Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

08-07-2020

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2020:104

Zaaknummer

20-303/DH/RO

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht kennelijk ongegrond. Verweerders brief aan klagers diende een redelijk doel. Niet is gebleken dat de belangen van klagers door die brief nodeloos en ontoelaatbaar zijn geschonden.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 8 juli 2020 in de zaak 20-303/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:

 

klaagster

klager

 

over:

 

verweerder

 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 15 april 2020 met kenmerk R 2020/27 edg/gh, door de raad ontvangen op 16 april 2020, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 14 en van de e-mail (met bijlagen) van klagers van 27 mei 2020.. De voorzitter heeft ook kennisgenomen van de e-mail van klagers van 24 juni 2020. Verweerder heeft zich niet over deze e-mail kunnen uitlaten, maar is daardoor niet in zijn belangen geschaad, omdat de e-mail geen nieuwe gezichtspunten bevat.

 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Klagers en de heer B wonen naast elkaar. Zij zijn met elkaar en met de gemeente Z verwikkeld in een discussie over diverse ruimtelijke ontwikkelingen op het perceel van de heer B. De heer B exploiteert op zijn perceel een Bed & Breakfast en over (de inpassing en exploitatie van) deze Bed & Breakfast discussiëren klagers en de heer B in diverse procedures al jarenlang met elkaar. Daarnaast is sprake van een discussie over de vraag of de gemeente een (juiste) omgevingsvergunning heeft afgegeven. Ook hebben klagers verschillende handhavingsverzoeken ingediend bij de gemeente vanwege door hen gestelde overtredingen van de wet- en regelgeving door de heer B.

1.2    De heer B wordt in deze procedures bijgestaan door verweerder.

1.3    In een e-mail van klaagster van 18 november 2017 aan meerdere (burger)raadsleden van de gemeente Z over het bestemmingsplan voor [adres heer B] staat onder meer het volgende:

“Misschien moet u een en ander even afwachten voor u groen licht geeft aan wat wellicht corruptie en/of witwassen c.q. zwart werken is.”

1.4    Klaagster heeft op 13 juli 2018 een e-mail gestuurd naar de heer J van de gemeente Z, met als bijlage een uittreksel uit het huwelijksgoederenregister betreffende de heer B.

1.5    De gemeente Z heeft bij brief van 15 januari 2019 een verzoek om handhaving van klagers afgewezen vanwege (onder meer) misbruik van recht.

1.6    Op 6 februari 2019 heeft verweerder namens de heer B een brief gestuurd naar klagers, inhoudende onder andere:

“De inhoud van uw verzoeken en stukken gewisseld in de diverse procedures kunnen deels worden gekwalificeerd als feitelijk en zakelijk, hetgeen in beginsel is toegelaten, maar ze bevatten voor een groot deel ook veronderstellingen en verdachtmakingen die niet op feiten berusten. Zo wordt door u onder meer gesteld dat de [heer B] zich schuldig maakt aan strafbare feiten, wordt zijn financiële handel en wandel als frauduleus bestempeld, worden privé gegevens van de [heer B] (waaronder echtscheidingspapieren) in procedure gebracht en worden bij voortduring gebleken onjuistheden ten aanzien van de exploitatie van de Bed & Breakfast gesteld. Ook is gebleken dat u gasten van de Bed & Breakfast vanuit uw woning ongevraagd en heimelijk hebt gefotografeerd en deze beelden vervolgens hebt ingebracht in procedures.

De voortdurende stroom van procedures zoals die door u worden gestart dient verder geen redelijk juridisch doel of belang. Uw enige doel van lijkt te zijn de zaak met procedures te vertragen en de [heer B] en het bevoegd gezag dwars te zitten. Dit is een situatie die misbruik van recht oplevert, hetgeen inmiddels ook door de gemeente is bevestigd bij besluit van [datum].

Gelet op het voorgaande is sprake van onrechtmatig handelen, en wordt de [heer B] ook geschaad door dit handelen. U wordt hierbij gesommeerd af te zien van verdere negatieve uitlatingen in welke vorm dan ook ten aanzien van de [heer B]. Verder wordt u hierbij gesommeerd af te zien van het verder voeren van juridische procedures die geen redelijk juridisch doel of belang dienen.

Laat u na aan deze sommatie te voldoen, dan zal de [heer B] de civiele rechter vragen zich uit te laten over deze kwestie en zal ook een strafrechtelijke aangifte worden overwogen.”

1.7    Op 15 februari 2019 hebben klagers een klacht ingediend bij het kantoor van verweerder over de brief van 6 februari 2019. De reactie van verweerder is op 11 maart 2019 per e-mail aan klagers verzonden. Klagers hebben naar aanleiding van deze reactie te kennen gegeven af te zien van een gesprek met verweerder, omdat dit niets lijkt toe te voegen.

1.8    Op 9 september 2019 hebben klagers bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

 

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerder het volgende:

Verweerder heeft de belangen van klagers nodeloos en op ontoelaatbare wijze geschaad door het sturen van de brief van 6 februari 2019; de brief dient geen enkel ander doel dan intimidatie van klagers. Verweerder heeft klagers in zijn brief beschuldigd van zaken waaraan zij zich niet schuldig gemaakt hebben. Verweerder heeft ook ten onrechte gesteld dat sprake zou zijn van misbruik van recht.

2.2    De stellingen die klagers aan de klacht ten grondslag hebben gelegd zullen hierna, waar nodig, worden besproken.

 

3    VERWEER

3.1    Verweerder heeft aangevoerd dat geen sprake is van het intimideren of nodeloos of op ontoelaatbare wijze schaden van de belangen van klagers. Klagers hebben stukken die zien op de echtscheiding van de heer B in procedure gebracht, te weten uittreksels uit het huwelijksgoederenregister. Ook hebben klagers aan de gemeenteraad van gemeente Z gesuggereerd dat sprake is van (meewerken aan) witwassen en/of corruptie door de heer B. Ten slotte heeft de gemeente Z gesteld dat klagers misbruik van procesrecht hebben gemaakt. Verweerder heeft in de brief van 6 februari 2019 klagers enkel gesommeerd af te zien van verdere negatieve uitlatingen en procedures die geen redelijk doel dienen, aldus verweerder.

3.2    Voor het overige komt het verweer – waar nodig – aan de orde bij de beoordeling van de klacht.

 

4    BEOORDELING

4.1    De klacht richt zich tegen de advocaat van de wederpartij van klagers. Dit betekent dat de klacht moet worden beoordeeld aan de hand van de door het Hof van Discipline gehanteerde maatstaf dat de advocaat van de wederpartij een grote mate van vrijheid toekomt de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem goeddunkt. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar kan onder meer worden begrensd indien de advocaat (1) zich onnodig grievend uitlaat over de wederpartij, (2) feiten naar voren brengt waarvan hij weet of redelijkerwijs kan weten dat zij in strijd met de waarheid zijn, of indien (3) de advocaat (anderszins) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij onnodig of onevenredig schaadt zonder dat daarmee een redelijk doel wordt gediend. Met betrekking tot de onder (2) genoemde beperking moet in ogenschouw worden genomen dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid van dat feitenmateriaal en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De voorzitter zal het optreden van verweerder aan de hand van deze maatstaf beoordelen.

4.2    De voorzitter merkt nog op dat de tuchtrechter slechts oordeelt over de vraag of de beklaagde advocaat zich heeft gedragen zoals dat een behoorlijk handelend advocaat betaamd. De tuchtrechter oordeelt niet over de stellingen die zijn ingenomen in de kwestie die aan de klacht tegen grondslag hebben gelegen. Dit betekent dat hetgeen over en weer naar voren is gebracht over de onderliggende kwestie niet zal worden besproken.

4.3    De voorzitter is van oordeel dat verweerders brief van 6 februari 2019 aan klagers een redelijk doel diende: hij wilde kennelijk bereiken dat klagers zich in de toekomst zouden onthouden van het doen van negatieve uitlatingen over zijn cliënt en dat klagers geen procedures meer zouden voeren die geen redelijk juridisch doel of belang dienden. In de betreffende brief staat dat de civiele rechter zo nodig zal worden gevraagd zich uit te laten over de kwestie als klagers nalaten aan de sommatie uit de brief te voldoen en dat dan een strafrechtelijke aangifte zal worden overwogen. De door verweerder genoemde maatregelen zijn niet onwettig en ook niet voorbarig of lichtvaardig aangezegd.

4.4    Verweerder heeft klagers in zijn brief niet gesommeerd zich van elke juridische procedure jegens de heer B te onthouden, maar wel van de procedures waarin klagers geen redelijk belang hebben en/of die geen redelijk juridisch doel dienen. Daarnaast heeft verweerder aandacht gevraagd voor de negatieve toonzetting die klagers gebruikten in de procedures gericht tegen de heer B.

4.5    Anders dan in de door klagers genoemde beslissing van de raad van discipline Arnhem van 6 februari 2012 (ECLI:NL:TADRARN:2012:YA2521) is in de onderhavige kwestie geen sprake van het dreigen met een strafrechtelijke aangifte om een civielrechtelijk doel te bereiken. Ook is geen sprake van een situatie waarin de aangekondigde maatregelen niet ten uitvoer gebracht kunnen of zullen worden. Het is de voorzitter niet gebleken dat de aangekondigde maatregelen enkel dienden als pressiemiddel. Van bedreiging of  intimidatie door verweerder is geen sprake.

4.6    Voorts is niet gebleken dat verweerder zich onnodig grievend heeft uitgelaten over klagers. Ook heeft verweerder voldoende weerlegd dat hij feiten heeft geponeerd waarvan hij wist of redelijkerwijs kon weten dat die in strijd met de waarheid waren. Het is de voorzitter niet gebleken dat de belangen van klagers nodeloos en ontoelaatbaar zijn geschonden door verweerders brief.

4.7    De voorzitter is van oordeel dat verweerder heeft gehandeld binnen de hiervoor genoemde tuchtrechtelijke kaders en dat aan hem geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, daarom kennelijk ongegrond verklaren.

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart: de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. S.M. Krans, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2020.