Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

18-11-2019

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2019:242

Zaaknummer

18-005/DH/DH (TUL)

Inhoudsindicatie

Ambtshalve tenuitvoerlegging. De raad heeft verweerster n.a.v. een dekenklacht bij (onherroepelijke) beslissing van 5 maart 2018 een voorwaardelijke schorsing opgelegd voor de duur van 4 weken. In maart 2019 heeft de deken wederom een ambtshalve bezwaar over verweerster ingediend. Omdat verweerster niet heeft voldaan aan een algemene voorwaarde, zoals vermeld in de beslissing van 5 maart 2018, zal de raad overgaan tot lastgeving van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke schorsing.

Uitspraak

Ambtshalve beslissing van 18 november 2019 van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag in de zaak 18-005/DH/DH (TUL)

 

strekkende tot tenuitvoerlegging van de in de zaak 18-005/DH/DH bij beslissing van 5 maart 2018 aan

 

verweerster

 

opgelegde voorwaardelijke maatregel van schorsing

 

1    FEITEN

1.1    Bij beslissing van 5 maart 2018 heeft de raad het door de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag over verweerster ingediend bezwaar gegrond verklaard en aan verweerster een voorwaardelijke schorsing voor de duur van vier weken opgelegd met daarbij de volgende voorwaarde:

-    stelt als algemene voorwaarde dat verweerster zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging.

1.2    De proeftijd is door de raad in deze beslissing op twee jaar gesteld, ingaande op de dag dat de beslissing onherroepelijk wordt.

1.3    Tegen de beslissing van 5 maart 2018 heeft verweerster geen beroep ingesteld. De beslissing is op 5 maart 2018 aan verweerster verzonden, zodat deze op 5 juni 2018 onherroepelijk is geworden.

1.4    Op 25 maart 2019 heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag wederom een ambtshalve bezwaar over verweerster ingediend (zaaknummer 19-202/DH/DH). Deze klacht is ter zitting van de raad van 30 september 2019 behandeld. Bij beslissing van de raad van 18 november 2019 is het bezwaar gegrond verklaard en is aan verweerster is daarvoor een voorwaardelijke schorsing voor de duur van vier weken opgelegd.

1.5    De hierboven vermelde dekenklacht ziet op een doen en laten van verweerster plaatsgevonden hebbend na (het onherroepelijk worden van) de hierboven onder 1.1 vermelde beslissing en binnen de bij die beslissing vastgestelde proeftijd van twee jaren.

 

2    BEOORDELING

2.1    De raad heeft verweerster ter gelegenheid van de behandeling van het onder 1.4 genoemde dekenbezwaar opgeroepen teneinde te worden gehoord op de mogelijke tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke schorsing.

2.2    Op grond van de stukken die (aan de raad) zijn overgelegd ter onderbouwing van het nieuwe dekenbezwaar en de behandeling daarvan ter zitting, stelt de raad vast dat verweerster niet heeft voldaan aan de algemene voorwaarde zoals vermeld in de beslissing van de raad d.d. 5 maart 2018.

2.3    Overweging 5.3 uit de heden uitgesproken beslissing op het dekenbezwaar luidt als volgt:

“Uit de zich in het dossier bevindende stukken blijkt dat op het moment dat onderhavig dekenbezwaar op 25 maart 2019 werd ingediend, de belastingschuld van de eenmanszaak van verweerster inmiddels was opgelopen EURO 332.427,88 en dat haar op 25 januari 2018 opgerichte B.V. uit hoofde van achterstallige omzetbelasting en loonbelasting over 2018 in het eerste jaar reeds een schuld had opgebouwd van EURO 87.000. Met andere woorden, de belastingschuld van verweerster en die vennootschap was in een periode van iets meer dan een jaar opgelopen met ruim EURO 200.000 en dus verdubbeld. De raad is met de deken van oordeel dat het in die mate laten oplopen van een belastingschuld in het licht van de eerder aan verweerster onder meer daarvoor opgelegde voorwaardelijke schorsing, tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Dit onderdeel van het dekenbezwaar is dan ook gegrond.”

2.4    Van verschoonbare omstandigheden aan de zijde van verweerster is de raad niet gebleken.

2.5    De raad zal daarom overgaan tot lastgeving van de tenuitvoerlegging van de bij de beslissing van 5 maart 2018 aan verweerster opgelegde maatregel van schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van vier weken.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    gelast ingevolge artikel 48e Advocatenwet de tenuitvoerlegging van de door de raad bij beslissing van 5 maart 2018 opgelegde schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van vier weken;

-    bepaalt dat de schorsing ingaat één maand na heden, met dien verstande dat de schorsing pas ingaat na afloop van eventueel eerder onherroepelijk geworden schorsingen en dat de schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerster niet op het tableau staat ingeschreven.

 

Aldus beslist door mr. G.A.F.M. Wouters, voorzitter, mrs. P.C.M. van Schijndel, M.G. van den Boogerd, M. de Klerk en P.J.E.M. Nuiten, leden, bijgestaan door

mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 november 2019.