Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

20-07-2020

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2020:160

Zaaknummer

20-261/A/A

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht over eigen advocaat. Kwaliteit dienstverlening. Niet vast komen te staan dat verweerder zich onvoldoende heeft ingespannen. Verweerder heeft ten aanzien van de communicatie met klaagster niet gehandeld met de zorgvuldigheid die van een behoorlijk handelend advocaat mag worden verwacht. Klacht gedeeltelijk gegrond. De maatregel van een  waarschuwing acht de raad passend en geboden.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam

van 20 juli 2020

in de zaak 20-261/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 26 augustus 2019 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 9 april 2020 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 998058 van de deken ontvangen.

1.3    De behandeling van de klacht stond aanvankelijk gepland op de videozitting van 8 juni 2020. Omdat een videozitting voor klaagster niet mogelijk is en een reguliere zitting vanwege de door de overheid getroffen coronamaatregelen niet mogelijk is, heeft de raad klaagster en verweerder voorgesteld om de klacht schriftelijk, dus zonder zitting, af te doen. Klaagster en verweerder hebben met dit voorstel ingestemd. Op 11 mei 2020 heeft klaagster nog een schriftelijke reactie ingediend. Bij brief van 1 juni 2020 heeft verweerder op de reactie van klaagster gereageerd.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 9 en I tot en met X. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail van klaagster van 11 mei 2020 en van de e-mail van verweerder van 1 juni 2020 met bijlage. 

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier uit van de volgende feiten.

2.2    Klaagster heeft een geschil met een meubelhandel (hierna: de meubelhandel) over gebreken aan door klaagster gekochte en door de meubelhandel geleverde meubels. Verweerder staat klaagster in dit geschil sinds oktober 2018 bij op toevoegingsbasis.

2.3    Op 2 november 2018 heeft verweerder een opdrachtbevestiging naar klaagster verstuurd. Deze opdrachtbevestiging luidt:

“Geachte (…)

Met referte aan het onderhoud bevestig ik hierbij uw opdracht tot juridische bijstand te hebben aangenomen.

Wat betreft de vergoeding voor mijn werkzaamheden zal ik een toevoeging gefinancierde rechtshulp aanvragen.

Vertrouwende u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd en in afwachting van nadere berichten, verblijf ik, (…)”

2.4    In november en december 2018 heeft verweerder de meubelhandel gesommeerd de meubelen te herstellen dan wel compensatie aan klaagster aan te bieden.

2.5    In januari 2019 heeft verweerder de meubelhandel – kort gezegd – gevraagd om op de eerdere sommaties te reageren.

2.6    Bij e-mail van 30 januari 2019 heeft klaagster verweerder onder meer bericht:

“(…)

Ik hoop dus eigenlijk dat u in de brief niet slechts om schadevergoeding heeft gevraagd. Ik zou eerder denken aan ontbinden of indien mogelijk herstel door een ander, aangezien zij toch niet reageren en met hen in zee gaan al een hele slechte ervaring was.

Wellicht is het een idee om een eventuele communicatie met de tegenpartij ook voor verzending met mij te kortsluiten om dit soort misverstanden te voorkomen?”

2.7    Bij brief van 12 februari 2019 heeft verweerder de meubelhandel bericht dat klaagster bij het uitblijven van een positieve reactie geen andere keuze heeft dan een gerechtelijke procedure te starten waarbij de kosten voor rekening van de meubelhandel zullen komen.

2.8    Bij brief van 26 maart 2019 heeft verweerder een aanzegging tot ontbinding van de koopovereenkomst naar de meubelhandel verstuurd. Hierop heeft de meubelhandel (ook) niet gereageerd. In maart 2019 heeft verweerder de koopovereenkomst namens klaagster ontbonden en is de koopprijs teruggevorderd.

2.9    Op 4 juni 2019 heeft klaagster aan verweerder bericht dat de meubelhandel failliet zou zijn. Daarop heeft verweerder het handelsregister geraadpleegd en bleek dat geen sprake was van een faillissement maar van een beëindiging van de onderneming.

2.10    Bij brief van 26 juli 2019 heeft verweerder de eigenaar van de meubelhandel door middel van een aangetekende brief op zijn privéadres gevraagd alsnog te reageren en dat bij geen reactie de overeenkomst zal worden ontbonden en de koopprijs zal worden teruggevorderd.

2.11    Bij brief van 22 augustus 2019 heeft verweerder een conceptdagvaarding naar de eigenaar van de meubelhandel verstuurd en aangekondigd dat deze binnen veertien dagen zal worden betekend.

2.12    Bij e-mail van 26 augustus 2019 heeft verweerder het aan klaagster bericht:

“Hierbij doe ik u de concept dagvaarding toekomen, die reeds aan de wederpartij is verzonden.”

Diezelfde dag heeft klaagster als volgt op verweerders e-mail gereageerd:

“Een concept, maar u heeft het wel al verzonden? Betekent dit dat de weg naar de rechtsgang onvermijdelijk is of kan de tegenpartij hier nog op reageren?

Ik had immers een klacht bij u lopen en één van de opmerkingen is dat het fijn was geweest als u uw argument eerst voor mij had uiteengezet. Waarom ziet u weinig heil in deze zaak en wat zou het voor mij concreet betekenen als we uiteindelijk wel naar de rechter besluiten te gaan? In plaats daarvan wordt ik na uw laatste reactie geconfronteerd met een concept dagvaarding. Hoop dat u begrijpt dat ik eerst wat meer info zou willen.”

2.13    Bij brief van 12 september 2019 heeft een schuldhulpverlener aan verweerder bericht dat de eigenaar van de meubelhandel zich voor schuldhulpverlening heeft gemeld vanwege ernstige financiële problemen.

2.14    Vervolgens heeft verweerder de brief van de schuldhulpverlener op 13 september 2019 naar klaagster verstuurd en daarbij het volgende bericht:

“Blijkens bovenvermeld schrijven, naar welke inhoud ik u kortheidshalve verwijs, zijn er ernstige financiële problemen, hetgeen ik al vreesde en het is verder afwachten of er nog enige compensatie zal volgen.”

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende.

a)    Verweerder heeft zich in het geschil met de meubelhandel onvoldoende ingespannen;

b)    Verweerder heeft klaagster niet op de hoogte gehouden van de correspondentie die hij naar de meubelhandel heeft gestuurd.

3.2    De raad zal hierna, waar nodig, bij de beoordeling ingaan op de stellingen en stukken van klaagster.

4    VERWEER

4.1    Verweerder heeft tegen de klacht gemotiveerd verweer gevoerd en betwist dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerder heeft aangevoerd dat hij niet met klaagster heeft afgesproken dat de brieven die aan de meubelhandel zouden worden verzonden eerst in concept naar klaagster zouden worden gestuurd. Volgens verweerder heeft klaagster daar ook nooit om gevraagd. Verder heeft verweerder betwist dat hij zich onvoldoende heeft ingespannen en hij wijst erop dat hij al het mogelijke heeft gedaan om de zaak op te lossen. 

4.2    De raad zal hierna, waar nodig, bij de beoordeling van de klacht op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING

5.1    De tuchtrechter toetst de kwaliteit van de dienstverlening in volle omvang. Daarbij houdt de tuchtrechter rekening met de vrijheid die de advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt en bij de keuzes waarvoor hij bij de behandeling van een zaak kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbegrensd, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van de opdracht mogen worden gesteld. Die eisen brengen met zich dat het werk van de advocaat dient te voldoen aan de professionele standaard die binnen de beroepsgroep geldt. Deze professionele standaard veronderstelt dat de advocaat handelt met de zorgvuldigheid die in de gegeven omstandigheden van een behoorlijk handelend advocaat mag worden verwacht. De raad zal klachtonderdelen a) en b) met inachtneming van deze standaard beoordelen.

Klachtonderdeel a)

5.2    Met klachtonderdeel a) stelt klaagster dat verweerder zich onvoldoende heeft ingespannen in het geschil met de meubelhandel.

5.3    Hoewel verweerder in zijn aanpak van het geschil en de benadering van de meubelhandel – zeker na het uitblijven van reacties – weinig voortvarend is opgetreden, is de raad van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verweerder zich onvoldoende heeft ingespannen. Uit de dossierstukken, waaronder de sommatiebrieven en een urenoverzicht, blijkt dat verweerder de meubelhandel eerst diverse keren heeft gesommeerd tot herstel dan wel compensatie voordat hij namens klaagster met een dagvaardingsprocedure heeft gedreigd. Deze handelwijze is bij consumentengeschillen over beschadigde meubels niet ongebruikelijk. Dat verweerder de zaak onnodig zou hebben gerekt, zoals klaagster in haar klacht heeft opgemerkt, is niet gebleken en daar bieden de stukken ook geen aanknopingspunten voor. Klachtonderdeel a) is dan ook ongegrond.

Klachtonderdeel b)

5.4    Klachtonderdeel b) gaat over de correspondentie die verweerder naar de meubelhandel heeft gestuurd en waarvan hij klaagster, volgens klaagster, niet op de hoogte heeft gehouden. 

5.5    De raad is op grond van de dossierstukken van oordeel dat verweerder ten aanzien van de communicatie met klaagster niet heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een behoorlijk handelend advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Volgens gedragsregel 16 is het van belang dat een advocaat ter voorkoming van onduidelijkheid en misverstanden belangrijke afspraken schriftelijk aan zijn cliënte bevestigt. De opdrachtbevestiging die verweerder naar klaagster heeft gestuurd (zie 2.3), is gelet op deze gedragsregel ontoereikend. Uit de opdrachtbevestiging blijkt niet wat verweerder met klaagster heeft afgesproken over hoe hij het geschil met de meubelhandel zou aanpakken. In ieder geval blijkt uit de e-mail van 30 januari 2019 dat klaagster verweerder uitdrukkelijk heeft verzocht om zijn communicatie met de meubelhandel vóór verzending met haar kort te sluiten. Het is onduidelijk gebleven hoe verweerder op dit verzoek heeft gereageerd, terwijl hierop naar het oordeel van de raad een reactie van verweerder verwacht mocht worden alsook een aanpassing in de werkwijze door vanaf dat moment (concept-)brieven eerst met klaagster te bespreken alvorens deze naar de wederpartij te sturen. Vervolgens  blijkt  echter uit de email van 26 augustus 2019 ( zie 2.12) dat verweerder desondanks  de conceptdagvaarding niet eerst aan klaagster  heeft voorgelegd voordat die naar de meubelhandel werd gestuurd. Verder blijkt uit de dossierstukken niet dat verweerder, bij de aanvaarding van zijn opdracht dan wel in een later stadium van de behandeling van de zaak,  met klaagster heeft gecommuniceerd over de aanpak van de zaak, de te nemen acties en de eventueel daaraan verbonden risico’s. Gelet op het voorgaande is klachtonderdeel b) gegrond.

   

6    MAATREGEL

6.1    Verweerder heeft ten aanzien van de communicatie met klaagster niet gehandeld met de zorgvuldigheid die van een behoorlijk handelend advocaat mag worden verwacht. Mede gelet op het tuchtrechtelijk verleden van verweerder  acht de raad de maatregel van een waarschuwing passend en geboden.

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

b) € 500,- kosten van de Staat.

7.3    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart klachtonderdeel a) ongegrond;

- verklaart klachtonderdeel b) gegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van een waarschuwing op;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3.

Aldus beslist door mr. J.H. Dubois, voorzitter, mrs. A. de Groot en P. van Lingen, leden, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op

20 juli 2020.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 20 juli 2020

mededelingen van de griffier ter informatie:

Verzending

Deze beslissing is in afschrift gelijktijdig verzonden.