Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

10-05-2019

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2019:152

Zaaknummer

180306

Inhoudsindicatie

Klacht tegen eigen advocaat. Verweerder zou klager bij het aangaan van de overeenkomst van opdracht met het incassobureau onvoldoende hebben geïnformeerd over de hieraan verbonden voorwaarden; verweerder zou deze overeenkomst zijn aangegaan zonder overleg met klager over de daaraan verbonden voorwaarden en kosten en die kosten vervolgens hebben doorberekend aan klager; verweerder zou klager onvoldoende informeren over de uitvoering van de incasso-opdracht.  Het hof is van oordeel dat verweerder te lichtvaardig in zee is gegaan met het incassobureau, nadat zijn vaste deurwaarder, gelet op het gevraagde voorschot voor zijn werkzaamheden, niet in aanmerking kwam. De gebrekkige informatievoorziening door verweerder voorafgaand aan het aangaan van de incasso overeenkomst weegt niet op tegen de - naar het hof ook aanneemt - goede intenties van verweerder om klager te helpen bij de incasso van zijn vordering.  Alles overziend acht het hof een maatregel van een waarschuwing voor verweerder passend en geboden. De beslissing van de raad zal dan ook worden vernietigd voor zover er is bepaald geen maatregel op te leggen. Gedeeltelijke vernietiging beslissing van de raad, oplegging waarschuwing.

Uitspraak

BESLISSING

van 10 mei 2019

in de zaak 180306

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klager

tegen:

verweerder

 

1    HET GEDING IN EERSTE AANLEG

Het hof verwijst naar de tussenbeslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch (verder: de raad) van 26 maart 2018, gewezen onder nummer 17-1012/DB/ZWB, aan partijen toegezonden op 26 maart 2018, en de eindbeslissing van de raad van 29 oktober 2018, gewezen onder hetzelfde nummer, aan partijen toegezonden op 29 oktober 2018. In de eindbeslissing is klachtonderdeel 1 van klager tegen verweerder gegrond verklaard en zijn klachtonderdelen 2 en 3 van klager tegen verweerder ongegrond verklaard. De raad heeft daarbij bepaald dat geen maatregel wordt opgelegd. De raad heeft verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht van € 50,-- aan klager.

De eindbeslissing is gepubliceerd op tuchtrecht.nl als ECLI:NL:TADRSHE:2018:149.

 

2    HET GEDING IN HOGER BEROEP

2.1    Het beroepschrift waarmee klager tegen deze beslissing voor wat betreft  klachtonderdelen 2 en 3 in hoger beroep is gekomen, is op 26 november 2018 ter griffie van het hof ontvangen.

2.2    Het hof heeft voorts kennis genomen van:

-    de stukken van de eerste aanleg;

-    het verweerschrift van verweerder van 9 januari 2019;

-    een e-mail met bijlagen van verweerder van 28 februari 2019.  

2.3    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld ter openbare zitting van 15 maart 2019, waar klager en verweerder zijn verschenen.

 

3    KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

1. verweerder bij het aangaan van de overeenkomst van opdracht met het incassobureau klager onvoldoende heeft geïnformeerd over de voorwaarden die zijn verbonden aan de incasso-overeenkomst;

2. verweerder klager onvoldoende informeert over de uitvoering van de incasso-opdracht.

3. verweerder niettegenstaande het bepaalde in de Wet op de Rechtsbijstand (artikel 40), het Besluit vergoedingen Rechtsbijstand 2000 (artikel 40) en het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders (artikelen 1, 3, 9, 10 en 13) een overeenkomst van opdracht met een incassobureau is aangegaan, zonder overleg met klager over de daaraan verbonden voorwaarden en kosten en die kosten heeft doorberekend aan klager (artikel 24 lid 2, gedragsregels 1992).

    

4    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan.

4.1    De heer M is bij vonnis van 30 juli 2014 veroordeeld tot betaling van een aanzienlijke schadevergoeding aan klager wegens onrechtmatig handelen jegens klager. Verweerder heeft klager in deze procedure bijgestaan. De schadevergoeding ziet op reeds geleden schade en op in de toekomst nog te lijden schade (€ 7.700 per jaar vanaf juni 2014 tot en met juni 2051).

4.2     Verweerder heeft een overeenkomst van opdracht gesloten met incassobureau HVB om tot incasso van de vordering van klager op M over te gaan. Er is beslag gelegd op de Wajong-uitkering van de heer M. maandelijks wordt een bedrag van ca. € 70,- geïncasseerd. De kosten van de beslaglegging (€ 1.465,59), de verdere deurwaarderskosten en de provisiekosten van het incassobureau zijn en worden in mindering gebracht op de bedragen die maandelijks worden geïncasseerd.  

4.3     Klager heeft daarnaast in 2015 opdracht verstrekt aan de deurwaarder om beslag te leggen op de roerende goederen die zich bevonden in de woning van de heer M. Dit heeft geen resultaat opgeleverd, aangezien de roerende goederen in de woning aan een derde in eigendom toebehoorden. De kosten van de (vergeefse) beslaglegging zijn bij klager in rekening gebracht.   

4.4     Klager heeft zich in februari 2016 tot de deken gewend. Verweerder heeft hierna op verzoek van de deken bij het incassobureau navraag gedaan naar de berekening van de inkomsten en de kosten en klager hierover per e-mails van 17 en 22 maart 2016 geïnformeerd. De partner van klager schreef per e-mail van 24 maart 2016 het volgende: “(klager) geeft hierbij akkoord om door te gaan”.

4.5     Klager heeft zich op 17 mei 2017 met een klacht tegen verweerder tot de deken gewend.

 

5    BEOORDELING

5.1    Ten aanzien van klachtonderdeel 1 heeft de raad overwogen dat verweerder heeft nagelaten om voor het aangaan van de overeenkomst met het incassobureau klager duidelijk te informeren over de gevolgen van het aangaan van die overeenkomst, waaronder de verschuldigde provisie en de boeteclausule van 15% bij het voortijdig beëindigen van de opdracht. Van verweerder, die overigens ook zelf gedurende zeer lange tijd aan de overeenkomst gebonden blijft, had verwacht mogen worden dat hij klager duidelijk had geïnformeerd over de aan de overeenkomst verbonden voorwaarden. Om ieder misverstand hierover te voorkomen had ook van verweerder verwacht mogen worden dat hij deze schriftelijke informatie schriftelijk had vastgelegd. Verweerder is daarin tekortgeschoten wat hem tuchtrechtelijk valt aan te rekenen, aldus nog steeds de raad.

5.2    Ten aanzien van klachtonderdeel 2 heeft de raad overwogen dat verweerder meerdere malen bij het incassobureau naar de stand van zaken van de incasso heeft geïnformeerd en de door het incassobureau verstrekte overzichten vervolgens aan klager heeft verstrekt. Verweerder valt naar het oordeel van de raad in dit verband geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.

5.3    Ten aanzien van het klachtonderdeel 3 heeft de raad overwogen dat is komen vast te staan dat de incassokosten weliswaar in mindering worden gebracht op de van de wederpartij ontvangen gelden maar dat deze niet bij klager in rekening worden gebracht. Volgens de raad had verweerder er beter aangedaan hierover direct duidelijkheid te verschaffen toen klager zich beklaagde over de verrekening van de kosten van de deurwaarder en het incassobureau, te meer omdat aan klager een toevoeging was verleend. Het onvoldoende informeren is echter reeds bij het eerste klachtonderdeel aan de orde geweest. Nu niet is gebleken dat er door verweerder kosten bij klager in rekening zijn gebracht heeft de raad dit onderdeel van klacht ongegrond verklaard.

5.4    De raad heeft afgezien van het opleggen van een maatregel omdat verweerder zich onverplicht en zonder dat er enige betaling tegenover staat, heeft ingespannen voor de incasso van de vordering van klager en aldus meer nazorg heeft betracht dan van hem verwacht had hoeven worden.

5.5    Het hoger beroep van klager richt zich tegen de ongegrond verklaarde klachtonderdelen 2 en 3.

5.6    Ten aanzien van de ongegrond verklaarde klachtonderdelen 2 en 3 verenigt het hof zich met de overwegingen van de raad en maakt die tot de zijne. Het onderzoek in het hoger beroep heef niet geleid tot andere beschouwingen en of gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de raad. Het hof voegt daar nog aan toe dat ter zitting bij het hof is gebleken dat klager graag meer informatie in de overzichten vermeld wil zien dan tot heden is opgenomen. Hij loopt ertegen aan dat hij van het incassobureau geen informatie krijgt omdat verweerder als opdrachtgever voor het incassobureau geldt. Naast een overzicht van geïncasseerde bedragen en daarop in mindering gebrachte deurwaarderskosten en provisie, wil klager ook vermeld zien de naam van zijn tegenpartij en de hoofdsom die openstaat (zodat hij ook kan zien dat de jaarlijkse verhoging van € 7.700,- ter zake zijn toekomstige schade steeds bij zijn wederpartij in rekening wordt gebracht). Daarbij wil hij die informatie in originele overzichten zowel van de incasserende deurwaarder als van het incassobureau, bij voorkeur vanaf het begin van het incassotraject. Aldus kan hij controleren of het een en ander juist verloopt. Verweerder heeft ter zitting opgemerkt dat hij graag transparant is en toegezegd dat hij bij zijn opdrachtgever, het incassobureau, voormelde informatie zal opvragen en steeds zal doorgeleiden naar klager.

5.7    In het kader van zijn grieven tegen de beslissing van de raad op de klachtonderdelen 2 en 3 heeft klager ook aangegeven dat hij het onbegrijpelijk vindt dat aan verweerder geen maatregel is opgelegd terwijl klachtonderdeel 1 gegrond is verklaard en hij van dat klachtonderdeel de meeste hinder ondervindt. Hij is immers tot in lengte van jaren verbonden aan de incasso-overeenkomst met een boeteclausule en aan de provisie.

5.8    Voor zover klager daarmee heeft bedoeld hoger beroep in te stellen tegen het achterwege laten van het opleggen van een maatregel is hij daarin niet ontvankelijk. Over het feit dat door de raad aan verweerder geen maatregel is opgelegd kan klager op grond van het bepaalde in artikel 56 lid 1 onder a van de Advocatenwet namelijk niet in hoger beroep komen. Doel van het tuchtrecht is, kort gezegd, handhaving van de kwaliteit van de advocatuur. Tegen ongegrond verklaarde klacht(onderdelen) kan dan ook beroep worden ingesteld. Dit brengt echter niet mee dat het bestaan van een beroepsmogelijkheid ook moet worden aangenomen in een geval waarin een klachtonderdeel – zonder oplegging van een maatregel – gegrond is verklaard. Oplegging van een maatregel is immers niet bedoeld als genoegdoening voor de klager van wie een klacht(onderdeel) gegrond is verklaard.

5.9    Niettegenstaande hetgeen in 5.8 is overwogen kan het hof daarvan afwijken als het ambtshalve aanleiding ziet om aan verweerder een maatregel op te leggen.

5.10  Het hof is van oordeel dat de ernst van het verwijt, dat besloten ligt in het gegrond verklaarde klachtonderdeel 1, een maatregel rechtvaardigt. De gevolgen van de door verweerder gesloten incasso-overeenkomst zijn voor klager zeer nadelig. Het hof is van oordeel dat verweerder te lichtvaardig in zee is gegaan met (de voorwaarden van) het incassobureau, nadat zijn vaste deurwaarder, gelet op het gevraagde voorschot voor zijn werkzaamheden, niet in aanmerking kwam. Verweerder heeft ook onvoldoende gezocht naar een goedkoper alternatief voor klager, met name ook omdat aan klager een toevoeging was verleend. Door het handelen van verweerder heeft klager thans te maken met een hoge provisie en omdat hij die in feite voorschiet duurt bovendien het incassotraject langer. Vanwege het lage inkomen waarop klager verhaal haalt, staat bovendien niet vast dat klager ooit zijn volledige vordering kan innen. Klager is verder voor zijn informatie over het incassotraject afhankelijk van verweerder omdat hij zelf geen opdrachtgever is. En tot slot is het niet aantrekkelijk om de incasso overeenkomst voortijdig te beëindigen, gelet op de boeteclausule. De gebrekkige informatievoorziening door verweerder voor het aangaan van de incasso overeenkomst weegt niet op tegen de - naar het hof ook aanneemt - goede intenties van verweerder om klager te helpen bij de incasso van zijn vordering.  

5.11    Alles overziend acht het hof een maatregel van een waarschuwing voor verweerder passend en geboden. De beslissing van de raad zal dan ook worden vernietigd voor zover er is bepaald geen maatregel op te leggen.

5.12    Omdat het hof een maatregel oplegt, zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten in hoger beroep:

a)    € 50,- reiskosten aan klager;

b)    € 1000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten.  

5.13    Verweerder moet op grond van artikel 48ac, vierde lid, en artikel 48aa, tweede tot en met vierde lid, Advocatenwet het bedrag van € 50,- reiskosten binnen vier weken  na deze uitspraak betalen aan klager. Klager moet daarvoor tijdig zijn rekeningnummer schriftelijk doorgeven aan verweerder.

5.14    Verweerder moet op grond van artikel 48ac, vierde lid, en artikel 48aa, tweede tot en met vierde lid, Advocatenwet het bedrag van € 1000 binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer IBAN:NL85 INGB 0000 079000, BIC:INGBNL2A, t.n.v. Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline” en het zaaknummer.

 

BESLISSING

Het Hof van Discipline:

  -    vernietigt de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort 's Hertogenbosch van 29 oktober 2018 in de zaak 17-1012/DB/ZWB, voor zover er geen maatregel is opgelegd.

Opnieuw rechtdoende:

-    legt aan verweerder op de maatregel van waarschuwing;

-    bekrachtigt voor het overige de beslissing van de raad;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten in hoger beroep van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in hoger beroep van € 1000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

Aldus gewezen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. G.J.L.F. Schakenraad en R. Verkijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. V.H. Wagner, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2019.

griffier        voorzitter       

De beslissing is verzonden op 10 mei 2019.