Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

07-09-2020

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2020:181

Zaaknummer

200064

Inhoudsindicatie

Herstelbeslissing. Klacht over eigen advocaat. Raad heeft de klacht in alle onderdelen ongegrond verklaard. Het hof verklaart de klacht alsnog gedeeltelijk gegrond. Verweerder heeft geen duidelijkheid verschaft over de vraag of er nog een advocaat-cliënt verhouding was, hij heeft geen uitvoering gegeven aan de opdracht een advies op te stellen over de kans van slagen en de juridische positie en hij heeft in plaats daarvan zonder voorafgaande analyse op tamelijk ongerichte wijze werkzaamheden verricht en hij is de gedane toezegging een sommatie te verzenden, zonder nadere uitleg, niet nagekomen. Ook heeft verweerder de belangen van zijn cliënt laten behartigen door een advocaat die opkomt voor een partij met een tegengesteld belang, waarvan verweerder van meet af aan op de hoogte was. De kernwaarden deskundigheid en partijdigheid zijn geschonden. Het hof legt aan verweerder de maatregel van berisping op.

Uitspraak

BESLISSING                 

Herstelbeslissing

van 7 september 2020

in de zaak 200064

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klager

tegen:

 

verweerder

1    DE BESLISSING WAARVAN HERSTEL

Het hof heeft in zijn beslissing van 28 augustus 2020 de uitspraak van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch van 3 februari 2020, gewezen onder nummer 19-727/DB/ZWB, vernietigd, en opnieuw recht doende, de klachtonderdelen 1, 2, 3 en 5 alsnog gegrond en klachtonderdeel 4 ongegrond verklaard. Verder heeft het hof bij deze beslissing aan verweerder de maatregel van berisping opgelegd en hem veroordeeld in de kosten.

 

2    HET HERSTEL

Uit de overwegingen in de beslissing van het hof volgt dat de klachtonderdelen 1, 3, 4 en 5 alsnog gegrond verklaard dienen te worden en dat klachtonderdeel 2 ongegrond is.

Abusievelijk heeft het hof in het dictum onder “BESLISSING” opgenomen:

“(…) - verklaart de klachtonderdelen 1, 2, 3 en 5 alsnog gegrond en klachtonderdeel 4 ongegrond; (…)”.   

Het hof zal deze kennelijke fout in het dictum herstellen op de hierna te vermelden wijze.

 

    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

herstelt voornoemde beslissing van 28 augustus 2020, gewezen onder nummer

19-727/DB/ZWB, in die zin dat het dictum van die beslissing luidt:

 “Het Hof van Discipline:

- vernietigt de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch van 3 februari 2020, gewezen onder nummer 19-727/DB/ZWB;

en doet opnieuw recht:

- verklaart de klachtonderdelen 1, 3, 4 en 5 alsnog gegrond en klachtonderdeel 2 ongegrond;

- legt aan verweerder de maatregel van berisping op;

- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;

- veroordeelt verweerder tot betaling van reiskosten van € 50,- aan klager;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in hoger beroep van € 750,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in hoger beroep van € 750,- aan de Staat, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

Aldus gewezen door mr. T. Zuidema, voorzitter, en mrs. W.F. Boele en G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J.M. Lauvenberg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 september 2020.

griffier                        voorzitter            

De beslissing is verzonden op 7 september 2020.