Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

27-07-2020

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2020:167

Zaaknummer

20-435/A/A

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat wederpartij deels kennelijk niet-ontvankelijk vanwege ne bis in idem en deels kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort  Amsterdam

van  27 juli 2020

in de zaak 20-435/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 11 juni 2020 met kenmerk 998310/EJH/SH, digitaal door de raad ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 16.

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Klager is sinds 2013 verwikkeld in verschillende procedures met zijn ex-echtgenote (hierna: de vrouw). Verweerster staat de vrouw in die procedures bij.

1.2    Op 26 november 2015 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster, onder meer omdat zij op toevoegingsbasis voor de vrouw optrad terwijl zij volgens klager zou weten dat de vrouw niet voor een toevoeging in aanmerking kwam. Bij beslissing van 24 maart 2016 (zaaknummer 16-188/A/A) heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad de klacht van klager op dit punt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

1.3    Op 18 januari 2017 heeft klager opnieuw bij de deken een klacht ingediend over verweerster. Bij beslissing van 7 september 2017 (zaaknummer 17-558/A/A) heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad overwogen:

“Voor zover klager zijn eerdere klacht over verweerster – onder andere over het ten onrechte op basis van toevoeging procederen – opnieuw aan de raad wenst voor te leggen, overweegt de voorzitter dat ook in tuchtrechtelijke procedures op grond van artikel 47b lid 1 Advocatenwet het zogenoemde ne bis in idem-beginsel geldt. Dat betekent dat dezelfde klacht niet twee maal ter beslissing kan worden voorgelegd aan de tuchtrechter. Er zijn geen feiten gesteld of gebleken die nopen tot afwijking van het ne bis in idem-beginsel in dit geval.”

1.4    Op 26 augustus 2019 heeft klager opnieuw bij de deken een klacht ingediend over verweerster.

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende.

a)    Verweerster blijft de vrouw bijstaan op basis van gefinancierde rechtsbijstand, terwijl zij weet dat de vrouw een nieuwe en zeer vermogende partner heeft waarmee zij een samengesteld gezin vormt, een goed lopend bedrijf heeft en € 60.000,- van klager heeft ontvangen.

b)    Verweerster procedeert onnodig.

3    VERWEER

3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING

Klachtonderdeel a)

4.1    De voorzitter ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of klager kan worden ontvangen in dit klachtonderdeel.

4.2    Ook in het tuchtrecht geldt het zogenaamde ne bis in idem-beginsel. Dat betekent dat dezelfde klacht niet twee maal ter beslissing kan worden voorgelegd. Het verwijt dat klager verweerster in dit klachtonderdeel maakt is inhoudelijk gelijk aan de eerdere klacht van klager over – kort gezegd – het ten onrechte op toevoegingsbasis procederen door verweerster. De voorzitter heeft een eerdere klacht op dit punt bij beslissing van 24 maart 2016 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Er zijn geen feiten gesteld of gebleken die nopen tot afwijking van het ne bis in idem-beginsel in dit geval. De enkele stelling van klager dat de vrouw na de beslissing van 24 maart 2016 wederom een toevoeging heeft aangevraagd en verkregen, is geen grond om af te wijken van het ook in dit geval geldende beginsel van ne bis in idem. Dit klachtonderdeel is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.

Overigens geldt, in lijn met de jurisprudentie van het Hof van Discipline (HvD 6670, 16 december 2013) dat het belang om in aanmerking te komen voor door de overheid gefinancierde rechtshulp bij de aanvrager ligt, in dit geval de vrouw. Voor zover verweerster ten onrechte op toevoegingsbasis zou procederen is gesteld noch gebleken dat klager daarmee in enig eigen belang is geschaad.

4.3    De voorzitter overweegt ten overvloede nog dat verweerster een brief heeft overgelegd van de Raad voor Rechtsbijstand aan de vrouw van 4 september 2019, waarin de Raad voor Rechtsbijstand de vrouw heeft meegedeeld - naar aanleiding van een melding van klager over misbruik van gefinancierde rechtsbijstand door de vrouw – dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij terecht gesubsidieerde rechtsbijstand heeft verkregen.

Klachtonderdeel b)

4.4    Voor zover klager er ook over klaagt dat verweerster onnodig procedeert is dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond omdat klager dit op geen enkele manier feitelijk heeft onderbouwd.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

klachtonderdeel a), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk;

klachtonderdeel b), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond

Aldus beslist door mr. J.H. Dubois, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. S. van Excel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2020.

Griffier         Voorzitter

Verzonden op 27 juli 2020 

mededelingen van de griffier ter informatie:

Deze beslissing is gelijktijdig in afschrift verzonden.