Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

07-12-2020

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2020:108

Zaaknummer

20-342/DB/LI

Inhoudsindicatie

Klachtzaak tussen twee advocaten, waarbij de ene advocaat de andere advocaat beschuldigt van leugens in een eerdere klachtzaak tussen die advocaten. De opmerking diende geen doel in de aanhangige zaak en was enkel gericht op de persoon van de andere advocaat. Klacht is gegrond. Opmerking is gedaan zonder aanwezigheid van derden en mede gelet op de jarenlange animositeit tussen de advocaten over en weer niet van dusdanig gewicht dat het opleggen van een maatregel geboden is.

Inhoudsindicatie

Klacht gegrond, geen maatregel, geen kostenveroordeling

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch

van 7 december 2020

in de zaak 20-342/DB/LI

 

naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

over:

verweerder

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 19 september 2020 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 8 mei 2020 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K20-048 van de deken ontvangen.

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 26 oktober 2020. Daarbij was verweerder aanwezig. Klager heeft de raad op 19 oktober 2020 telefonisch bericht vanwege persoonlijke omstandigheden niet ter zitting te zullen verschijnen. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.

 

2    FEITEN

2.1    Klager heeft op 17 september 2019 een klacht ingediend tegen verweerder. Op 3 juni 2019 heeft de mondelinge behandeling van het hoger beroep in die klachtzaak bij het Hof van Discipline plaatsgevonden. In het Proces-verbaal van voormelde zitting staat onder meer het volgende: : “Punt 6. Klager zit te liegen bij uw hof dus diende ik weer een klacht in. “

 

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende.

verweerder heeft zich nodeloos gerievend over klager uitgelaten door tijdens de zitting van het Hof van Discipline van 3 juni 2019 het volgende op te merken: “Klager zit te liegen bij uw hof dus diende ik weer een klacht in”

Klager heeft ter toelichting op zijn klacht onder meer het volgende naar voren gebracht.

3.2    Klager heeft gelet op de beslissing van het Hof van Discipline van 11 juli 2016 op juiste gronden en met de juiste informatie een toevoeging aangevraagd ten behoeve van zijn werkzaamheden in een tuchtrechtelijke procedure tegen verweerder.

3.3    Het Hof van Discipline heeft bij beslissing van 11 juli 2019 de klachten tegen verweerder gegrond verklaard en aan verweerder een berisping opgelegd.

 

4    VERWEER

4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

5    BEOORDELING

5.1    Tussen klager en verweerder zijn voorheen over en weer meerdere klachten ingediend. Verweerder heeft ter zitting van de raad aanvankelijk verklaard dat hij tijdens de zitting van 3 juni 2019 bij het Hof van Discipline had gezegd dat klager bij de Raad voor Rechtsbijstand had zitten liegen en niet bij het Hof van Discipline. Later verklaarde verweerder dat het kan zijn dat hij heeft gezegd dat klager bij het Hof van Discipline heeft gelogen. Wat hiervan ook zij, de klacht heeft betrekking op het feit dat verweerder tijdens de zitting van 3 juni 2019 heeft gezegd dat klager heeft gelogen. Vast staat dat de opmerking van verweerder over de vermeende leugens van klager betrekking had op een andere klachtzaak dan de zaak die op dat moment bij het Hof van Discipline in behandeling was.

5.2    Ingevolge het bepaalde in gedragsregel 24 mag van een behoorlijk handelend advocaat worden verwacht dat hij zich in het belangen van de rechtszoekenden en van de advocatuur in het algemeen streeft naar een onderlinge verhouding die berust op welwillendheid en vertrouwen. In dat kader past het een advocaat, wat er ook moge zijn van de juistheid van zijn stelling, niet om ten overstaan van de tuchtrechter te verklaren dat de advocaat die tegen hem een klacht heeft ingediend in een andere tuchtrechtelijke procedure tussen klager en verweerder, die geen enkel verband houdt met de op dat moment in behandeling zijnde klachtzaak, heeft gelogen. De opmerking diende geen enkel doel bij de behandeling van de aan de orde zijnde klachtzaak en was louter op de persoon van klager gericht, wat verweerder tuchtrechtelijk valt aan te rekenen. De raad zal de klacht daarom gegrond verklaren.

 

6    MAATREGEL

6.1    Klager en verweerder hebben over en weer herhaaldelijk klachten tegen elkaar ingediend, welke ter beoordeling aan de tuchtrechter zijn voorgelegd. Naar het oordeel van de raad is de gegrond verklaarde klacht die betrekking heeft op een opmerking van verweerder over klager, zonder aanwezigheid van derden, mede gelet op de jarenlange animositeit tussen klager en verweerder over en weer niet van dusdanig gewicht dat het opleggen van een maatregel geboden is.

 

7    GRIFFIERECHT

7.1    Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde  griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht gegrond;

-    bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;

 

Aldus beslist door mr. R.M.M. van den Heuvel, voorzitter, mrs. R. van den Dungen en H.C.M. Schaeken, leden, bijgestaan door mr. I.J.M. Huysmans-van Opstal, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 december 2020.

     

Griffier    Voorzitter