heeft klager aan verweerder laten weten dat hij akkoord is met het voorstel van verweerder.

1.24    Op 22 oktober heeft verweerder aan klager laten weten dat het hem eindelijk is gelukt om te spreken met de wederpartij. Verweerder heeft laten weten dat de verzekeraar niet “gelooft(…) dat een eventuele fout van [de implantoloog] tot het door [klager] geclaimde letsel en schade heeft geleid”. Verweerder heeft daarop kenbaar gemaakt dat de zaak aan een deskundige voorgelegd moet worden. De verzekeraar heeft zich bereid getoond om de kosten van een voorlopig deskundigenbericht te delen.

1.25    Op 23 oktober 2018 om 6.52 uur heeft klager aan verweerder gevraagd hoe hij aan een deskundige komt en wat de kosten zijn. Dezelfde dag om 7.17 uur heeft klager aan verweerder een deskundige voorgesteld.

1.26    Op 26 oktober 2018 heeft verweerder het volgende geschreven aan klager:

“(…) Een deskundige en de vraagstelling wordt in gezamenlijk overleg tussen de betrokken medisch adviseurs vastgesteld. Het zal dus in ieder geval een tandarts-implantoloog moeten zijn, aangezien deze het beste kan beoordelen in hoeverre [de implantoloog] fouten heeft gemaakt en wat de gevolgen daarvan zijn geweest.

Qua kosten moet u er rekening mee houden dat mijn medisch adviseur de zaak moet beoordelen. De geschatte kosten daarvan zullen met de vraagstelling erbij rond de € 1.000,00 uitkomen. De expertise door de deskundige kost naar schatting € 2.000,00. Totaal moet u dus aan kosten voor uw rekening denken van € 2.000,00, welke wij, nadat u in het gelijk bent gesteld, uiteraard kunnen verhalen op de verzekeraar. Akkoord? (…)”

1.27    Op 1 november 2018 heeft klager laten weten dat hij akkoord gaat. Dezelfde dag heeft verweerder aan de verzekeraar laten weten dat klager kan instemmen met een onderzoek door een deskundige. Verweerder heeft de verzekeraar verzocht om toezending van de conceptvraagstelling aan de deskundige, om een voorstel voor een deskundige en om toezending van het procesdossier van de zaak bij het RTG tegen de implantoloog.

1.28    Bij e-mail van 4 november 2018 heeft klager aan verweerder vragen gesteld over de te benoemen deskundige en de aan die deskundige te stellen vragen. Verweerder heeft hierop op 5 november 2018 gereageerd. Hij heeft het volgende geschreven:

“(…) Wellicht dat ik niet helemaal duidelijk was tijdens ons telefonisch overleg, maar de betrokken medisch adviseurs gaan niet samen de vragen opstellen. Mijn medisch adviseur zal de door de medisch adviseur van ASR opgestelde vragen beoordelen, alsmede de voorgestelde deskundige. Door jarenlange ervaring weet mijn medisch adviseur welke vragen gesteld moeten worden en welke deskundige geschikt is. Zo nodig zullen er dus vragen aangepast moeten worden en zal er een andere deskundige worden voorgesteld. Indien beide adviseurs het er dan over eens zijn, kan de expertise gestart worden.

lk zal vanzelfsprekend de voorgestelde vraagstelling ook met u delen, zodat u deze van commentaar kan voorzien. (…)”

1.29    Op 21 november 2018 heeft de advocaat van de verzekeraar aan verweerder laten weten dat “de aanbiedingsbrief (in concept) thans ter beoordeling voorligt aan de medisch adviseur van ASR” en dat de brief op korte termijn toegezonden zal worden. Op 3 december 2018 heeft de advocaat van de verzekeraar aan verweerder een concept aanbiedingsbrief gericht aan de deskundige gezonden.

1.30    Op 4 december 2018 heeft verweerder de conceptaanbiedingsbrief aan klager gezonden. Verweerder heeft in de begeleidende e-mail geschreven dat hij de weergave van de feiten en de vraagstelling “niet geheel objectief” vindt. Verweerder heeft klager gevraagd om een reactie, waarna hij de brief zal voorleggen aan zijn medisch adviseur.

1.31    Op 7 december 2018 heeft verweerder aan klager geschreven dat er hoe dan ook een deskundige zal moeten oordelen over de kwestie, ook als deze aan de rechter wordt voorgelegd. Verweerder adviseert om buiten de rechter om een deskundige om een oordeel te vragen, omdat dit “vanzelfsprekend tijd en kosten” scheelt.

1.32    Op 10 december 2018 heeft klager het volgende aan verweerder geschreven:

“(…) Het stuk van asr is eigenlijk een herhaling van eerdere correspondentie met (…) en haar pleidooi bij het Medisch Tucht College. Het is grotendeels een juridisch verhaal en de vragen zo algemeen dat ze bij veel letselschade gevallen zijn te gebruiken. Daarvoor zijn geen kosten voor een medisch adviseur te rechtvaardigen, zeker niet de helft voor mijn rekening. ln de brief verzoekt asr de deskundige de rekening naar mij te zenden dit is niet akkoord rekening naar asr.

Verder stel ik dat asr zijn verhaal onverkort indient bij de deskundige en dat uw en mijn opmerkingen er tussen geschreven staan, duidelijk aangegeven in grijze balken. Wij worden het toch niet eens over een gezamenlijke tekst en het kan niet zo zijn dat asr de regie alleen in handen heeft. ln de bijlage het stuk van asr voorzien van mijn -grijs gearceerde- commentaar, gaarne uw bevindingen. Wat is uw mening over de door asr voorgestelde deskundige? Welke toegevoegde waarde kan onze medisch adviseur erin hebben?

Het delen van de kosten zit mij nog steeds dwars, afgedwongen omdat er anders niks gebeurt.

U heeft mij gevraagd een schade opstelling te maken dat heb ik gedaan.ls het nu zo dat als mijn schade inschatting te hoog is geweest de tegenpartij met succes kan stellen dat ik voor de helft van de expertise kosten op moet draaien?

Heeft u nog suggesties b.v. t.a.v. de door mij op te voeren kosten? (…)”

1.33    Op 7 januari 2019 heeft klager aan verweerder laten weten dat de door asr voorgestelde deskundige wat hem betreft akkoord is. Klager heeft verder gevraagd wanneer hij de reactie van verweerder tegemoet kan zien.

1.34    Op 11 januari 2019 heeft verweerder het volgende aan klager geschreven:

“(…) lk heb de kwestie voorgelegd aan mijn medisch adviseur en hoop op korte termijn van hem te vernemen. Mochten er nog kosten aan verbonden zijn, zal ik deze niet maken zonder uw goedkeuring.

Uiteindelijk is het de bedoeling dat er één aanbiedingsbrief naar de expertisearts gaat. Uw stellingen kunnen we daar vanzelfsprekend in verwerken. Uiteindelijk is het aan de deskundige om te oordelen. Nadat mijn medisch adviseur geadviseerd heeft zal ik uw stellingen in de aanbiedingsbrief verwerken en deze aan u voorleggen.

lndien de schadeopstelling te hoog is leidt dit er niet toe dat u voor de helft de kosten dient te dragen. lndien ASR aansprakelijk wordt geacht, zal zij de kosten moeten dragen. (…)”

1.35    Bij e-mail van 11 januari 2019 heeft verweerder een medisch adviseur benaderd met een verzoek om bijstand in de kwestie tegen de implantoloog.

1.36    Op 22 januari 2019 heeft verweerder klager laten weten dat hij overleg heeft gehad met de medisch adviseur. Verweerder doet hiervan verslag aan klager. Verweerder geeft in zijn e-mail een prognose van de zaak en stelt klager nog enkele vragen over de kwestie tegen de implantoloog.

1.37    Op 25 januari 2019 heeft klager gereageerd. In zijn bericht heeft klager zijn ongenoegen geuit over de gang van zaken. Klager heeft verweerder vragen gesteld over het doel en de kosten van het inschakelen van de medisch adviseur door verweerder. Klager heeft verweerder verder gevraagd waarom verweerder het medisch dossier heeft opgevraagd bij de verzekeraar, terwijl verweerder volgens klager weet dat de verzekeraar niet over een volledig dossier beschikt. Klager heeft verder gevraagd wie, tandarts of implantoloog, voor welk deel van de schade aansprakelijk is. Op 1 februari 2019 heeft verweerder op de vragen en opmerkingen van klager gereageerd. Het slot van de e-mail van klager van 25 januari 2019 en de reactie daarop van verweerder van 1 februari 2019 – cursief -  is als volgt:

“(…) Schade; u heeft nog geen antwoord gegeven op mijn vraag of u nog aanvullingen heeft op de door mij opgestelde schade claim, zie bijlage. lk zal de schade met u gaan beoordelen zodra

U reageert zeer traag en meestal pas nadat ik of uw collega heeft gereclameerd. Helaas heb ik meer zaken en zijn er spoedzaken die voorgaan. lk doe mijn best om alle zaken met de nodige voortvarendheid op te pakken. Mijn excuses indien u dit anders heeft ervaren.

De soepele en constructieve samenwerking inzake de schade claim tegen [de tandarts] ervaar ik nu niet. Dat klopt, maar dit is ook omdat u nu wordt geconfronteerd met een verzekeraar die zich minder soepel opstelt. U voegt gaande het proces allemaal voorbehouden toe met als resultaat dat ik dadelijk geconfronteerd wordt met allerlei kosten. Wat gebeurt er als ik een kleine schadevergoeding krijg van E zoals door asr aangeboden, wat moet ik dan betalen? Indien de aansprakelijkheid vaststaat hoeft u niets te betalen en verhalen wij alle kosten op ASR. Ook indien zou komen vast te staan dat de schade maar 4.000,00 is. (…)”

1.38    Op 4 februari 2019 heeft klager het volgende aan verweerder geschreven:

“(…) Wij zijn nu 7 maanden bezig, het concept is door asr gemaakt. Als u geen tijd heeft om mijn zaak op redelijke termijnen -responstijd 7 werkdagen-te behandelen dan vind ik dat u mij dat moet melden.

Herhaal mijn verzoek van 10 december om het ongewijzigde concept van asr aangevuld met mijn grijs gearceerde opmerkingen bij de deskundige in te dienen, heb een recentere versie bijgevoegd als bijlage. Vriendelijk verzoek ik u mijn tekst te beoordelen. Daarna al dan niet via asr voor te leggen aan de deskundige. Het is dus geen verzoek aan asr maar een voldongen feit. Begrijp dat dit niet gebruikelijk is, u mag aangeven dat het mijn wens is. Het komt de tegenstelling en dus de duidelijkheid ten goede, het gaat tenslotte om waarheidsvinding. Mag ik ervan uitgaan dat u mijn vragen / opmerkingen binnen een paar dagen beoordeeld hebt, het is mijn verhaal en dat hoeft niet ,juridisch, taaltechnisch of medisch perfect te zijn als het maar duidelijk is. Alle info die ik heb zal ik direct naar asr, u en uw medisch adviseur -gaarne ontvang ik zijn email adres- mailen omdat het voor mij 1 handeling is.

Als de concept uitspraak van de deskundige er is kan die door uw medisch specialist beoordeeld worden en eventueel aanvullende vragen gesteld worden. Uw medisch specialist kan zich vanaf nu op basis van het complete dossier voorbereiden. (…)”

1.39    Op 13 februari 2019 heeft klager het volgende aan verweerder geschreven:

“(…) Aan mijn verzoek om binnen enkele dagen doch uiterlijk 9-2-2019 mijn aanvullingen op de aanbiedingsbrief naar asr te sturen geeft u geen gehoor. U geef geen enkele reactie ook niet van verhindering of vakantie. Door het constant pas na aanmaningen te reageren, vragen niet duidelijk te beantwoorden en achteraf informatie te verschaffen, schaad u het in u gestelde vertrouwen en maakt u een verder samenwerking onmogelijk. Zal (…) meedelen dat u mij niet langer vertegenwoordigd.

Veder zal ik een klacht indien over uw handelswijze in deze en in de zaak [tandarts], bij de Deken. (…)”

1.40    Op 13 februari 2019 heeft verweerder als volgt gereageerd:

“(…) ln mijn e-mail van 25 januari jl. heb ik u verzocht om het overzicht van de medische stukken te sturen, omdat ik deze wil voorleggen aan mijn medisch adviseur. lk heb u steeds aangegeven mijn medisch adviseur in de zaak te willen betrekken, zie ook mijn eerdere mail van 5 en 26 oktober jl. U bent daar kennelijk geen voorstander van, gezien uw vrees voor kosten. ln uw zaak acht ik het echter van belang om de stukken en de vraagstelling te laten beoordelen door een medisch adviseur. Zolang u de zaak zelf doet, kunt u naar eigen goedvinden handelen. Als u echter mijn bijstand wilt, zal ik zelf ook achter de te bewandelen route naar een expertise moeten staan.

Ik zou het betreuren als u meent een klacht te moeten indienen. Wij hebben eerder altijd goed samengewerkt, zoals eerder ook door u is bevestigd. Mijn excuses dat u niet steeds de reacties krijgt binnen de door u gewenste termijnen.lk gaf u eerder ook al aan dat ik meer zaken heb en helaas niet alles gelijk kan oppakken. Ik zou het op prijs stellen als wij uw zaak nog eens bij mij op kantoor bespreken zodat ik de bij u levende vragen en gevoelens van ontevredenheid wellicht kan wegnemen. lk hoop dat u hiermee kunt instemmen. (…)”

1.41    Bij brief van 14 februari 2019 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

 

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet. klager verwijt verweerder het volgende.

Tandarts

a)    Verweerder heeft geen medisch specialist ingeschakeld, hoewel er sprake was van blijvend letsel in de vorm van verloren kiezen en kaakbotdegradatie.

b)    Verweerder heeft geen rekening gehouden met toekomstige schade. Als gevolg hiervan is tegen finale kwijting een te lage schadevergoeding aan klager uitgekeerd.

Implantoloog

c)    Verweerder heeft niets gedaan naar aanleiding van de verzoeken van klager om te reageren. Verweerder heeft vragen van klager niet beantwoord. Verweerder heeft klager te laat informatie verschaft waarom klager had gevraagd.

2.2    De stellingen die klager aan zijn klacht ten grondslag heeft gelegd     zullen hierna, voor zover van belang, worden besproken.

3    VERWEER

3.1    We heeft de klachten gemotiveerd betwist. Het verweer zal hierna, voor zover van belang, worden besproken. 

 

4    BEOORDELING

Tandarts

4.1    Op 19 oktober 2016 heeft verweerder aan de verzekeraar een brief gestuurd die hij eerst in concept aan klager heeft voorgelegd (zie hiervoor in 1.9). In de brief is voorgesteld om de zaak te schikken voor een bedrag van € 11.986,75, exclusief rente en kosten en onder de voorwaarde dat klager afziet van een vordering tot vergoeding van toekomstige schade. De brief is in concept aan klager voorgelegd. Aldus moet worden aangenomen dat klager bereid was tot het sluiten van een regeling tegen de in de brief genoemde voorwaarden.

4.2    Naar aanleiding van de aanvankelijke afwijzende reactie van de verzekeraar heeft verweerder klager erop gewezen dat het “een hele kluif” zal zijn om de vordering van klager op de tandarts verder te onderbouwen en dat dit voor beide partijen kosten met zich zal brengen (zie in 1.10). Klager heeft daarop kenbaar gemaakt dat een minnelijke schikking zijn voorkeur heeft (zie 1.11). Verweerder heeft vervolgens een conceptbrief aan klager gezonden, waarop klager heeft gereageerd (zie hiervoor in 1.12). Uit de reactie van klager blijkt dat hij geen bezwaar heeft tegen een regeling met de verzekeraar.

4.3    De regeling is vervolgens tot stand gekomen, tegen de door verweerder, namens klager, voorgestelde schadevergoeding.

4.4    Omdat de zaak voortvarend is geëindigd in een schikking tegen de van de zijde van klager voorgestelde voorwaarden, bestond geen noodzaak voor het inschakelen van een medisch specialist. Het verwijt van klager op dit punt treft daarom geen doen en klachtonderdeel a is dan ook kennelijk ongegrond.

4.5    Ten aanzien van klachtonderdeel b overweegt de voorzitter dat uit het voorgaande blijkt dat in overleg met klager is afgezien van een vordering tot vergoeding van toekomstige schade. De stelling van klager dat verweerder geen rekening heeft gehouden met de toekomstige schade treft daarom geen doel. De voorzitter is verder van oordeel dat verweerder goede gronden had om af te zien van deze vordering. De onderbouwing en begroting van toekomstige letselschade is in zijn algemeenheid immers lastig en leidt niet zelden tot een discussie die alleen met de – niet kosteloze -  inschakeling van een deskundige kan worden beslecht. Gelet op dit alles heeft verweerder gehandeld in het belang van klager en aldus zoals dat een behoorlijk handelend advocaat betaamt. Ook klachtonderdeel b is kennelijk ongegrond.

Implantoloog

4.6    De voorzitter stelt voorop dat letselschade-zaken in hun algemeenheid complex zijn en vaak veel tijd vergen. De zaak tegen de tandarts heeft snel tot overeenstemming geleid. Die snelheid kan echter niet als norm worden genomen voor andere letselschadekwesties, zoals de zaak van klager tegen de implantoloog. De voorzitter kan begrijpen dat het voor klager frustrerend is (geweest) dat de behandeling van de zaak tegen de implantoloog anders, minder soepel en snel, is verlopen dan de zaak tegen de tandarts. Dit is echter niet aan verweerder verwijtbaar. 

4.7    De voorzitter overweegt verder dat verweerder begin augustus 2018 (zie in 1.20) heeft toegezegd de kwestie na zijn vakantie, derhalve pas eind augustus, in behandeling te zullen nemen. Verweerder heeft vervolgens op 5 oktober 2018 een voorstel gedaan voor de aanpak van de zaak (zie in 1.22). Dit is naar het oordeel van de voorzitter voldoende voortvarend. Dat klager verweerder op 23 september 2018 een rappel heeft gestuurd maakt dat niet anders. Klachtonderdeel c is in zoverre kennelijk ongegrond.

4.8    Vanaf 22 oktober 2018 hebben partijen per e-mail met elkaar gecorrespondeerd over de benoeming van en de vraagstelling aan een deskundige. In zijn e-mails heeft verweerder klager deugdelijk geïnformeerd over de werkwijze rondom de benoeming van een deskundige, zij het wat versnipperd in verschillende e-mailberichten. De eerste e-mail van klager waaruit zijn ongenoegen blijkt over de gang van zaken rondom de benoeming van een deskundige is van 10 december 2018. Verweerder heeft daarop gemotiveerd gereageerd bij e-mail van 11 januari 2019. Uit de reactie blijkt verder dat verweerder overleg heeft gevoerd met zijn medisch adviseur; verweerder heeft aldus niet stilgezeten. In aanmerking genomen dat tussen de mail van klager en de reactie van verweerder de feestdagen van december lagen is naar het oordeel van de voorzitter sprake van een voldoende voortvarende en adequate reactie van verweerder. Dat het antwoord van verweerder klager niet welgevallig was, maakt dat niet anders. Klachtonderdeel c is ook in zoverre kennelijk ongegrond.

4.9    Bij e-mail van 25 januari 2019 heeft klager opnieuw zijn ongenoegen geuit. Op 1 februari 2019 heeft verweerder gemotiveerd gereageerd op het bericht van klager. Ook hier is verweerder naar het oordeel van de voorzitter voldoende voortvarend geweest, zodat klachtonderdeel c ook op dit punt kennelijk ongegrond is.

4.10    Bij e-mail van 4 februari 2019 aan verweerder heeft klager opnieuw zijn ongenoegen kenbaar gemaakt. Hij verwijt verweerder, zakelijk weergegeven, traagheid en een inadequate reactie op eerdere vragen. Naar het oordeel van de voorzitter blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen dat deze verwijten onterecht zijn.

4.11    Op 13 februari 2019 heeft verweerder vervolgens gemotiveerd gereageerd. Verweerder heeft nogmaals de strategie die hij bij de behandeling van de zaak tegen de implantoloog beoogd uiteengezet. De reactie van verweerder is naar het oordeel van de voorzitter adequaat te noemen, zodat klachtonderdeel c ook op dit punt kennelijk ongegrond is. Dat verweerder niet heeft beantwoord aan de wens van klager om uiterlijk 9 februari 2019 een reactie te ontvangen, maakt dat niet anders. Een advocaat voert de regie over de zaken die hij behandelt en is niet gebonden aan door zijn cliënt gestelde (korte) termijnen. Ook de omstandigheid dat klager verweerder op 13 februari 2019 een rappel heeft gestuurd doet aan het oordeel van de voorzitter op dit punt niet af.

Slotsom

4.12    Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de voorzitter klachtonderdelen a, b en c met toepassing van artikel 46 j van de Advocatenwet kennelijk ongegrond zal verklaren.

BESLISSING

De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. M.P.J.G. Göbbels, plaatsvervangend voorzitter, met bijstand van mr. A. Tijs als griffier op 4 december 2019.