Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

06-07-2020

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2020:47

Zaaknummer

20-386/DB/ZWB

Inhoudsindicatie

Verweerder kan geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt van het feit dat hij de behandeling van klagers zaak heeft neergelegd en evenmin van de wijze waarop hij dat heeft gedaan. Kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort  ’s-Hertogenbosch van 6 juli 2020

in de zaak 20-386/DB/ZWB

 

naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

 

over:

 

verweerder

 

 

 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de e-mail van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant (hierna: de deken) van 27 mei 2020 met kenmerk K19-087, door de raad ontvangen op 27 mei 2020, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 14.

 

1          FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Klager heeft op 10 juli 2017 bij de deken een verzoek tot aanwijzing van een advocaat ingediend. Klager wilde het A Ziekenhuis en een daar werkzame uroloog aansprakelijk stellen voor door klager gestelde schade. Bij brief d.d. 4 april 2018 heeft de deken aan verweerder medegedeeld dat hij verweerder op grond van artikel 13 Advocatenwet had aangewezen als advocaat van klager. Vervolgens heeft verweerder klagers zaak in behandeling genomen. Verweerder heeft voor klager een toevoeging aangevraagd, die op 2 juli 2018 is afgegeven.

1.2    Verweerder heeft de verjaring van de vordering gestuit en heeft vervolgens zonder positief resultaat met klagers wederpartij schikkingsonderhandelingen gevoerd. Op 14 februari 2019 heeft verweerder aan klager een conceptdagvaarding toegestuurd, met het verzoek om de dagvaarding op 18 februari 2019 telefonisch te bespreken. Verweerder heeft in de begeleidende brief bij de concept dagvaarding het volgende opgemerkt:

“U wilt niet naar de kantonrechter, doch naar de civiele kamer van de rechtbank. Mijn dagvaarding heb ik hierop aangepast. Echter, ik wens nog juridisch te beoordelen of zulks – gezien het eerder door mr. B. ingenomen standpunt dat de schade op een bedrag van € 10.000,00 dient te worden begroot – wel haalbaar is.”

1.3       Nadat klager akkoord was met de dagvaarding en het aanhangig maken van de procedure bij de kantonrechter, heeft verweerder klager bij brief van 21 maart 2019 als volgt bericht:

            “(…) In onder meer mijn brief van 14 februari 2019 – alsook diverse malen telefonisch aangegeven – heb ik u bericht dat de proceskansen destijds mijns inziens al niet groot waren, doch ook weer niet dusdanig klein waren dat het een redelijk handelend advocaat niet betaamt een procedure te entameren. Voor u wilde ik dan ook met volle overgave een poging wagen. De uitspraak van de Hoge Raad van 15 maart 2019 heeft mijn visie evenwel veranderd. Ik zal u dit toelichten. (…) Gelet op het vorenstaande schat ik de proceskansen – sinds de uitspraak van de Hoge Raad van vrijdagmiddag 15 maart 2019 – dusdanig klein in dat het mij als behoorlijk advocaat mijns inziens niet (meer) betaamt om een gerechtelijke procedure te entameren. (…) Alvorens de opdracht in te trekken, zal ik eerst in overleg treden met de Deken. Zodra ik met hem heb overlegd, bel ik u. (…)”

1.4       Op 25 maart 2019 hebben klager en verweerder elkaar telefonisch gesproken, bij welke gelegenheid verweerder zijn brief van 21 maart 2019 nader heeft toegelicht.

1.5       Verweerder heeft op 9 april 2019 telefonisch overleg gevoerd met het Bureau van de Orde van Advocaten. Bij brief d.d. 9 april 2019 heeft verweerder klager als volgt bericht:

            “(…) Voorts heb ik u aangegeven dat ik nog overleg zou voeren met de Orde van Advocaten, dit vanwege de eerdere beslissing van de Deken om mij als advocaat aan te wijzen. Inmiddels heeft dit overleg plaatsgevonden. Vorenbedoeld overleg met de Orde van Advocaten heeft mijn standpunt niet doen veranderen. Bij deze beslis ik dan ook definitief om de aan mij verstrekte opdracht met onmiddellijke ingang in te trekken. (…) Gelet op het bovenstaande zal ik vanaf heden geen werkzaamheden meer voor u verrichten. Ook zullen geen stuitingshandelingen worden verricht, daarvoor bent u vanaf heden zelf verantwoordelijk. (…) Een verjaarde vordering kan in rechte niet meer worden afgedwongen. (…)”

1.6       Op verzoek van klager heeft verweerder op 11 april 2019 een kopie van het dossier aan klager toegezonden.

1.7       Klager heeft zich vervolgens gewend tot een andere advocaat, mr. Van den H. die op 24 mei 2019 aan verweerder een e-mailbericht heeft gestuurd met de mededeling dat hij klagers zaak weliswaar niet in behandeling zou nemen, maar dat hij niet begrijpt waarom verweerder de behandeling van de zaak heeft neergelegd. Op dat e-mailbericht heeft verweerder niet gereageerd.

1.8       Bij brief van 11 augustus 2019 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

1.9       Bij besluit van 23 september 2019 heeft de deken klagers tweede verzoek om aanwijzing van een advocaat afgewezen. Klager heeft beklag ingediend bij het Hof van Discipline. Het Hof van Discipline heeft het beklag bij beslissing van 16 maart 2020 ongegrond verklaard omdat er naar het oordeel van het Hof geen redelijke kans van slagen meer aanwezig is voor de procedure die klager wenst te voeren.

 

2          KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende.

1.    Verweerder heeft klager niet geïnformeerd omtrent de inhoud van het overleg met de deken voorafgaand aan de onttrekking.

2.    Verweerder heeft zich ten onrechte onttrokken als advocaat van klager.

3.    Verweerder heeft zich bij brief onttrokken zonder voorafgaande mondelinge mededeling.

4.    Verweerder heeft niet gereageerd op e-mailberichten van mr. Van den H.

5.    Verweerder heeft ten onrechte gesteld dat de kantonrechter bevoegd was.

           

3          VERWEER

3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

 

4          BEOORDELING

4.1    Klachtonderdelen 1, 2 en 3

De klachtonderdelen 1, 2 en 3 zien op de wijze waarop verweerder zich heeft teruggetrokken en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Verweerder heeft bij brief d.d. 21 maart 2019 gemotiveerd bij klager aangegeven dat hij voornemens was om zijn bijstand te staken en dat hij hierover overleg zou plegen met de deken. Op 25 maart 2019 heeft verweerder de inhoud van zijn brief d.d. 21 maart 2019 telefonisch aan klager toegelicht. Bij brief d.d. 9 april 2019 heeft verweerder klager op de hoogte gesteld dat het overleg met de deken geen aanleiding vormde om zijn standpunt, dat hij de behandeling van de zaak moest neerleggen, te wijzigen. Daarbij heeft verweerder klager geïnformeerd over verjaringsperikelen en conform het verzoek van klager heeft verweerder vervolgens een kopie van het dossier aan klager toegestuurd.

4.2       Uit het voorgaande blijkt dat verweerder klager wel degelijk zowel vooraf als achteraf heeft geïnformeerd over zijn overleg met de deken. Klachtonderdeel 1 mist dan ook feitelijke grondslag. Verweerder was overigens niet gehouden om een afschrift van zijn brief aan de deken aan klager toe te sturen. Het staat een advocaat vrij om aan de deken advies te vragen over gedragsrechtelijke aangelegenheden en de advocaat is niet verplicht om de exacte inhoud van het overleg met de deken te delen met zijn cliënt. 

4.3       Gedragsregel 14 lid 1 bepaalt dat de advocaat de volle verantwoordelijkheid draagt voor de behandeling van de zaak en dat hij zich niet aan deze verantwoordelijkheid kan onttrekken met een beroep op de van zijn cliënt verkregen opdracht. Hij mag evenwel geen handelingen verrichten tegen de kennelijke wil van de cliënt. De voorzitter overweegt dat een advocaat niet gehouden is een procedure aanhangig te maken, indien hij geen mogelijkheid ziet deze met succes te voeren. In de zaak van klager is verweerder op basis van het op 15 maart 2019 gewezen arrest van de Hoge Raad tot de conclusie gekomen dat hij geen mogelijkheden (meer) zag om in klagers zaak met succes in rechte smartengeld te vorderen. Ter zake valt verweerder tuchtrechtelijk geen verwijt te maken. Verweerder heeft ook geen handelingen verricht tegen de kennelijke wil van klager.

4.4       Gedragsregel 14 lid 3 bepaalt dat, wanneer een advocaat besluit een hem verleende opdracht neer te leggen, hij dat op zorgvuldige wijze moet doen en hij ervoor dient zorg te dragen dat zijn cliënt daarvan zo min mogelijk nadeel ondervindt. Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerder gehandeld in overeenstemming met deze gedragsregel. Verweerder heeft klager zowel mondeling als schriftelijk gemotiveerd aan klager medegedeeld dat en waarom hij zijn werkzaamheden in klagers zaak zou staken. Verweerder heeft ruggespraak gehouden met de deken en heeft klager gewezen op het risico van verjaring. Niet gebleken is dat verweerder zich op een ongelegen moment heeft teruggetrokken.

4.5       De voorzitter is op grond van het voorgaande van oordeel dat verweerder geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt van het feit dat hij de behandeling van klagers zaak heeft neergelegd en evenmin van de wijze waarop hij dat heeft gedaan. De voorzitter is dan ook van oordeel dat de klachtonderdelen 1, 2 en 3 kennelijk ongegrond zijn.

 

4.6    Klachtonderdeel 4

Mr. Van den H heeft in zijn e-mailbericht d.d. 24 mei 2019 aangegeven dat hij de behandeling van klagers zaak niet zou overnemen. Ook heeft mr. Van den H in zijn e-mailbericht aan verweerder geen verzoek gedaan of vraag gesteld. Uit het e-mailbericht van mr. Van den H blijkt slechts dat hij zijn visie op de zaak aan verweerder heeft kenbaar gemaakt. Nu mr. Van den H verweerder niet heeft gevraagd om hierop te reageren, noch een andere vraag heeft gesteld of verzoek heeft gedaan, was verweerder niet gehouden om op het e-mailbericht van mr. Van den H te reageren. Verweerder kan van het uitblijven van zijn reactie dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Klachtonderdeel 4 is op grond van het voorgaande eveneens kennelijk ongegrond.

 

4.7       Klachtonderdeel 5

            Verweerder heeft aan klager toegelicht dat en waarom hij van oordeel was dat de zaak moest worden aangebracht bij de kantonrechter. Verweerder was op basis van het dossier van oordeel dat klagers vordering uit hoofde van letstelschade kon worden begroot op een bedrag van plusminus € 10.000,-- zodat op grond van de competentie regels de kantonrechter bevoegd zou zijn om over de zaak te oordelen. Dit advies van verweerder is naar het oordeel van de voorzitter begrijpelijk. De voorzitter is van oordeel dat klager dit klachtonderdeel onvoldoende heeft onderbouwd. Ook klachtonderdeel 5 is dan ook kennelijk ongegrond.

4.8    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, daarom kennelijk ongegrond verklaren.

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

 

Aldus beslist door mr.  P.H. Brandts , plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr.  T.H.G. Huber - van de Langenberg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2020.

 

 

Griffier                                                                                    Voorzitter