Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

31-08-2020

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2020:169

Zaaknummer

190292

Inhoudsindicatie

Bekrachtiging beslissing raad. Klacht dat de advocaat klager het lijntje heeft gehouden en te weinig heeft gedaan ongegrond.

Uitspraak

BESLISSING

van 31 augustus 2020

in de zaak 190292

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klager

tegen:

verweerder

 

1        DE PROCEDURE BIJ DE RAAD

1.1        Het hof verwijst naar de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (verder: de raad) van 21 oktober 2019 in de zaak met nummer 18-951, op deze datum aan partijen toegezonden. De raad heeft de beide klachtonderdelen ongegrond verklaard.

1.2        De beslissing is gepubliceerd op tuchtrecht.nl als ECLI:NL:TADRARL:2019:178.

 

2        DE PROCEDURE BIJ HET HOF

2.1        Het beroepschrift van klager is op 20 november 2019 ter griffie van het hof ontvangen. Het hof heeft voorts kennis genomen van:

-          de stukken van de eerste aanleg;

-        het verweerschrift van verweerder van 4 januari 2020;

-        de repliek van klager van 20 mei 2020;

-        de dupliek van verweerder van 22 juni 2020.

2.2        Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke afhandeling door het hof van deze zaak. In verband daarmee zijn partijen in de gelegenheid gesteld om te repliceren en te dupliceren, hetgeen zij blijkens het voorgaande hebben gedaan. Het hof heeft de zaak in raadkamer behandeld.

 

3        KLACHT

3.1        De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog van belang, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

a)            verweerder klager sinds september 2016 aan het lijntje heeft gehouden door zijn werkzaamheden uit te stellen en de diverse geplande besprekingen te

verplaatsen c.q. af te zeggen onder meer vanwege ziekte;

b)            één of meerdere toevoegingen aan te vragen en klager daarvoor een eigen bijdrage te laten betalen, terwijl daar geen (inhoudelijke) werkzaamheden tegenover hebben gestaan. 

 

4        FEITEN

Het volgende is komen vast te staan:

4.1        Klager heeft in maart 2015 problemen gekregen met de [naam bank] (hierna: de Bank) over de financiering van een hem in eigendom toebehorende woning. De Bank stelde zich op het standpunt dat klager ten tijde van de aanvraag en het passeren van een hypothecaire geldlening verzwegen had dat hij uit hoofde van ander onroerend goed nog andere financiële verplichtingen had en een bepaald pand zonder toestemming van de Bank had verhuurd, waarna de bank de overeenkomst van hypothecaire geldlening had opgezegd en klager had gesommeerd het geleende bedrag terug te betalen. Voorts dreigde de bank met executoriale verkoop indien klager niet met onderhandse verkoop zou instemmen. Op 23 maart 2016 heeft de Bank aangifte gedaan tegen klager van hypotheekfraude. In verband hiermee werd klager ook bij de BKR geregistreerd.

4.2           Op 5 april 2016 is klager voor deze kwestie door het juridisch loket naar verweerder verwezen. Op 23 mei 2016 heeft verweerder voor klager een toevoeging aangevraagd, die toegewezen is op 14 juni 2016 onder kenmerk [kenmerk] ter zake “verweer verkoop woning”.

4.3        Getracht is in onderling overleg tot een oplossing te komen met de bank, onder andere via een herfinanciering. Op 12 augustus 2016 is klager de executoriale verkoop van de woning aangezegd op een veiling van 14 oktober 2016. Verweerder heeft hierop namens klager in kort geding onder meer staking van de executie door de Bank gevorderd. Bij vonnis van 12 oktober 2016 zijn de vorderingen afgewezen De toevoeging met kenmerk [kenmerk] is hierna door verweerder gedeclareerd.

4.4        De Bank heeft de woning van klager executoriaal verkocht. Er resteerde een restschuld van ruim € 67.000,-. In november en december 2016 heeft klager getracht met verweerder een afspraak te maken voor een bespreking. Op 21 december 2016 heeft klager verweerder het volgende geschreven:

“Kunt u ALSTUBLIEFT met de nadruk op alstublieft ook toevoegingen aanvragen met de zaak tegen de [naam bank] en de fraudemelding hoe moeilijk het ook is? BVD”

4.5        Op 10 of 11 januari 2017 heeft verweerder onder kenmerk [kenmerk 2] ter zake “aansprakelijkheid/fraude” een toevoeging aangevraagd. De aanvraag is bij beslissing van 8 maart 2017 door de Raad voor Rechtsbijstand afgewezen. Bij brief van 18 april 2017 heeft verweerder namens klager bezwaar gemaakt tegen de afwijzing, waarna bij beslissing van 21 juni 2017 een LAT toevoeging is afgegeven.

4.6        Op 10 of 11 januari 2017 heeft verweerder onder kenmerk [kenmerk 3] ter zake “een bodemprocedure tegen de [naam bank]” een toevoeging aangevraagd. De aanvraag is bij beslissing van 8 maart 2017 door de Raad voor Rechtsbijstand afgewezen. Bij brief van 18 april 2017 heeft verweerder namens klager bezwaar gemaakt tegen afwijzing, waarna de toevoeging alsnog bij beslissing van 31 mei 2017 is verstrekt.

4.7            Per e-mail van 21 juli 2017 heeft klager aan verweerder onder meer het volgende geschreven:

“Ik sta geregistreerd als fraudepleger en kan daardoor geen herfinanciering krijgen. Daardoor heeft de [naam bank] mijn uitweg geblokkeerd en is mijn huis geveild terwijl herfinanciering wel mogelijk was volgens […].

Nu loop ik het risico dat ook mijn andere huizen geveild gaan worden. Ik wil alles herfinancieren maar dat kan nu niet kan, daarom is er nood dus daarom ook een kort geding.”

4.8        Per e-mail van 10 augustus 2017 heeft verweerder klager als volgt bericht:

“Dank voor al je geduld en begrip.

Ik herhaal ook: er is geen haast en er is ene downside.. maar je weet het zker: je geeft mij opdracht om de [naam bank] in rechte te betrekken om de registratie er af te krijgen.

Dat is een concreet doel, niet op geld waardeerbaar, nadeel is: [naam bank] gaat roepen A: we moeten ten opzichte van alle andere banken en de overheid en B: de arbeidsrelatie waarop we destijds zijn afgegaan was fake!

Ik herhaal: degene die voor of met jou de grootste fout heeft gemaakt is [...] de adviseurs die wisten van 4  hypoo’s, mara die gaan roepen [klager] was er zelf toch bij? Het is allemaal zijn eigen schuld.

Kortom: moeilijk .. maar jij weet t zeker: we gaan de [naam bank] aanpakken.

[…] Ik schrijf de dagvaarding vandaag! […]

Op diezelfde dag heeft klager verweerder laten weten:

“Precies zo [verweerder], helemaal mee eens en gewoon doen.”

4.9        Per e-mail van 15 augustus 2017 heeft verweerder aan klager geschreven:

“Ik help je graag en we spraken af dat ik kostte wat het kost een kort geding tegen de [naam bank] zou opstarten.. Maar nu aarzel ik toch weer, want ik vrees dat we gaan verliezen en dat jij erop achteruit zult gaan, terwijl je momenteel zo goed bezig bent en rust hebt. “

4.10         Per e-mail van 18 september 2017 heeft klager verweerder aansprakelijk gesteld. Op 20 september 2017 heeft verweerder klager een concept dagvaarding voor een bodemzaak tegen de Bank ter beoordeling toegezonden vergezeld van een door hem opgestelde notitie waarin opnieuw op de risico’s van de procedure wordt gewezen. Op 27 september 2017 heeft klager bij verweerder zijn dossier opgehaald en zijn relatie met verweerder beëindigd.

 

5        BEOORDELING

5.1        De raad heeft met betrekking tot klachtonderdeel a) overwogen dat verweerder kort na het verloren kort geding twee nieuwe toevoegingen voor klager heeft aangevraagd en het nodige heeft gedaan om die toevoegingen te verkrijgen, waarbij het begrijpelijk is dat verweerder niet zonder toevoeging voor klager wilde procederen. Dat het vervolgens nog geruime tijd heeft geduurd voordat verweerder klager de concept dagvaarding heeft gezonden kan niet los worden gezien van de persoonlijke omstandigheden van verweerder in die periode, waarvoor klager ook begrip heeft getoond. Mede gelet op die omstandigheden acht de raad het tijdsverloop niet zodanig lang dat verweerder daarvan een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Met betrekking tot klachtonderdeel b) heeft de raad overwogen dat klager op de hoogte was van de stand van zaken voor wat betreft de toevoegingsaanvragen, dat het dagvaarden van de Bank voor klager prioriteit had en dat verweerder zich hierop heeft toegelegd. Door beëindiging van de relatie met verweerder kort na toezending van de concept dagvaarding heeft klager het verweerder onmogelijk gemaakt nog werkzaamheden in de andere kwestie(s) te verrichten, aldus de raad.

5.2        De voorzitter van de raad heeft partijen ter zitting de samenvatting van de klacht voorgehouden, zoals deze door de deken was geformuleerd en klager heeft daarmee ingestemd. Voor zover klager in hoger beroep nieuwe en andere klachten heeft geformuleerd dan de door de raad behandelde klachten, kunnen deze door het hof niet in behandeling worden genomen. Voor zover het hoger beroep de door de raad beoordeelde klachten betreft, heeft klager – kort weergegeven – aangevoerd dat verweerder zijn belangen heeft geschaad door pas in januari 2017 toevoegingen aan te vragen, die pas eind mei werden verkregen. Klager had al op 30 september 2016 op advies van verweerder een verwijzing van het Juridisch Loket voor het frauderegister verkregen. Verweerder heeft daar niets mee gedaan, er was geen enkel gaatje in zijn agenda om het te bespreken. Bij eerder procederen had verweerder de veiling van het huis van klager tegen kunnen houden. Steeds werd het uitgesteld om diverse redenen en als er dan iets was afgesproken aarzelde verweerder over het starten van een procedure. Als verweerder niets zag in de zaak had hij deze niet moeten aannemen. Tot slot heeft klager nog aangevoerd dat verweerder niet heeft aangetoond dat hij inhoudelijke werkzaamheden heeft verricht.

5.3        Het hof overweegt als volgt. Nadat klager zich in maart 2016 tot verweerder heeft gewend, is verweerder hem gaan bijstaan waarvoor een toevoeging is aangevraagd en verkregen. Uit het kort geding vonnis van 12 oktober 2016 en de door klager overgelegde bescheiden blijkt dat er veelvuldig is gecorrespondeerd met de Bank. Uiteindelijk heeft de Bank executie van de woning van klager aangezegd, wat vergeefs geprobeerd is met het kort geding te voorkomen. Ook na het kort geding is nog gepoogd met de Bank tot overeenstemming te komen, maar dat is niet gelukt. Niet gebleken is dat verweerder meer of anders had kunnen doen om te proberen de executoriale verkoop te voorkomen dan hij heeft gedaan.

5.4        Anders dan klager ziet het hof geen belangen van klager die geschaad zijn doordat verweerder de tweede en derde toevoeging in januari 2017 heeft aangevraagd. Executoriale verkoop van de woning van klager was met een eerdere aanvraag niet voorkomen, terwijl in de periode na de verkoop geen rechten van klager verloren zijn gegaan. Met de raad is het hof van oordeel dat verweerder na ontvangst van de toevoegingen zeker voortvarender te werk had kunnen gaan, waarbij hij zijn aarzelingen over de slagingskansen van de door klager gewenste procedure duidelijker had kunnen communiceren. Waar verweerder evenwel in de betreffende periode met ziekte en het overlijden van een familielid te maken heeft gehad, geen termijnen dreigden te verstrijken en ook overigens niet is gebleken van enig nadeel dat klager heeft ondervonden, is het hof met de raad van oordeel dat er verweerder geen tuchtrechtelijk relevant verwijt van kan worden gemaakt dat hij de concept dagvaarding eerst op 20 september 2017 aan klager heeft gezonden.

5.5        Ook voor het overige ziet het hof op basis van het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan die van de raad. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de raad en neemt die over. Het hof verwerpt de grieven van verweerder en zal de beoordeling van de raad bekrachtigen.

 

BESLISSING

Het Hof van Discipline:

-         bekrachtigt de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 21 oktober 2019 in de zaak met nummer 18-951.

 

Aldus gewezen door mr. T. Zuidema, voorzitter, mrs. T.E. van der Spoel en G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2020.

griffier        voorzitter

De beslissing is verzonden op 31 augustus 2020.