Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

08-05-2020

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2020:105

Zaaknummer

190282

Inhoudsindicatie

bekrachtiging beslissing raad (artikel 46 Advocatenwet).

Uitspraak

BESLISSING

van 8 mei 2020                

in de zaak 190282

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klager

tegen:

verweerder

 

1    HET GEDING IN EERSTE AANLEG

1.1    Het hof verwijst naar de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (verder: de raad) van 21 oktober 2019, gewezen onder nummer 18-883. Deze beslissing is op de datum van de uitspraak aan partijen toegezonden.

In deze beslissing is klachtonderdeel a) door de raad gegrond verklaard en zijn de klachtonderdelen b) en c) ongegrond verklaard. Aan verweerder is geen maatregel opgelegd.

1.2    Deze beslissing is gepubliceerd op tuchtrecht.nl als ECLI:NL:TADRARL:2019:195.

 

2    HET GEDING IN HOGER BEROEP

2.1    Het beroepschrift, met bijlagen, waarbij klager van deze beslissing van de raad in hoger beroep is gekomen, is op 18 november 2019 door de griffie van het hof ontvangen.

2.2    Het hof heeft voorts kennisgenomen van:

- de stukken van de eerste aanleg;

- het verweerschrift van verweerder, met bijlagen, door de griffie van het hof

ontvangen per e-mail op 23 december 2019 en per post op 30 december 2019.

2.3    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 2 maart 2020, waar alleen verweerder is verschenen.

 

3    KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog aan de orde, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a) (…)

b) zijn einddeclaratie toe te rekenen naar reeds voldane voorschotten;

c) bij de einddeclaratie een bedrag van € 2.160,- aan klager in rekening te brengen voor het opstellen van een enkele brief en de ongefundeerde afwijzing van klagers verzoek hem bij te staan in een andere kwestie en aldus excessief te declareren.

 

4    FEITEN

De raad heeft in de door klager bestreden beslissing de feiten vastgesteld, zoals in die beslissing onder randnummer 2 weergegeven. Er is in hoger beroep geen aanleiding deze feitenvaststelling te wijzigen. De door de raad vastgestelde feiten vormen dus ook in hoger beroep het uitgangspunt bij de beoordeling van de klacht.

 

5    BEOORDELING

5.1    Het hof stelt voorop dat het door klager ingestelde hoger beroep zich niet richt tegen de beslissing van de raad met betrekking tot klachtonderdeel a), dat door de raad gegrond is bevonden. Op grond van het bepaalde in artikel 56 lid 1 aanhef en onder a Advocatenwet staat klager daartegen ook geen beroep open. Ook verweerder is dienaangaande niet in hoger beroep gekomen. Aan de orde zijn nog slechts de klachtonderdelen b) en c), die door de raad ongegrond zijn verklaard.

5.2    Het hof ziet op basis van het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de raad. In hetgeen is aangevoerd, ziet het hof niet meer dan een herhaling van de door klager eerder ingenomen standpunten, die door de raad reeds zijn besproken. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de raad en neemt die over. Hetgeen in hoger beroep nog aanvullend naar voren is gebracht door klager, leidt het hof niet tot een ander oordeel. Reeds in eerste aanleg heeft verweerder de omvang en inhoud van de door hem voor klager verrichte werkzaamheden voldoende onderbouwd en daarmee de standpunten van klager dienaangaande weerlegd. 

Het hof verwerpt de grieven van klager en zal de beoordeling van de raad bekrachtigen.

 

BESLISSING

Het Hof van Discipline:

-    bekrachtigt de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 21 oktober 2019, gewezen onder nummer 18-883.

 

Aldus gewezen door mr. A.M. van Amsterdam, voorzitter, en mrs. M.L. Weerkamp en J.M. Atema, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J.M. Lauvenberg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2020.    

griffier            voorzitter   

De beslissing is verzonden op 8 mei 2020