Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

18-11-2019

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2019:238

Zaaknummer

19-618/DH/RO/D

Inhoudsindicatie

Dekenbezwaar gegrond. Verweerder heeft de voorwaarden voor opheffing van zijn schorsing met voeten getreden door de deken o.a. niet (tijdig) althans in strijd met de waarheid te informeren over de financiële situatie van zijn kantoor en zijn praktijkvoering en de voortgang van de behandeling van de strafzaak tegen hem. Daarnaast is door zijn bewezenverklaarde strafrechtelijke gedragingen en de daarvoor aan hem opgelegde gevangenisstraf niet alleen zijn eigen integriteit aangetast maar ook en vooral het vertrouwen in de advocatuur ernstig geschaad. Hoewel verweerder zich heeft uitgeschreven als advocaat, legt de raad een voorwaardelijke schorsing voor de duur van 26 weken op.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 18 november 2019 in de zaak 19-618/DH/RO/D naar aanleiding van het bezwaar van:

 

deken

 

over:

 

verweerder

gemachtigde: mr. V.

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Bij brief van 10 september 2019, door de raad ontvangen op 11 september 2019, heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam een bezwaar ingediend over verweerder. Tevens heeft de deken op die dag een schorsingsverzoek ex artikel 60b Aw ingediend.

1.2    Het bezwaar en het schorsingsverzoek zijn gelijktijdig behandeld ter zitting van de raad van 30 september 2019 in aanwezigheid van de deken en verweerder, vergezeld van zijn gemachtigde.

1.3    De deken heeft het schorsingsverzoek op 31 oktober 2019 ingetrokken omdat verweerder hem heeft laten weten zich van het tableau te laten schrappen.

1.4    De raad heeft kennis genomen van de processtukken, bedoeld in artikel 49 lid 2 Advocatenwet, alsmede van het op 26 september 2019 zijdens verweerder ingediende verweerschrift, de reactie daarop van de deken d.d. 27 september 2019 en de reactie daarop met producties zijdens verweerder.

 

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan.

2.1    Verweerder is op 27 augustus 2004 beëdigd als advocaat. Sinds 2 januari 2017 voert hij zelfstandig kantoor.

2.2    Bij brief van 27 november 2018 heeft de deken naar aanleiding van een aantal ernstige signalen een verzoek ex artikel 60b Advocatenwet ingediend tegen verweerder.

2.3    Bij beslissing van 10 december 2018 heeft de raad het verzoek van de deken toegewezen en verweerder met onmiddellijke ingang voor onbepaalde tijd geschorst in de uitoefening van de praktijk.

2.4    Bij e-mail van 5 februari 2019 heeft verweerder een verzoek tot opheffing van de schorsing ingediend. Dit verzoek is behandeld ter zitting van de raad van 20 februari 2019.

2.5    Tijdens de zitting van 20 februari 2019 heeft de raad aangegeven tot opheffing van de schorsing te zullen overgaan onder de voorwaarden dat verweerder – zakelijk weergegeven – de deken om de drie weken zal informeren over de financiële situatie van zijn kantoor, de voortgang van de behandeling van de strafzaak tegen hem en de voortgang van zijn therapie c.q. behandeling in het kader van de (ambulante) verslavingszorg. Deze voorwaarden zijn in het van de zitting opgemaakte proces-verbaal opgenomen.

2.6    Bij beslissing van 20 februari 2019 heeft de raad het verzoek van verweerder toegewezen en de schorsing met onmiddellijke ingang opgeheven. De aan die schorsing verbonden voorwaarden zijn daarin, overeenkomstig hetgeen daaromtrent was afgesproken ter zitting, niet opgenomen.

2.7    Op 5 maart 2019 heeft verweerder aan de deken de jaarrekening 2017 toegezonden.

2.8    Op 15 april 2019 heeft mr. M. een klacht tegen verweerder ingediend vanwege het feit dat verweerder ondanks herhaalde betalingstoezeggingen zijn declaraties niet voldeed. De deken heeft de klacht onderzocht en gegrond bevonden. 

2.9    Bij brief van 14 mei 2019 heeft de deken verweerder verzocht hem te informeren, zoals afgesproken ter zitting.

2.10    Bij e-mail van 4 juni 2019 heeft de deken verweerder gerappelleerd en heb verzocht om een reactie binnen drie dagen.

2.11    Verweerder heeft per e-mail van 11 juni 2019 gereageerd.

2.12    Namens de deken is verweerder op 21 juni 2019 verzocht om nadere informatie over de tegen hem lopende strafzaak en het in het kader daarvan opgemaakte reclasseringsrapport.

2.13    Bij e-mail van 23 juli 2019 heeft de deken verweerder gerappelleerd, hem er op gewezen dat hij gehouden was om hem, de deken, om de drie weken uit eigen beweging te informeren over de relevante ontwikkelingen rond zijn persoon en zijn praktijkvoering (hetgeen tot op dat moment nog geen enkele keer gebeurd was) en hem medegedeeld indiening van een dekenbezwaar te overwegen.

2.14    Bij brief van 8 augustus 2019 heeft de deken verweerder nog eens gerappelleerd en verzocht om uiterlijk 12 augustus 2019 te reageren.

2.15    Bij brief van 16 augustus 2019 heeft de deken verweerder opnieuw per e-mail gerappelleerd. Op deze mail ontving de deken een foutmelding; het bericht kon niet worden bezorgd.

2.16    Op 19 augustus 2019 ontving de deken bericht van verweerder met een reactie op zijn brief van 8 augustus 2019. Dit bericht was afkomstig van een ander e-mailadres dan het voorheen door verweerder gebruikte e-mailadres.

2.17    Op het moment van indiening van onderhavig bezwaar had verweerder nog niet aan de Nederlandse Orde van Advocaten de adreswijziging van zijn kantoor, zijn nieuwe e-mailadres of zijn nieuwe telefoonnummer doorgegeven.

2.18    Naar aanleiding van de e-mail van verweerder d.d. 19 augustus 2019 is een bespreking gepland op het Bureau van de Orde op 30 augustus 2019 om 10.00 uur.

2.19    Op 30 augustus 2019 om 9.20 uur ontving de deken een e-mail van verweerder dat hij vanwege spoedeisende familieomstandigheden de afspraak die dag moest verplaatsen met de mededeling dat hij, indien hij de mogelijkheid kreeg, de deken die middag nog zou berichten.

2.20    Op 3 september 2019 ontving de deken een e-mail van mr. R. dat hij geen contact kon krijgen met verweerder. Hij meldde dat een voormalig cliënte van verweerder zich tot hem had gewend om verdere rechtsbijstand te verlenen in een zaak die geen verder uitstel meer duldde. De desbetreffende cliënte had besloten tot inschakeling van mr. R. vanwege de onbereikbaarheid van verweerder. Voor de werkzaamheden die verweerder voor haar zou verrichten was door haar een voorschot voldaan van EURO 4.500,-.

2.21    Bij vonnis van 6 september 2019 is verweerder vanwege bedreiging, belaging en belediging door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Rotterdam  veroordeeld tot een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 90 dagen, waarvan 72 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Als bijzondere voorwaarden zijn daaraan verbonden dat verweerder zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zich laat behandelen voor het doorbreken van het delictpatroon en voor zijn verslavingsproblematiek en zich daarbij houdt aan de huisregels en aanwijzingen van de zorgverlener, geen drugs gebruikt en meewerkt aan controle op dit verbod en dat hij zich bij een terugval in middelengebruik, overmatig middelengebruik, ernstige zorgen over het psychiatrisch toestandsbeeld of het ontstaan van een grote kans op risicovolle situaties na indicatiestelling door de reclassering neerlegt bij een kortdurende klinische opname van maximaal zeven weken.

2.22    Omdat de deken niet meer nader van verweerder vernam, heeft hij op 10 september 2019 onderhavig bezwaar ingediend.

2.23    Verweerder heeft zich met ingang van 1 november 2019 uitgeschreven als advocaat.

 

3    BEZWAAR

3.1    Het bezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij:

a)    de deken niet heeft geïnformeerd zoals ter zitting van 20 februari 2019 was afgesproken;

b)    zich onbereikbaar heeft gehouden;

c)    niet of niet tijdig reageert op brieven van de deken;

d)    zonder deugdelijke reden niet is verschenen op een afspraak met de deken;

e)    zijn financiële zaken niet op orde heeft;

f)    betalingstoezeggingen jegens derden niet nakomt;

g)    jegens de deken in strijd met de waarheid heeft verklaard;

h)    onbereikbaar is voor een van zijn cliënten.

3.2    De deken heeft in de aanloop naar de zitting (de gronden voor) zijn bezwaar     nog aangevuld naar aanleiding van de inhoud van het door hem

    opgevraagde en ontvangen vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Rotterdam d.d. 6 september 2019. Het feit dat verweerder onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 90 dagen, ook al zijn er daarvan 72 voorwaardelijk, vormt in de ogen van de deken een indicatie voor de ernst van de feiten die hem ten laste zijn gelegd en bewezen zijn verklaard. Daarmee staat naar het oordeel van de deken vast dat verweerder zich heeft schuldig gemaakt aan gedragingen die een advocaat niet betamen en die niet te verenigen zijn met de beroepsethiek.

 

4    VERWEER

4.1    Verweerder heeft zich tegen het dekenbezwaar verweerd, op welk verweer de raad hierna zo nodig zal ingaan.

 

5    BEOORDELING

Ad onderdeel a)

Verweerder heeft erkend zich niet te hebben gehouden aan de met de deken gemaakte afspraak om hem om de drie weken te informeren over de financiële situatie van zijn kantoor, de voortgang van de strafzaak en de voortgang van de therapie/behandeling. Daarmee is de gegrondheid van dit onderdeel van het dekenbezwaar gegeven.

Ad onderdeel b)

5.1    Verweerder erkent dat hij per e-mail enige tijd onbereikbaar is geweest. De reden daarvoor is volgens verweerder dat de websitebouwer die hij opdracht had gegeven een website te bouwen fouten heeft gemaakt, waardoor hij een betaling niet deed, en de websitebouwer vervolgens zijn e-mailboxen offline haalde. Naar het oordeel van de raad zijn dit omstandigheden die voor risico van verweerder komen. Aan de onbereikbaarheid als zodanig doen deze niet af. Ook dit onderdeel van het dekenbezwaar is derhalve gegrond.

Ad onderdeel c)

5.2    Uit de zich in het dossier bevindende stukken blijkt genoegzaam dat verweerder veelvuldig niet of niet tijdig heeft gereageerd op brieven en verzoeken van de deken. Een verschoonbare reden daarvoor is gesteld noch gebleken. Daarmee is ook de gegrondheid van dit onderdeel van het dekenbezwaar gegeven.

Ad onderdeel d)

5.3    Verweerder erkent dat hij een afspraak met de deken op 30 augustus 2019 op het laatste moment heeft afgezegd. Volgens hem niet uit disrespect voor de deken maar omdat hij met spoed naar zijn ouders moest. De reden daarvoor heeft hij de deken bij zijn afzegging echter niet medegedeeld. Zijn toezegging de deken later die dag nader te berichten, is verweerder bovendien niet nakomen. Ook nadien is hij er bij de deken niet op teruggekomen. Dat had gelet op de aanleiding voor het afgezegde gesprek wel op zijn weg gelegen. Ook dit onderdeel van het dekenbezwaar is derhalve gegrond.

Ad onderdeel e), f) en g)

5.4    Deze onderdelen lenen zich voor gezamenlijk bespreking.

5.5    Al voor de opheffing van de schorsing begin 2019 heeft verweerder de deken medegedeeld zijn financiële zaken inmiddels op orde te hebben. Uit de zich in het dossier bevindende stukken blijkt echter dat dat geenszins het geval was en ook nog altijd niet is. Verweerder had op dat moment namelijk de hoofdelijke omslag nog niet betaald en ook de declaraties van mr. M. en van de door hem ingeschakelde websitebouwer niet voldaan.

5.6    Verweerder heeft de deken dus niet alleen in strijd met de waarheid gemeld dat hij zijn financiën op orde had, hij heeft hem ook in strijd met de waarheid bericht dat hij de kwestie met mr. M. geregeld had.

5.7    Ook deze onderdelen van het dekenbezwaar zijn naar het oordeel van de raad derhalve gegrond.

Ad klachtonderdeel h)

5.8    Uit de e-mail van mr. R. aan de deken d.d. 3 september 2019 blijkt dat verweerder de belangen van een cliënte heeft verwaarloosd door  onbereikbaar voor haar te zijn terwijl er een termijn dreigde te verstrijken in de hoger beroep-procedure. Ook in zoverre is het dekenbezwaar derhalve gegrond.

5.9    Met de deken is de raad van oordeel dat het op de weg van verweerder had gelegen het onherroepelijke strafvonnis d.d. 6 september 2019 eigener beweging ter kennis van de deken en de raad te brengen. Met de inhoud van dat vonnis staat naar het oordeel van de raad vast dat verweerder zich schuldig heeft gemaakt aan gedrag dat een advocaat niet betaamt. Uit het feit dat de zaak is behandeld door de meervoudige kamer en dat aan verweerder een gevangenisstraf is opgelegd, blijkt dat het om ernstige strafbare feiten gaat. De strafrechtelijke betrokkenheid van verweerder heeft niet alleen zijn eigen integriteit aangetast maar ook en vooral het vertrouwen in de advocatuur ernstig geschaad. Ook in zoverre is het dekenbezwaar gegrond.

 

6    MAATREGEL

Verweerder heeft de voorwaarden voor opheffing van zijn schorsing met voeten getreden door de deken niet althans niet tijdig althans in strijd met de waarheid te informeren over de financiële situatie van zijn kantoor en zijn praktijkvoering, de voortgang van de behandeling van de strafzaak tegen hem en de voortgang van zijn therapie c.q. behandeling in het kader van de (ambulante) verslavingszorg. Dat rekent de raad hem zwaar aan. Daarnaast is door zijn bewezenverklaarde strafrechtelijke gedragingen en de daarvoor aan hem opgelegde gevangenisstraf niet alleen zijn eigen integriteit aangetast maar ook en vooral het vertrouwen in de advocatuur ernstig geschaad. Mede gelet op het tuchtrechtelijk verleden van verweerder is de raad van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere maatregel dan die van voorwaardelijke schorsing.

 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1     Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 750 kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

b)  € 500 kosten van de Staat.

7.2     Verweerder moet het bedrag van € 750 binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer IBAN:NL85 INGB 0000 079000, BIC:INGBNL2A, t.n.v. Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline” en het zaaknummer.

7.3    Verweerder moet het bedrag van € 500 binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer NL 05 INGB 0705 003981 t.n.v. Ministerie van Justitie en Veiligheid, onder vermelding van “Tuchtrechtelijke kostenveroordeling advocatuur, DGRR” en het zaaknummer.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart het dekenbezwaar gegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van schorsing voor de duur van zesentwintig weken op, geheel voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaren ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt;

-     bepaalt dat de maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de Raad van Discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder de voorwaarde niet heeft nageleefd;

-     stelt als algemene voorwaarde dat verweerder zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging;;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van EUR 750 aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.2;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van EUR 500 aan de Staat, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3.

 

Aldus beslist door mr. G.A.F.M. Wouters, voorzitter, mrs. P.C.M. van Schijndel, M.G. van den Boogerd, M. de Klerk en P.J.E.M. Nuiten, leden, bijgestaan door

mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 november 2019.