Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

08-05-2020

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2020:104

Zaaknummer

190074

Inhoudsindicatie

bekrachtiging beslissing raad (artikel 46 Advocatenwet).

Uitspraak

BESLISSING

van 8 mei 2020

in de zaak 190074

naar aanleiding van het hoger beroep van:

verweerster

tegen:

klager

 

1    HET GEDING IN EERSTE AANLEG

1.1    Het hof verwijst naar de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag (verder: de raad) van 11 februari 2019, gewezen onder nummer 18-782/DH/DH, op die datum aan partijen toegezonden. Bij deze beslissing heeft de raad de klacht van klager tegen verweerster gegrond verklaard en aan verweerster de maatregel van waarschuwing opgelegd.  

1.2    Deze beslissing is gepubliceerd op tuchtrecht.nl als ECLI:NL:TADRSGR:2019:23.

 

2    HET GEDING IN HOGER BEROEP

2.1    Het beroepschrift, waarbij verweerster van deze beslissing van de raad in hoger beroep is gekomen, is door de griffie van het hof ontvangen per telefax op 12 maart 2019 en per post op 13 maart 2019.

2.2    Het hof heeft voorts kennisgenomen van:

- het dossier van de raad;

- het verweerschrift van klager, door de griffie van het hof ontvangen per e-mail op 30 april 2019;

- de nagezonden stukken van klager, te weten de brief van 17 februari 2020 met (een usb-stick met) bijlagen.

2.3    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 2 maart 2020, waar zowel verweerster als klager zijn verschenen en hun standpunten hebben toegelicht aan de hand van pleitnota’s.

 

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster dat zij weigerde om de administratie uit de periode dat klager met zijn ex-echtgenote (verder: de vrouw) samenleefde en gehuwd was aan klager te verstrekken. Klager stelt veel pogingen te hebben gedaan om de administratie (die zich volgens de vrouw en volgens verweerster) bij verweerster bevond te verkrijgen. Hij heeft het voorstel van verweerster om op 18 mei 2018 de administratie te komen inzien aanvaard, maar deze afspraak is door verweerster op 17 mei 2018 afgezegd. Klager heeft op een later moment bij de vrouw alsnog een doos met stukken in ontvangst genomen.

3.2    In hoger beroep heeft verweerster aangevoerd dat de klacht door de raad te ruim zou zijn opgevat. Het hof volgt verweerster daarin niet. Uit het proces-verbaal van de zitting bij de raad blijkt dat de voorzitter de klacht bij die gelegenheid heeft samengevat en aan klager heeft gevraagd of zijn klacht in het dekenstandpunt correct was weergegeven, wat klager heeft bevestigd. Verweerster heeft dit bij die gelegenheid niet betwist. Er moet daarom van uit worden gegaan dat zij zich in de klachtomschrijving door de deken, zoals herhaald door de raad, kon vinden. Ook in hoger beroep wordt de klacht zoals hiervoor omschreven daarom als uitgangspunt genomen.

 

4    FEITEN

De raad heeft in de bestreden beslissing de feiten vastgesteld, zoals in die beslissing onder randnummer 2 weergegeven. Er is in hoger beroep geen aanleiding deze feitenvaststelling te wijzigen. De door de raad vastgestelde feiten vormen dus ook in hoger beroep het uitgangspunt bij de beoordeling van de klacht.

 

5    BEOORDELING

5.1    Het hof ziet op basis van het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de raad. In hetgeen is aangevoerd, ziet het hof grotendeels een herhaling van de door verweerster eerder ingenomen standpunten, die door de raad reeds zijn besproken. Het hof sluit zich wat dat betreft aan bij de beoordeling van de raad en neemt die over.

5.2    Hetgeen verweerster aanvullend naar voren heeft gebracht, leidt niet tot een ander oordeel.

5.3    Zo is de stelling van verweerster dat zij niet gehouden is om (de advocaat van) klager een afschrift te verstrekken van haar dossier, op zichzelf juist. Net als de raad is het hof echter van oordeel dat uit de verzoeken van de zijde van klager niet volgt dat hij heeft beoogd een afschrift te ontvangen van het volledige dossier waarover verweerster beschikte. Uit de verzoeken blijkt dat klager slechts wenste te beschikken over (een kopie van) de administratie van hem en de vrouw, zoals door de vrouw aan verweerster verstrekt. Dit aanvullend verweer slaagt om die reden niet.

5.4    In hoger beroep heeft verweerster zich voorts aanvullend beroepen op haar geheimhoudingsplicht (zoals verankerd in gedragsregel 3) die zich uitstrekt over alle informatie (‘mijn volledige dossier’) die zij van haar cliënte ontvangt dus inclusief de privé administratie van klager en de vrouw, die de vrouw had afgegeven. Alsdan was zij niet gehouden om die stukken die tot haar dossier behoren, af te geven.

5.5    Het hof volgt verweerster hierin niet. Het argument dat haar geheimhoudingsplicht aan verstrekking van die stukken in de weg zou staan, heeft verweerster, anders dan zij stelt, in haar correspondentie met de advocaat van klager niet eerder (kenbaar) gevoerd. Tot aan de klachtprocedure was dit geen discussiepunt. Indien zij dit wel had gedaan, had de deken dienaangaande ook een bemiddelende rol kunnen spelen. Veeleer moet ervan worden uitgegaan dat zij andere redenen had om niet onverwijld en volledig aan de verzoeken gehoor te geven. Dit vindt bevestiging in het aanbod (onder voorbijgaan aan haar geheimhoudingsplicht) om (i) in plaats van originele stukken af te geven kopieën te maken en die te verstrekken, dan wel (ii) de boekhouder van klager toegang te verschaffen tot de originele stukken.

5.6      Met de raad is het hof van oordeel dat verweerster niet met de voortvarendheid die een behoorlijk handelend advocaat betaamt, heeft meegewerkt aan het verstrekken van (delen van) de administratie aan klager. Verweerster heeft daarmee de gerechtvaardigde belangen van haar wederpartij miskend en onevenredig geschaad. De klacht is gegrond.

5.7    Omdat het hof de klacht gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e, vijfde lid, Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden.

5.8    Omdat het hof een beslissing bekrachtigt waarin een maatregel is opgelegd, zal het hof verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten in hoger beroep:                                                                                                                                  

a) € 50,- reiskosten van klager;

b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;

c) € 750,- kosten van de Staat.

5.9    Verweerster moet op grond van artikel 48ac, vierde lid, Advocatenwet het bedrag van € 50,- reiskosten binnen vier weken na deze uitspraak betalen aan klager. Klager moet daarvoor tijdig zijn rekeningnummer schriftelijk doorgeven aan verweerster.

5.10    Verweerster moet op grond van artikel 48ac, vierde lid, Advocatenwet het bedrag aan proceskosten in hoger beroep van € 1.500,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000,

BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer van het hof.

5.11    Omdat het hof de beslissing van de raad met daarin een proceskostenveroordeling bekrachtigt, moet verweerster de proceskosten van de procedure bij de raad ook voldoen. Per 1 maart 2020 zijn andere afspraken tussen de Staat en de Nederlandse Orde van Advocaten gemaakt over de wijze waarop deze proceskosten moeten worden betaald. De raad heeft hier nog geen rekening mee kunnen houden. Daarom bekrachtigt het hof de proceskostenveroordeling zoals de raad die aan verweerster heeft opgelegd maar bepaalt daarbij, in verband met de nieuwe afspraak, dat verweerster het bedrag van € 1.250,- binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, zal overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer van de raad.

 

BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- bekrachtigt de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 11 februari 2019, gewezen onder nummer 18-782/DH/DH;

- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;

- veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten in hoger beroep van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;

- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten in hoger beroep van € 1.500,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;

- bekrachtigt de proceskostenveroordeling van verweerster zoals die door de raad is opgelegd, behalve voor wat betreft de wijze van betaling en bepaalt dat deze proceskostenveroordeling van € 1.250,- in zijn geheel aan de Nederlandse Orde van Advocaten wordt betaald, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

 

Deze beslissing is gegeven door mr. A.M. van Amsterdam, voorzitter, en mrs. M.L. Weerkamp en J.M. Atema, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J.M. Lauvenberg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2020.

griffier            voorzitter    

De beslissing is verzonden op 8 mei 2020