Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

24-07-2020

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2020:129

Zaaknummer

200104

Inhoudsindicatie

 Appellant heeft zijn beroep ingetrokken. Het hof bepaalt de ingangsdatum van de schorsing.

Uitspraak

BESLISSING                                   

van 24 juli 2020

in de zaak 200104

naar aanleiding van het hoger beroep van:

verweerder

tegen:

klager

 

1    DE PROCEDURE BIJ DE RAAD

Het hof verwijst naar de beslissing van 23 maart 2020 van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag (zaaknummer: 19-757/DH/DH). Deze beslissing is op diezelfde dag aan partijen toegezonden. In deze beslissing is de klacht van klager gegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van schorsing in de uitoefening van praktijk voor de duur van 13 weken opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld in de betaling van het griffierecht, de reiskosten en de proceskosten. De proceskosten van de raad bedragen € 1.250,-. 

De beslissing van de raad is gepubliceerd op tuchtrecht.nl als ECLI:NL:TADRSGR:2020:63.

 

2    DE PROCEDURE BIJ HET HOF

2.1    Het beroepschrift van verweerder tegen deze beslissing is op 16 april 2020 ontvangen door de griffie van het hof.

2.2    Verder bevat het dossier van het hof:

-    de stukken van de raad;

-    het verweerschrift d.d. 22 mei 2020 van klager;

-    het e-mailbericht d.d. 24 mei 2020 met bijlage van klager.

 

2.3    Het hof heeft partijen opgeroepen voor een mondelinge behandeling van de zaak ter zitting van het hof op 13 juli 2020.

2.4    Op 8 juli 2020 ontving het hof een e-mail met bijlage van verweerder, waarin verweerder schrijft dat hij om hem moverende redenen zijn beroep intrekt. 

 

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet. Klager verwijt verweerder dat de kwaliteit van zijn dienstverlening gebrekkig is geweest en dat hij daardoor de belangen van klager onvoldoende heeft behartigd. Klager heeft als gevolg van dat alles schade geleden. Klager verwijt verweerder in het bijzonder het volgende.

a) Verweerder heeft diverse keren niet gereageerd op telefonische en schriftelijke verzoeken om informatie over de voortgang.

b) Uit het dossier blijkt dat verweerder slechts één actie heeft genomen in de zaak van klager, namelijk het versturen van de brief van 10 oktober 2016 aan DAS Rechtsbijstand waarmee verweerder het dossier van klager heeft opgevraagd.

c) Klager heeft verweerder verzocht om opheldering te verschaffen over hetgeen verweerder had gedaan, nadat klager het dossier op 26 januari 2019 bij verweerder had opgehaald. Verweerder heeft dit niet gedaan.

d) Verweerder is niet bereid om schriftelijk te reageren op verzoeken om opheldering en informatie. Hij is slechts bereid om met klager in gesprek te gaan.

e) Verweerder geeft blijk van gebrekkige dossierkennis. Dit blijkt onder meer uit een e-mail van 13 oktober 2016 van DAS aan verweerder, waarin verweerder op de hoogte wordt gesteld van “het verhaal van de materiële schade, van het bestaan van letsel en de schadeverzekering voor inzittenden van [klager]”.

f) Het niet of gebrekkig handelen of nalaten van verweerder blijkt volgens klager mede uit correspondentie van april 2019 van de nieuwe belangenbehartiger van klager, waarin staat dat DAS Rechtsbijstand en verweerder niet in het dossier voorkomen bij de schadeverzekeraar van de aansprakelijke partij.

 

4    BEOORDELING

4.1    Verweerder heeft zijn beroep tegen de beslissing van de raad ingetrokken.

4.2    Het hof overweegt als volgt. Het hof ziet na de intrekking van het beroep geen grond voor de inhoudelijke beoordeling van de klacht. De beslissing van de raad is derhalve onherroepelijk, waarin een maatregel van schorsing in de uitoefening van de praktijk van 13 weken wordt opgelegd en verweerder is veroordeeld in de betaling van de proceskosten en de vergoeding van het griffierecht. 

4.3    Het hof bepaalt op grond van artikel 56 lid 5 Advocatenwet de ingangsdatum van de maatregel. Het hof neemt in dit verband in overweging dat aan verweerder op 6 juli 2020 door het hof twee (onvoorwaardelijke) schorsingen in de uitoefening van de praktijk zijn opgelegd (190265 en 190266). Het hof zal dan ook bepalen dat de schorsing op grond van voormelde beslissing van de raad zal ingaan na afloop van de eerder onherroepelijk geworden schorsingen.

 

    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- bepaalt dat de door de raad in de beslissing van 23 maart 2020 van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag, gewezen onder nummer 19-757/DH/DH, opgelegde schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van 13 weken ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden schorsingen, met dien verstande dat;   

- verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat;   

- deze schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerder niet op het tableau staat ingeschreven.

Aldus gewezen door mr. A.M. van Amsterdam, voorzitter, mrs. C.A.M.J. Raymakers, M.L. Weerkamp, J.M. Atema en A.P. Wessels, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E. Verwey, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2020.

griffier    voorzitter            

De beslissing is verzonden op 24 juli 2020.