Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

30-12-2019

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2019:197

Zaaknummer

19-609 DB/LI

Inhoudsindicatie

Verweerder heeft klager onvoldoende geadviseerd en onvoldoende geïnformeerd over de voortgang van de zaak. Dat is een wezenlijke tekortkoming in de kwaliteit van de dienstverlening van verweerder. Deels gegrond. Waarschuwing.

Uitspraak

 

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort  ’s-Hertogenbosch

van  30 december  2019

in de zaak 19-609/DB/LI

 

naar aanleiding van de klacht van:

 

 

           

                       

                        klager

 

                        tegen:

 

                        verweerder

 

                                   

 

 

 

1          Verloop van de procedure

1.1      Op 30 december 2018 heeft klager middels een klachtformulier bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg een klacht ingediend tegen verweerder.

1.2      Bij e-mail aan de raad van 4 september 2019 met kenmerk nr. K19-004 heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.3      De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 18 november 2019. Verschenen zijn klager en verweerder.  

1.4      De raad heeft kennis genomen van:

-       de hierboven genoemde brief van de deken en de daaraan gehechte stukken;

-       het nagekomen e-mailbericht van verweerder d.d. 6 september 2019.

 

2        Feiten

2.1     Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, van de volgende feiten uitgegaan:

2.2     Klager is op 10 maart 2002 een verkeersongeval overkomen. Op 26 juli 2005 is klager wederom een verkeersongeval overkomen. Vanaf 2005 is klager bijgestaan door een belangenbehartiger om de ten gevolge van het ongeval dat in 2005 had plaatsgevonden geleden en nog te lijden schade te verhalen op de aansprakelijke partij. In maart 2016 heeft R als aansprakelijke verzekeraar aan klagers toenmalige belangenbehartiger een afwikkelingsvoorstel gedaan, inhoudende een slotbetaling aan klager ten bedrage van € 25.000,--. Dit voorstel was voor klager onacceptabel.

2.3     Klager heeft zich vervolgens voor verdere rechtsbijstand gewend tot verweerder. Op 19 februari 2016 heeft een eerste bespreking plaatsgevonden. Op 22 maart 2016 heeft klager verweerder verzocht om de behandeling van de zaak over te nemen. Verweerder heeft de opdracht bij brief van 24 maart 2016 aan klager bevestigd. In deze brief heeft verweerder aan klager medegedeeld dat hij het dossier diezelfde dag had opgevraagd bij de voormalige belangenbehartiger, heeft hij klager verzocht om een medische machtiging te ondertekenen en heeft hij aan klager medegedeeld dat de kosten van buitengerechtelijke bijstand in beginsel integraal dienden te worden betaald door R, met uitzondering van de overnamekosten.

2.4     Nadat klager bij e-mails d.d. 4 en 10 juli 2016 bij verweerder had geïnformeerd naar de stand van zaken heeft verweerder klager bij e-mail d.d. 11 juli 2016 bericht dat hij nog in afwachting was van het dossier van de vorige belangenbehartiger. Bij e-mail d.d. 17 augustus 2016 heeft verweerder klager bericht dat hij het dossier had ontvangen en dat hij het wegens vakantie na 2 september 2016 zou kunnen bestuderen.

2.5     Bij e-mail d.d. 2 november 2016 heeft verweerder klager als volgt bericht:

          “Inmiddels heb ik het grootste deel van het dossier bestudeerd en constateer ik dat:

-              Wel degelijk aanwijzingen zijn van zogenaamde mengschade (…);

-              Er sprake is van psychische klachten die zijn gedocumenteerd en te wijten zijn aan het tweede ongeval;

-              De medisch adviseur van Europrotector heeft voorgesteld om een psychiatrische expertise te entameren;

-              Op neurologisch vlak geen klachten beperkingen worden vastgesteld die het gevolg zijn van het tweede ongeval, maar dat er wel veel medische documentatie na het tweede ongeval (ook voor wat betreft de psychische klachten) en dat daar in navolging van arrest Zwolsche Algemeene/De Greef rekening mee dient te worden gehouden;

-              Er geen psychiatrische expertise heeft plaatsgevonden;

-              [D] de informatie van het UWV en de arbodienst niet in zijn expertiserapport heeft betrokken (althans dat denk ik);

Het lijkt mij van belang dat ik deze constatering al aan [R] mededeel en aangeef dat een expertise op psychiatrisch vlak geïndiceerd is. We kunnen ook vragen om het voorstel van € 25.000,-- te verhogen. Heeft u enig idee met welk bedrag u kunt instemmen? We kunnen een tegenvoorstel doen.”

2.6     Bij e-mail d.d. 2 november 2016 heeft verweerder R als volgt bericht:

                     “(…)

          Een en ander betekent dat het standpunt van [R] dat de klachten en beperkingen van cliënt uitsluitend het gevolg zijn van het eerste ongeval in België niet op voorhand juist is en dat de psychische klachten nader onderzocht dienen te worden. Nu cliënt sinds 2009 een WIA-uitkering heeft (…) is sprake van aanzienlijke schade op het gebied van verlies verdienvermogen.

          Ik zal de stukken van ArboNed, alsmede de stukken van het UWV nog nader bestuderen. Kunt u mij mededelen of medisch adviseur een psychiatrische expertise ook nodig acht? Ik zal dit dossier nadat ik het helemaal heb bestudeerd, nog eens met cliënt bespreken, maar nogmaals wijs ik u erop dat er wel degelijk sprake is van klachten beperkingen die het gevolg zijn van het tweede ongeval. Op basis van het bepaalde in artikel 6:99 BW is [R] (hoofdelijk) aansprakelijk (dus voor het geheel).”

2.7     Bij e-mail d.d. 5 november 2016 heeft klager enkele vragen aan verweerder voorgelegd, aangegeven dat de inhoud van verweerders berichtgeving voor hem moeilijk te interpreteren was, de omstandigheden opgesomd waarmee in zijn visie rekening moest worden gehouden en aangegeven dat een schadevergoeding van minimaal € 450.000,-- op zijn plaats zou zijn.

2.8     Bij e-mail d.d. 9 november 2016 heeft verweerder klager bericht dat de reactie van de wederpartij moest worden afgewacht. Ook heeft verweerder klager medegedeeld dat het door klager genoemde bedrag nooit door de wederpartij zou worden geaccepteerd en dat eerst het medisch traject moest worden uitgediept.

2.9     Bij e-mail van 18 januari 2017 heeft verweerder aan R een rappel gestuurd. Bij e-mail d.d. 23 februari 2017 heeft klager bij verweerder geïnformeerd naar de stand van zaken. Bij e-mail d.d. 23 februari 2017 heeft verweerder klager bericht dat hij contact had opgenomen met R en dat hem een spoedige reactie was toegezegd. Bij e-mail d.d. 21 maart 2017 heeft klager bij verweerder geïnformeerd naar de stand van zaken. Bij e-mail van dezelfde dag heeft verweerder klager bericht dat hij de afgelopen week was gebeld door R, dat deze op een nadere reactie van verweerder aan het wachten was naar aanleiding van de door verweerder bestudeerde UWV-gegevens en dat verweerder die gegevens dus zou bestuderen.

2.10   Bij e-mail d.d. 1 mei 2017 heeft klager verweerder gevraagd waarom er plots interesse bestond in de UWV-gegevens. Op 17 mei 2017 heeft klager verweerder een rappel gestuurd. Op 28 mei 2017 heeft klager verweerder wederom een rappel gestuurd.

2.11   Bij e-mail d.d. 26 mei 2017 heeft R verweerder bericht dat een schikkingsvoorstel was gedaan aan klager om het dossier te kunnen sluiten, doch dat deze daarop niet had gereageerd en dat een psychiatrische rapportage niet zinvol leek.

2.12   Bij e-mail d.d. 29 mei 2017 heeft verweerder klager als volgt bericht:

          “Bijgaand treft u voor de goede orde aan de mail die ik 26 mei jl. van [R] ontving. Zoals u kunt lezen blijft [R] het standpunt innemen dat een expertise niet zinvol is. Ik stel voor dat ik [R] bericht dat een minnelijke regeling toch beter is dan het starten van een gerechtelijke procedure. Ik dien u ook te informeren over de risico’s van een lange procedure. Wellicht dat u nog een keer over een nieuw afwikkelingsvoorstel wilt nadenken? Wellicht kan ik u de nader te nemen stappen tijdens een bespreking uitleggen, alsmede de risico’s.”

2.13   Bij e-mail d.d. 6 juni 2017 heeft klager aan verweerder medegedeeld zich niet in de reactie van R te kunnen vinden en heeft hij gevraagd om een bespreking in te plannen.

2.14   Bij e-mail d.d. 10 juli 2017 heeft verweerder klager als volgt bericht:

          “Hierbij kom ik terug op onze bespreking te mijnen kantore van hedenochtend. Wij hebben uitvoerig gesproken over alle risico’s van gerechtelijke procedures en daarom heb ik met u een afwikkelingsvoorstel besproken. Bij dat voorstel is als uitgangspunt genomen een verlies aan arbeidsvermogen van €400,-- netto per maand vanaf 1 januari 2010 tot een uw 67e leeftijd (…). De verschenen schade bedraagt dan vanaf 1 januari 2010 t/m 2017 7 x 12 x € 400,00 = € 33.600,00. De toekomstige schade bedraagt dan 15,236 jaar (19 jaar gekapitaliseerd) x 12 x € 400,00 - € 73.000,00. De totale schade verlies aan arbeidsvermogen bedraagt dan € 110.000,00 (bij een maximale looptijd). Verder heb ik aangegeven dat het smartengeld (…) in Nederland bij whiplashzaken varieert van nagenoeg niets tot maximaal € 10.000,-€ 20.000,00. In het kader van een minnelijke regeling zou ik willen voorstellen om een aanbod te doen van € 75.000,00. Kunt u zich daarin vinden?”

2.15   Bij e-mail d.d. 10 juli 2017 heeft klager aan verweerder medegedeeld een voorstel van € 95.000,-- te willen doen. Diezelfde dag heeft klager een tweede e-mail aan verweerder gestuurd, waarin hij zijn twijfels heeft geuit over hetgeen was besproken ten aanzien van de hoogte van de vergoeding, dit naar aanleiding van informatie die hij had gevonden op internet. Bij e-mail d.d. 11 juli 2017 heeft verweerder aangegeven dat het door hem geformuleerde voorstel redelijk was en dat het klager vrij stond om, als hij geen vertrouwen had in verweerder, over te stappen naar een andere advocaat. Bij e-mail d.d. 11 juli 2017 heeft klager een aantal kanttekeningen geplaatst bij de door verweerder gemaakte berekening. Bij e-mail d.d. 12 juli 2017 heeft verweerder aan klager aangeboden om een beter onderbouwd regelingsvoorstel te maken en de concrete schade op het gebied van arbeidsvermogensschade zoveel mogelijk correct te benaderen. Verweerder heeft aangegeven daarvoor wel nadere informatie/gegevens van klager te willen ontvangen. Bij e-mail d.d. 13 september 2017 heeft verweerder aan klager een rappel gestuurd. Bij e-mail van diezelfde dag heeft klager verweerder bericht dat hij de gevraagde gegevens spoedig zou aanleveren. Bij e-mail d.d. 15 november 2017 heeft verweerder klager een rappel gestuurd. Bij e-mail d.d. 17 november 2017 heeft klager verweerder bericht dat hij binnen twee weken op de zaken zou terugkomen. Eind november hebben klager en verweerder een afspraak gemaakt voor een bespreking op 21 december 2017.

2.16   Bij e-mail d.d. 14 december 2017 heeft R aan verweerder medegedeeld dat zij het dossier zou sluiten vanwege het uitblijven van een reactie. Verweerder heeft dit e-mailbericht niet doorgestuurd aan klager. Verweerder heeft R diezelfde dag verzocht om een reactie van klager af te wachten.

2.17   Bij e-mail d.d. 21 december 2017 heeft klager verweerder als volgt bericht:

          “In goed onderling overleg zijn mijn vrouw en ik van mening dat, ondanks het feit dat we hiermee sterke concessies doen aan het toegebrachte letsel en hieruit voortvloeiende schade, dat de zaak definitief gesloten kan worden indien vanuit [R] een aanbod wordt gedaan van € 145.000,--. Indien [R] van mening is om hier via negatieve respons op te moeten reageren, zijn we helaas genoodzaakt om de volgende fase in te gaan. Ik zal hier t.z.t. inhoudelijk op terugkomen om de eventuele vervolgstappen met u te bespreken.”

2.18   Bij e-mail van 6 februari 2018 heeft verweerder aan klager medegedeeld dat hij het door klager genoemde bedrag van € 145.000,-- niet aan R kon voorleggen. Verweerder heeft voorts aan klager medegedeeld, dat hij bereid was om eenmalig aan R een voorstel te doen van € 75.000,-- en dat verweerder, indien dat voorstel niet werd geaccepteerd,  zijn werkzaamheden zou moeten beëindigen tenzij klager een voorschot van € 7.500,-- zou voldoen. Bij e-mail d.d. 17 februari 2018 heeft klager verweerder gevraagd om inderdaad een voorstel van € 75.000,-- te doen aan R, hetgeen verweerder bij e-mail d.d. 24 april 2018 heeft gedaan.

2.19   Bij e-mail d.d. 29 mei 2018 heeft R dat voorstel afgewezen en het voorstel van € 25.000,-- herhaald. Verweerder heeft dit e-mailbericht niet doorgestuurd aan klager. Bij e-mailbericht d.d. 28 augustus 2018 heeft verweerder klager gevraagd om te reageren op het e-mailbericht van R d.d. 29 mei 2018. Bij e-mail d.d. 31 augustus 2018 heeft klager verweerder bericht dat hij nog niet had gereageerd, omdat hij het e-mailbericht d.d. 29 mei 2018 nooit had ontvangen. Klager heeft voorts aangedrongen op een gesprek met verweerder. Bij e-mailbericht d.d. 28 oktober 2018 heeft klager verweerder verzocht om de behandeling van de zaak neer te leggen.

2.20   Op 2 november 2018 is klager op verweerders kantoor verschenen met het verzoek het dossier af te geven. Verweerder heeft dit geweigerd. Bij e-mail d.d. 2 november 2018 heeft verweerder klager gevraagd om de naam van de opvolgend belangenbehartiger aan wie hij het dossier zou kunnen overdragen.

2.21   Op 30 december 2018 heeft klager bij de deken een klacht ingediend tegen verweerder.

2.22   Bij e-mail d.d. 14 januari 2019 heeft verweerder aan klager medegedeeld dat hij uit klagers e-mail d.d. 28 oktober 2018 had afgeleid dat klager de samenwerking wenste te beëindigen, dat hij klager in overweging gaf om het voorstel van € 25.000,-- toch te accepteren en dat hij anders het dossier gereed zou maken om te worden opgehaald.

2.23   Op 18 juni 2019 heeft verweerder het dossier overhandigd aan klager.

 

3       KLACHT

3.1     De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij :

                                   

1.    kwalitatief geen goed werk heeft geleverd;

2.    niet, nauwelijks of te laat met klager heeft gecommuniceerd;

3.    zijn eigen financiële belang voorop heeft gesteld en klager de schuld heeft gegeven dat de zaak niet goed liep;

4.    heeft geweigerd klagers dossier zonder voorwaarden over te dragen;

5.    niet heeft gehandeld volgens de vijf kernwaarden van de advocatuur.

 

                          3.2     Toelichting

                 Verweerder heeft te lage berekeningen gemaakt van de geleden schade, heeft zijn dreigement om een klacht tegen R in te dienen bij het KIFID niet uitgevoerd, heeft deelgeschillen en mediation niet besproken, heeft klagers zaak om zeep geholpen en is onkundig. Verweerder heeft niet naar behoren gecommuniceerd over de van R ontvangen correspondentie, zoals de brief van R d.d. 29 mei 2018. Verweerder heeft klager de schuld gegeven van de sluiting van het dossier door R. Verweerder heeft als voorwaarde voor overdracht gesteld dat klager beschikt over een rechtsbijstandsverlener die zich tevens inzet voor het verkrijgen van betaling van zijn declaraties door R.

                          4        VERWEER

                          4.1     De klacht is in alle onderdelen ongegrond. Verweerder heeft klager naar behoren geadviseerd. Verweerder heeft klager geadviseerd om het aanbod van R te accepteren en heeft hem een gerechtelijke procedure afgeraden vanwege het proceskostenrisico en de geringe kans om het door klager gewenste schadebedrag in rechte te verkrijgen. Verweerder heeft klager er tevens op gewezen dat het laten opstellen van een deskundigenbericht een aanzienlijke investering met zich zou meebrengen. Klager en verweerder zaten niet op dezelfde golflengte. Klager heeft een irreëel schadebedrag voor ogen.

                          4.2     Verweerder erkent dat hij de e-mails van R van 14 december 2017 en 29 mei 2018 niet heeft doorgestuurd aan klager en biedt daarvoor zijn excuses aan. Voor het overige is van een onbehoorlijke communicatie geen sprake geweest.

                          4.3     Verweerder heeft geenszins zijn eigen financiële belang voorop gesteld, sterker, verweerder heeft langdurig werkzaamheden verricht in klagers dossier terwijl niet zeker was of daar wel betaling tegenover zou staan.

                          4.4     Het dossier is, na consultatie van de deken, op 18 juni 2019 overgedragen.

 

                          5        BEOORDELING

5.1     De klacht heeft betrekking op de kwaliteit van de dienstverlening van verweerder. De tuchtrechter heeft gezien het bepaalde in art. 46 Advocatenwet mede tot taak de kwaliteit van de dienstverlening aan een cliënt te beoordelen indien deze daarover klaagt. Wel zal de tuchtrechter rekening hebben te houden met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes -zoals over procesrisico en kostenrisico - waarvoor de advocaat bij de behandeling van de zaak kan komen te staan. De vrijheid die de advocaat dienaangaande heeft is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Tot die professionele standaard behoren het inschatten van de slagingskans van een aanhangig te maken procedure en het informeren van de cliënt daarover. De cliënt dient door de advocaat te worden gewezen op de proceskansen en het kostenrisico in zijn zaak. Voorts dienen processtukken te voldoen aan de redelijkerwijs daaraan te stellen eisen. De raad zal de klacht aan de hand van deze maatstaven beoordelen.

 

5.2     Klachtonderdelen 1 en 2

 

          De klachtonderdelen 1 en 2 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. De raad stelt voorop dat een advocaat gehouden is een hem verleende opdracht, alsmede de daarvoor geldende voorwaarden schriftelijk te bevestigen. De achtergrond daarvan is dat onduidelijkheden en misverstanden over wat er tussen advocaat en cliënt is afgesproken zoveel mogelijk dienen te worden voorkomen. Voorts heeft te gelden dat de advocaat belangrijke afspraken, gezamenlijk genomen beslissingen en soms ook een gegeven advies of informatie, schriftelijk dient te vast te leggen. Indien de advocaat dit verzuimt, komt het bewijsrisico daaromtrent op hem te rusten. Dat verweerder aan klager een opdrachtbevestiging heeft gestuurd, waarin hij de aan hem verschafte opdracht bevestigt en zijn analyse van de sterke en zwakke punten van de zaak van klager gaf is niet gebleken. Uit de aan de raad overgelegde stukken blijkt slechts dat verweerder in algemene termen heeft gerefereerd aan de mogelijke risico’s van procederen. Een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat had in een zaak als deze echter een concrete analyse van de sterke en zwakke punten van de zaak en een plan van aanpak gemaakt en deze met zijn cliënt besproken. Daarna had hij één en ander schriftelijk of per e-mail aan zijn cliënt bevestigd. Nu verweerder dit niet heeft gedaan, is niet komen vast staan dat hij klager voldoende over de goede en kwade kansen heeft voorgelicht, respectievelijk geadviseerd.

 

5.3     Verweerder heeft voorts erkend dat hij de e-mailberichten van R d.d. 14 december 2017 en 29 mei 2018 niet onverwijld heeft doorgestuurd aan klager. Ook dat is onzorgvuldig en tuchtrechtelijk verwijtbaar. De raad zal de klachtonderdelen 1 en 2 op grond van het voorgaande gegrond verklaren.

 

5.4    Klachtonderdelen 3 en 5

De verwijten dat verweerder zijn eigen financiële belang voorop heeft gesteld, klager de schuld heeft gegeven en niet heeft gehandeld volgens de vijf kernwaarden van de advocatuur zijn op geen enkele wijze met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd. Nu de feitelijke grondslag voor deze klachtonderdelen 3 en 5 ontbreekt zullen deze klachtonderdelen ongegrond worden verklaard.

 

5.5    Klachtonderdeel 4

De raad is gebleken dat verweerder het dossier op 18 juni 2019 aan klager heeft overhandigd. De raad is van oordeel dat het door klager aan verweerder verweten handelen van onvoldoende gewicht is om verweerder een tuchtrechtelijk verwijt te maken. Ook klachtonderdeel 4 is derhalve ongegrond.

 

  6       MAATREGEL

 

  6.1     Verweerder heeft klager onvoldoende geadviseerd en onvoldoende geïnformeerd over de voortgang van de zaak. Dat is een wezenlijke tekortkoming in de kwaliteit van de dienstverlening van verweerder. De raad acht een waarschuwing een passende maatregel.

  7       GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

 

  7.1     Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e, vijfde lid, Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50 aan hem vergoeden.

 

  7.2     Nu de raad een maatregel oplegt, zal  de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

           a) € 50 reiskosten van klager,

           b) € 750  kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

           c)  € 500 kosten van de Staat.

 

7.3     Verweerder moet het bedrag van € 50 reiskosten binnen vier weken  nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden betalen aan klager. Klager geeft tijdig een rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

 

  7.4     Verweerder moet het bedrag van € 750 binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer IBAN:NL85 INGB 0000 079000, BIC:INGBNL2A, t.n.v. Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline” en het zaaknummer.

 

7.5     Verweerder moet het bedrag van € 500 binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer NL 05 INGB 0705 003981 t.n.v. Ministerie van Justitie en Veiligheid, onder vermelding van “Tuchtrechtelijke kostenveroordeling advocatuur, DGRR” en het zaaknummer.

 

 

 

BESLISSING

 

De raad van discipline:

 

- verklaart de klachtonderdelen 1 en 2  gegrond;

 

- verklaart de klachtonderdelen 3, 4 en 5 ongegrond;

 

- legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;

 

- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van EUR 50 aan klager;

 

- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten  van € 50 aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;

 

- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 750 aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4;

 

- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 500 aan de Staat, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.5.

 

 

 

 

 

 

Aldus beslist door mr. S.H.L. Baggel, mrs. L.R.G.M. Spronken en mr. L.J.G. de Haas, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber - Van de Langenberg, als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 30 december 2019.

 

 

Griffier                                                                                   Voorzitter