Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

05-10-2020

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2020:77

Zaaknummer

20-002/DB/ZWB

Inhoudsindicatie

Klacht tegen eigen advocaat over de kwaliteit van het gegeven advies en de dienstverlening. Klacht deels niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de artikel 46g lid 1 sub a Advocatenwet genoemde termijn. Dat verweerster klager heeft bijgestaan in een kansloze beslagzaak en kwalitatief geen goed werk heeft geleverd is niet gebleken, noch dat zij excessief heeft gedeclareerd.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch

van 5 oktober 2020

in de zaak 20-002/DB/ZWB

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerster

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 27 december 2018 heeft klagers gemachtigde namens klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.

1.2    Op 2 januari 2020 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K19-011 van de deken ontvangen.

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 24 augustus 2020. Daarbij waren klager, klagers gemachtigde en verweerster aanwezig.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 13 alsook van de nagekomen e-mail met bijlage van verweerster van 1 juni 2020.

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    Klager drijft een onderneming in de handel van oldtimers. Klager en mevrouw K, hierna: “de vrouw”, zijn op 16 maart 2005 een geregistreerd partnerschap aangegaan. Klager heeft zich in 2013 gewend tot mr. MH, die klager heeft bijgestaan in een procedure rondom de ontbinding van het geregistreerd partnerschap. Klager heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank d.d. 3 april 2014 waarbij de ontbinding van het geregistreerd partnerschap is uitgesproken omdat hij zich niet kon verenigen met de wijze van afwikkeling van de vermogensrechtelijke partnerschapsvoorwaarden.

2.3    Bij beschikking van 18 juni 2015 heeft het Gerechtshof geoordeeld dat klager aan de vrouw een bedrag van € 25.000,-- verschuldigd is en bij beschikking van 29 oktober 2015 heeft het Gerechtshof bepaald dat de vordering van klager op de vrouw kan worden verrekend met de tegenvordering van de vrouw op klager ten bedrage van € 25.000,--.

2.4    Tussen klager en de vrouw was onder meer een geschil ontstaan over de afgifte van de administratie, waaronder de kentekenpapieren van 80 auto’s die op naam van klager stonden. De vrouw had geweigerd de kentekenbewijzen aan klager af te geven, waardoor klager de voertuigen niet kon schorsen. De RDW had voorts boetes aan klager opgelegd omdat niet was voldaan aan de verplichting tot verzekering en de voertuigen tijdig APK te laten keuren. Klager wilde de hieruit voortvloeiende schade op de vrouw verhalen.

2.5    In december 2015 heeft mr. MH klager voor rechtsbijstand in het geschil over de afgifte van de administratie verwezen naar verweerster. Verweerster is klager vanaf 7 december 2015 gaan bijstaan. Verweerster heeft op 8 december 2015 een opdrachtbevestiging aan klager gestuurd.

2.6    Op 18 december 2015 heeft verweerster namens klager een beslagrekest ingediend bij de rechtbank, waarbij verlof is verzocht voor het leggen van conservatoir derdenbeslag uit hoofde van twee vorderingen: een vordering ten bedrage van € 31.000,-- uit hoofde van een beschikking van het Hof over de verdeling van het saldo van een bankrekening en een vordering ten bedrage van € 195.000,-- ter zake de door klager geleden schade ten gevolge van de weigering tot afgifte van de administratie. De voorzieningenrechter heeft het door verweerster namens klager verzochte beslag voor een bedrag van € 31.000,-- en uiteindelijk ook voor een bedrag van € 195.000,-- toegewezen.

2.7    Op 21 december 2015 heeft de deurwaarder namens klager ten laste van de vrouw onder de notaris conservatoir derdenbeslag gelegd op de verkoopopbrengst van de onverdeelde helft van de echtelijke woning die aan de vrouw toebehoorde.

2.8    De vrouw heeft op 23 december 2015 een kort geding tot opheffing van dit beslag aanhangig gemaakt. Op 24 december 2015 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij klager is bijgestaan door mr. H, een kantoorgenoot van verweerster. De vrouw is bij vonnis d.d. 28 december 2015 in het gelijk gesteld door de voorzieningenrechter, die het beslag heeft opgeheven.

2.9    Verweerster heeft voor de door haar verrichte werkzaamheden op 5 januari 2016 een factuur gestuurd ten bedrage van € 8.751,66 (inclusief BTW). Klager heeft deze factuur voldaan. Verweerster heeft vervolgens op 9 februari 2016 een factuur ten bedrage van € 1.252,87 (inclusief BTW) en op 7 maart 2016 een factuur ten bedrage van € 56,43 (inclusief BTW) voldaan. Klager heeft deze twee facturen onbetaalde gelaten.

2.10    Verweerster heeft een incassoprocedure tegen klager aanhangig gemaakt. Bij verstekvonnis d.d. 30 augustus 2017 is verweersters vordering toegewezen. Op 29 november 2018 heeft klagers gemachtigde verzet ingesteld. In verzet heeft klager alsnog verweer gevoerd tegen verweersters vordering en heeft hij zich op het standpunt gesteld dat zijdens verweerster sprake was van wanprestatie en onrechtmatig handelen. Voorts heeft klager in reconventie terugbetaling gevorderd van de door hem betaalde factuur ter hoogte van € 8.751,66 op grond van wanprestatie en onrechtmatig handelen zijdens verweerster. Bij vonnis d.d. 24 juli 2019 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant verweersters vordering toegewezen en klagers tegenvordering afgewezen.

2.11    Op 27 december 2018 heeft klagers gemachtigde namens klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant een klacht ingediend over verweerster.

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende.

1.    Verweerster heeft voorafgaand aan de rechtsbijstand geen deugdelijke inschatting gemaakt van de kansen en risico’s;

2.    Verweerster heeft voorafgaand aan de rechtsbijstand geen deugdelijke begroting gemaakt;

3.    Verweerster heeft klager bijgestaan in een kansloze beslagzaak en heeft kwalitatief geen goed werk geleverd;

4.    Verweerster heeft excessief gedeclareerd.

4    VERWEER

4.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING

5.1    De raad stelt voorop dat de klacht gaat over de dienstverlening door de (eigen) advocaat van klager. Gezien het bepaalde bij artikel 46 Advocatenwet heeft de tuchtrechter mede tot taak de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen indien daarover wordt geklaagd. Bij de beoordeling van de kwaliteit van de dienstverlening moet rekening worden gehouden met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes - zoals over procesrisico en kostenrisico - waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar worden begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht (vergelijk Hof van Discipline 5 februari 2018 ECLI:NL:TAHVD:2018:32). De raad zal de genoemde klachtonderdelen hierna aan de hand van deze maatstaf beoordelen. Daarbij wordt opgemerkt dat binnen de beroepsgroep voor wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden. De raad toetst daarom of verweerster heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht.

5.2    Klachtonderdelen 1 en 2

De klachtonderdelen 1 en 2 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. De raad overweegt dat ingevolge het bepaalde in artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet een klacht niet-ontvankelijk wordt verklaard indien het klaagschrift wordt ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop de klager heeft kennis genomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het nalaten of handelen van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft.

5.3    De klachtonderdelen 1 en 2 zien op verweersters advisering bij aanvang van haar bijstand aan klager. Vast staat de verweersters rechtsbijstand is aangevangen op 7 december 2015 en dat zij de opdracht op 8 december 2015 schriftelijk aan klager heeft bevestigd. Klager heeft zich bij webformulier van 27 december 2018 met een klacht over verweerster tot de deken gewend, zodat de klacht, voor zover deze ziet op verweersters optreden van vóór 27 december 2015, op grond van artikel 46 g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege het verstrijken van de in voormeld artikel bedoelde verjaringstermijn. Dat klager niet eerder bij de deken een klacht kon indienen acht de voorzitter niet aannemelijk.

5.4    Zelfs als klager zou moeten worden gevolgd in zijn ter zitting van de raad geponeerde stelling dat het door de vrouw aanhangig gemaakte opheffingskort geding noopte tot  het maken van een nieuwe begroting van de kosten en een nieuwe inschatting van kansen en risico’s moet de klacht op grond van artikel 46 g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege het verstrijken van de in voormeld artikel bedoelde verjaringstermijn. Immers, klager heeft de kort geding dagvaarding ontvangen op 22 december 2015 voor de mondelinge behandeling van die zaak op 24 december 2015, terwijl klager eerst op 27 december 2018 en derhalve na het verstrijken van genoemde periode van drie jaar heeft geklaagd.

5.5    De raad zal de klachtonderdelen 1 en 2 op grond van het voorgaande niet-ontvankelijk verklaren.

5.6    Klachtonderdeel 3   

    Klager heeft gesteld dat hem duidelijk werd dat hij een kansloze procedure had gevoerd toen het beslag door de voorzieningenrechter werd opgeheven. Klager heeft binnen de in artikel 46g lid 1 en sub a Advocatenwet genoemde termijn van drie jaar geklaagd, nu het kort geding vonnis dateert van 28 december 2015 en klagers gemachtigde de klacht bij de deken heeft ingediend op 27 december 2018. Klager kan derhalve wel worden ontvangen in dit onderdeel van de klacht.

5.7    Uit de klacht blijkt dat klager teleurgesteld is over de uitkomst van de procedure waarin verweerster hem heeft bijgestaan. Dat betekent echter niet dat verweerster automatisch tuchtrechtelijk kan worden verweten dat zij klager niet naar behoren heeft bijgestaan. In het algemeen moet overigens worden opgemerkt dat veelal meerdere juridische benaderingen mogelijk zijn, en dat het niet aan de raad is om te beoordelen of het ene alternatief beter is dan het andere, zolang de advocaat bij het maken van zijn keuzes maar blijft binnen hetgeen van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat mag worden verwacht.

5.8    De raad is voorts van oordeel dat niet is gebleken dat verweerster klager heeft bijgestaan in een kansloze procedure. In het kort geding vonnis d.d. 28 december 2015 heeft de voorzieningenrechter een belangenafweging gemaakt en heeft in die afweging het belang van de vrouw, om met de kinderen per 30 december 2015 de door haar aangekochte woning te kunnen afnemen, laten prevaleren boven klagers belang om zijn rechten zeker te stellen middels beslaglegging. Dat de belangenafweging in het voordeel van de vrouw is uitgevallen kan verweerster niet worden verweten.

5.9    Anders dan klager ter zitting van de raad heeft gesteld, had naar het oordeel van de raad evenmin kunnen worden voorzien dat de belangenafweging in het voordeel van de vrouw zou uitvallen. Waar klager blijkens de ter zitting in kort geding voorgedragen pleitnota zelf heeft gesteld dat de vrouw een huurwoning zou betrekken en heeft betwist dat de vrouw een woning had aangekocht, valt niet in te zien op grond waarvan de procedure waarin verweerster klager heeft bijgestaan op voorhand kansloos zou zijn en voorzienbaar in het voordeel van de vrouw zou uitpakken.

5.10    Voor zover de klacht ziet op de wijze waarop tijdens de zitting in kort geding namens klager verweer is gevoerd overweegt de raad dat de klacht gericht is tegen de verkeerde advocaat, nu klager tijdens die zitting niet is bijgestaan door verweerster, maar door haar kantoorgenoot mr. H.

5.11    De raad is op grond van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht van oordeel dat de procesvoering zoals geschetst, niet getuigt van een kwaliteit van dienstverlening die onder de maat blijft van wat van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat mag worden verwacht. Klachtonderdeel 3 is op grond van het voorgaande ongegrond.    

5.12    Klachtonderdeel 4

De raad is van oordeel dat klager het klachtonderdeel, dat verweerster excessief heeft gedeclareerd, onvoldoende heeft onderbouwd. De raad neemt daarbij in aanmerking de gemotiveerde toelichting van verweerster ter zake het procesverloop van de beslaglegging, de overgelegde urenspecificaties en het feit dat verweerster haar werkzaamheden in rekening heeft gebracht op basis van het in de opdrachtbevestiging vastgelegde en in de advocatuur niet ongebruikelijke uurtarief. Het lag daarbij op de weg van klager om onderbouwd te stellen welke werkzaamheden volgens hem te veel en/of tegen een te hoog bedrag zijn gedeclareerd. Nu klager dit heeft nagelaten kan de raad niet vaststellen dat sprake is van excessief declareren. Het enkele feit dat klager teleurgesteld is over de uitkomst van de procedure waarin verweerster hem heeft bijgestaan, maakt niet automatisch dat verweerster excessief heeft gedeclareerd. Dit klachtonderdeel is derhalve eveneens ongegrond.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klachtonderdelen 1 en 2 met toepassing van artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet niet-ontvankelijk;

-    verklaart de klachtonderdelen 3 en 4 ongegrond.

Aldus beslist door mr. S.H.L. Baggel, voorzitter, mrs. S.A.R. Lely en W.H.N.C. van Beek, leden, bijgestaan door mr.  T.H.G. Huber – van de Langenberg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2020.

Verzonden op:  5 oktober 2020