Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

09-10-2019

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2019:268

Zaaknummer

19-403/DH/DH

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht tegen de eigen advocaat over de kwaliteit van dienstverlening kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 9 oktober 2019 in de zaak 19-403/DH/DHnaar aanleiding van de klacht van:

 

klager

 

tegen:

 

verweerster

 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 18 juni 2019 met kenmerk K253 2018 ar/smo, door de raad ontvangen op 19 juni 2019, en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken. De voorzitter heeft verder kennis genomen van de e-mails van 29 juli 2019 en 6 augustus 2019 en de daarbij gevoegde bijlagen van de zijde van klager en van de reactie op dat alles van verweerster van 21 augustus 2019.

 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken, van de volgende feiten uitgegaan.

1.1    In 2014 is de dochter van klager, die is geboren op 21 februari 1998, gestart met een opleiding, waarvoor zij een stage volgde bij de Koninklijke Landmacht.

1.2    Op 15 januari 2015 is de dochter van klager vanwege haar gedrag weggestuurd van haar stageplek. Daarna is zij ook verwijderd van de opleiding.

1.3    Naar aanleiding hiervan heeft de dochter van klager samen met klager een klacht ingediend bij onder meer de Kinderombudsman. Op verzoek van klager is er een feitenonderzoek verricht door de Koninklijke Landmacht. In het kader van dat onderzoek zijn alle betrokkenen gehoord en naar aanleiding daarvan is de klacht ongegrond verklaard. Klager heeft vervolgens een klacht tegen het Ministerie van Defensie ingediend bij de Nationale Ombudsman. Laatstgenoemde zag geen aanleiding voor nader onderzoek.

1.4    Vervolgens heeft de dochter van klager op 3 februari 2016 aangifte gedaan van smaad, seksuele intimidatie en discriminatie op haar stageplek bij de Koninklijke Landmacht. De officier van justitie heeft de zaak op 24 maart 2016 geseponeerd vanwege onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

1.5    Verweerster heeft de dochter van klager als advocaat bijgestaan in een artikel 12-procedure. Zij heeft op 20 juni 2016 een klaagschrift ingediend. Op 1 december 2017 is de zaak in raadkamer behandeld. Bij beschikking van 8 januari 2018 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de klacht van de dochter van klager ongegrond verklaard.

1.6    Bij brief van 10 december 2018 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.

1.7    De dochter van klager heeft klager op 1 januari 2019 gemachtigd namens haar een klacht in te dienen over verweerster.

1.8    Bij e-mail van 26 februari 2019 aan verweerster heeft de dochter van klager aangegeven altijd achter haar vader te staan.

 

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet doordat zij tekort is geschoten in de bijstand aan de dochter van klager door:

a)    te bewerkstelligen dat klager niet bij de zitting aanwezig kon zijn en tijdens de zitting geen rol kon vervullen;

b)    de nadrukkelijke instructie om aantekeningen en bewijsmateriaal aan de militaire kamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden te overhandigen niet heeft opgevolgd;

c)    de minderjarige dochter van klager aan de bevooroordeelde blik van de rechter over te leveren zonder daartegen iets te doen;

d)    geen gebruik te maken van de aangedragen getuigen die konden verklaren dat de dochter van klager slachtoffer is geworden door het valse spel van anderen.

 

3    VERWEER

3.1    Verweerster heeft zich tegen de klacht verweerd, op welk verweer de voorzitter hierna zo nodig zal ingaan.

4    BEOORDELING

4.1    De voorzitter stelt voorop dat de klacht van klager betrekking heeft op het optreden van verweerster in haar hoedanigheid van advocaat van de dochter van klager. Gelet op de door klager overgelegde volmacht en de daarop volgende e-mail van de dochter aan verweerster, beschouwt de voorzitter de klacht van klager als klacht namens zijn dochter.

Ad klachtonderdeel a)

4.2    De raad stelt vast dat de dochter van klager ten tijde van de zitting op 1 december 2017 meerderjarig was. Het stond verweerster naar het oordeel van de voorzitter vrij om te besluiten dat klager niet bij de zitting aanwezig kon zijn. Dat zijn aanwezigheid in het belang van haar dochter vereist was, is gesteld noch gebleken. Klager was geen partij in de procedure en evenmin betrokken bij de incidenten waarom het ging. Dit klachtonderdeel is naar het oordeel van de voorzitter derhalve ongegrond.

Ad klachtonderdelen b) en d)

4.3    Nu deze klachtonderdelen betrekking hebben op de inhoudelijke behandeling van de zaak, lenen zij zich naar het oordeel van de voorzitter voor gezamenlijke behandeling.

4.4    Voorop dient te staan dat een advocaat voor het – in overleg met zijn cliënt – te voeren beleid een ruime vrijheid toekomt en dat in het algemeen een tuchtrechtelijke maatregel eerst geïndiceerd kan zijn indien de advocaat bij de behandeling van de zaak kennelijk onjuist optreedt en adviseert en de belangen van de cliënt daardoor worden geschaad of kunnen worden geschaad. Het handelen van verweerster zal aan de hand van deze maatstaf worden beoordeeld.

4.5    De gedragingen van verweerster zijn naar het oordeel van de voorzitter, gemeten naar genoemde maatstaf, niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Zij was de advocaat van de op dat moment meerderjarige dochter van klager. Het stond haar vrij om in overleg met haar te bepalen hoe zij de zaak wilde behandelen en was daarbij niet gehouden instructies van klager of andere derden op te volgen.

4.6    Gelet op de inhoud van het door verweerster ingediende klaagschrift enerzijds en het door klager gestelde anderzijds, is de voorzitter niet gebleken dat verweerster zich heeft schuldig gemaakt aan een doen of nalaten in strijd met de jegens haar cliënte in acht te nemen zorg. Van enige bevooroordeling vanwege afkomst of geloof bevindt zich in de stukken geen enkele aanwijzing.

4.7    Evenmin blijkt uit de stellingen van partijen en de zich in het dossier bevindende stukken dat de beslissing van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden te wijten is aan de wijze waarop verweerster de dochter van klager heeft bijgestaan.

4.8    Deze klachtonderdelen zijn derhalve ook ongegrond.

Ad klachtonderdeel c)

4.9    Naar het oordeel van de voorzitter zijn door klager geen, althans onvoldoende feiten en omstanigheden aangevoerd waaruit blijkt of zou kunnen blijken dat het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevooroordeeld was. Het enkele feit dat het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij beschikking in het nadeel van de dochter van klager heeft beslist, is daartoe onvoldoende. Ook dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

4.10    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, dan ook kennelijk ongegrond verklaren.

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. S.M. Krans, plaatsvervangend voorzitter, met bijstand van mr. M.M.C. van der Sanden als griffier op 9 oktober 2019.