Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

23-09-2019

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2019:187

Zaaknummer

19-543/A/NH

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over de eigen advocaat in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort  Amsterdam

van  23 september 2019

in de zaak 19-543/A/NH

naar aanleiding van de klacht van:

klager

tegen:

verweerster

De voorzitter van de raad van discipline (hierna: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) van 8 augustus 2019 met kenmerk mb/ks19-078/794160, digitaal door de raad ontvangen op dezelfde dag, en van de op de daarbij gevoegde inventarislijst vermelde stukken.

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken, van de volgende feiten uitgegaan.

1.1    Op verzoek van de rechtsbijstandsverzekeraar van klager (hierna: de verzekeraar) heeft verweerster klager vanaf medio 2015 rechtsbijstand verleend in verband met een hoger beroep dat aanhangig was tegen Automobielbedrijf Biesheuvel Amsterdam B.V. (hierna: het automobielbedrijf). Die zaak stond sinds 2013 op de parkeerrol en had betrekking op een auto van het merk Hyundai die klager had gekocht en die verschillende gebreken vertoonde. Bij brief van 10 juni 2015 heeft verweerster de opdracht aan klager bevestigd. In de opdrachtbevestiging staat onder meer:

“Na het ontvangst van het dossier in eerste aanleg zal ik mij bij het Hof stellen en infomeren welke termijn het Hof stelt voor het indienen van de grieven.

Met betrekking tot de uitvoering van de opdracht

Na bestudering van het volledige dossier, waaronder het recente rapport van de recherche zal ik het appel inzetten. Van mijn kant uit zal er geen contact zijn met de advocaat / verzekeringsmaatschappij van de tegenpartij.

(…)

Met betrekking tot de inspanningsverbintenis

In de gesprekken die gevoerd zijn over het aannemen van deze opdracht is meerdere malen verwezen naar het feit dat er sprake is van een faillissement van de tegenpartij in eerste aanleg. (…) Uw belang ligt, naar u mij hebt gezegd, vooral in het feit dat de onrechtmatigheden van de tegenpartij(en) door een gerechtelijk oordeel worden getoetst, een en ander ongeacht het eindresultaat waartoe het Hof uiteindelijk gaat beslissen.”

1.2    Op 24 juli 2015 heeft verweerster aan klager voorgesteld een schadestaatprocedure te starten tegen Greenin Car B.V., mogelijk met toevoeging van de bedrijven van de heer B en de heer K (de importeur van de auto respectievelijk de bedrijven die reparaties aan de auto hebben verricht), en de reeds bij het gerechtshof ingediende appeldagvaarding in de zaak tegen het automobielbedrijf in te trekken. Bij e-mail van dezelfde datum heeft klager met dit voorstel ingestemd, waarna verweerster het hoger beroep heeft ingetrokken.

1.3    Bij brief van 3 augustus 2015 heeft de verzekeraar de opdracht voor het voeren van het hoger beroep ingetrokken en verweerster verzocht  een schadestaatprocedure te starten. Verweerster is vervolgens namens klager een procedure gestart tegen het bedrijf van de heer B en Hyundai Motor Netherlands B.V.

1.4    Bij verzoekschrift van 14 december 2015, aangevuld op 22 februari 2016, heeft verweerster namens klager de rechtbank verzocht de heer K als getuige te horen. Dat verzoek is bij beschikking van 19 mei 2016 toegewezen.

1.5    Bij e-mail van 4 januari 2016 heeft klager verweerster verzocht een afspraak te maken met de voormalige huisarts van klager, mevrouw S. Bij e-mail van dezelfde dag heeft verweerster klager meegedeeld dat zij contact heeft gehad met de voormalige huisarts van klager en dat de huisarts het dossier van klager heeft overgedragen aan de opvolgend huisarts van klager, de heer of mevrouw K, en dat zij het dossier, na toestemming van klager, zal opvragen.

1.6    Bij e-mail van 8 januari 2016 heeft klager verweerster onder meer geschreven:

“We hebben elkaar gesproken gisteren betreft een ander, ik wil toch spreken pyciater van het ziekenhuis met u, over mijn gezondheid met [de heer Van der V].

Ik wens je de Secretariaat te bellen met het verzoeken een afspraak te plannen op korte termijn.

Ik vindt dit toch wel belangrijk om dit te bespreken, bepaalde punten het hoge bloeddruk het pijn beheerst ruime tijd in mijn lichaam.

De arts hoeft niet te betrokken zijn rechtzaak, een verklaring zou misschien iets voor me betekenen, dit moet wel ter plekke, besproken worden.”

1.7    Bij e-mail van dezelfde dag heeft verweerster klager meegedeeld bereid te zijn bij het gesprek (met de arts) aanwezig te zijn, maar hem geadviseerd de informatie geheel voor zichzelf en in de privésfeer te houden. Hierop heeft klager geantwoord “Dan laat ik dit geheel opzij, zoals afgesproken gisteren”.

1.8    Bij brief van 14 december 2016 heeft de verzekeraar verweerster meegedeeld dat de rechtsbijstandsverlening aan klager is beëindigd (vanwege het bedreigen door klager van medewerkers van de verzekeraar) en verweerster verzocht haar einddeclaratie op te maken en haar meegedeeld dat de verdere kosten in de procedures voor eigen rekening van klager komen.

1.9    Bij e-mail van 19 december 2016 heeft verweerster klager onder meer geschreven:

“Het feit dat de financieel ondersteuning wordt stopgezet betekend niet dat de procedure wordt stopgezet tenzij het niet mogelijk is dat mijn uren worden gefinancierd. Indien van toepassing, afwachtend op het vonnis van de rechtbank op 4 januari 2017 a.s., zal ik proberen middels een toevoeging rechtsbijstand financiering te regelen. Lukt dat niet dan kan financiering van mijn uren volgens een voorschotnota plaatsvinden. In januari moeten we maar kijken wat er nog aan procedure mogelijkheden zijn.”

1.10    Bij vonnis van 28 december 2016 heeft de rechtbank de vorderingen van klager jegens het bedrijf van de heer B toegewezen en het bedrijf van de heer B veroordeeld tot vergoeding van de door klager geleden schade, op te maken bij staat. De rechtbank heeft de vorderingen van klager jegens Hyundai afgewezen. Het bedrijf van de heer B is in hoger beroep gegaan van dit vonnis.

1.11    Bij arrest van 18 december 2018 heeft het gerechtshof het vonnis van de rechtbank van 28 december 2016 vernietigd en de vorderingen van klager afgewezen, met veroordeling van klager in de proceskosten in beide instanties.

1.12    Op 20 december 2018 heeft verweerster haar rechtsbijstand aan klager beëindigd.

1.13    Op 19 februari 2019 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat zij:

a)    zich onvoldoende deskundig heeft ingezet;

b)    geen onafhankelijke arts heeft geraadpleegd;

c)    tegen de wil van klager Bureau Jeugdzorg heeft bericht dat klager en zijn vrouw een gevaar vormen voor hun kind;

d)    tegen de wens van klager een zaak heeft ingetrokken;

e)    een bedrag van € 33.000,- heeft gedeclareerd terwijl er niets is gedaan in de zaak van klager;

f)    klager onmenselijk heeft behandeld.

3    VERWEER

3.1    Verweerster voert verweer dat hierna, voor zover van belang, zal worden weergegeven.

4    BEOORDELING

Ontvankelijkheid

4.1    De voorzitter ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of klager kan worden ontvangen in zijn klacht. Ingevolge artikel 46g, eerste lid, onder a, Advocatenwet wordt een klacht door de voorzitter van de raad van discipline niet-ontvankelijk verklaard indien de klacht (bij de deken) wordt ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. De voorzitter dient dit voorschrift ambtshalve toe te passen. Alleen onder (zeer) bijzondere omstandigheden kan een overschrijding van deze termijn verschoonbaar zijn.

4.2    De voorzitter overweegt als volgt. Klager heeft op 19 februari 2019 een klacht ingediend over verweerster. Voor zover de klacht betrekking heeft op een handelen en/of nalaten van verweerster van voor 19 februari 2016 is klager niet-ontvankelijk in zijn klacht. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht, is niet gebleken. Dit betekent dat klager in ieder geval niet-ontvankelijk is in klachtonderdelen b) en d), nu uit het klachtdossier blijkt dat de feiten waarop deze klachtonderdelen betrekking hebben zich hebben voorgedaan voor 19 februari 2016 (klager heeft in januari 2016 contact met verweerster gehad over het raadplegen van een arts en het hoger beroep is op 3 augustus 2015 ingetrokken). Klager is niet-ontvankelijk in de overige klachtonderdelen voor zover deze klachtonderdelen betrekking hebben op de periode voor 19 februari 2016.

Inhoudelijk

4.3    De voorzitter stelt voorop dat bij de beoordeling van de kwaliteit van de dienstverlening aan een cliënt rekening moet worden gehouden met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes - zoals over procesrisico en kostenrisico - waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt.

Klachtonderdeel a)

4.4    In dit klachtonderdeel verwijt klager verweerster dat zij niet deskundig is. Volgens klager is het de schuld van verweerster dat hij de zaak heeft verloren; volgens klager heeft verweerster te weinig betwist, de harde feiten onvoldoende inhoudelijk aangegeven en te weinig gerichte vragen aan de wederpartij gesteld.

4.5    De voorzitter is van oordeel dat klager dit klachtonderdeel onvoldoende concreet heeft onderbouwd om tot een gegrondverklaring te komen. Klager heeft gesteld dat verweerster te weinig heeft betwist, maar heeft dit nader niet geconcretiseerd. Klager heeft ook niet aangegeven welke feiten verweerster had moeten aanvoeren maar dat niet heeft gedaan of welke vragen zij aan de wederpartij had moeten stellen. Reeds gelet hierop is klachtonderdeel a), voor zover dit ziet op de periode na 19 februari 2016, kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel c)

4.6    Klager heeft dit klachtonderdeel niet toegelicht. Uit het antwoord van verweerster maakt de voorzitter op dat er door de politie een zorgmelding is gedaan met als gevolg een onderzoek door Bureau Jeugdzorg. Dat niet de politie maar verweerster de zorgmelding heeft gedaan heeft verweerster betwist en blijkt ook nergens uit. Klachtonderdeel c) is eveneens kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel e)

4.7    Voorop staat dat de tuchtrechter geen declaratiegeschillen beoordeelt, maar wel waakt tegen excessief declareren. Of een declaratie als excessief moet worden aangemerkt, hangt af van alle omstandigheden van het geval.

4.8    Daargelaten de vraag of verweerster inderdaad € 33.000,- voor haar werkzaamheden ten behoeve van klager heeft ontvangen, hetgeen de voorzitter niet kan vaststellen, heeft klager niet onderbouwd waarom dit bedrag excessief zou zijn. Ook klachtonderdeel e) is derhalve kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel f)

4.9    Dat verweerster klager onmenselijk heeft behandeld heeft klager onvoldoende onderbouwd en blijkt ook niet uit het klachtdossier. Klachtonderdeel f), voor zover dit klachtonderdeel ziet op de periode na 19 februari 2016, is eveneens kennelijk ongegrond.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

- klager, met toepassing van artikel 46g, eerste lid, onder a, Advocatenwet, niet-ontvankelijk in klachtonderdelen a) en f), voor zover deze klachtonderdelen zien op de periode voor 19 februari 2016, en klachtonderdelen b) en d);

- de klacht voor het overige, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus in het openbaar uitgesproken door mr. C. Kraak, plaatsvervangend voorzitter, met bijstand van mr. S. van Excel als griffier op 23 september 2019.

Griffier     Voorzitter

mededelingen van de griffier ter informatie:

Deze beslissing is in afschrift op 23 september 2019 verzonden.