Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

25-03-2019

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2019:128

Zaaknummer

180316

Inhoudsindicatie

Beklag art. 13 Advocatenwet (aanwijzing advocaat). Klager heeft de deken verzocht om aanwijzing van een advocaat in een procedure bij de Raad van Discipline en voor een procedure bij een huurcommissie. De deken heeft het verzoek afgewezen omdat geen sprake is van zaken waarbij een vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven, dan wel uitsluitend door een advocaat kan geschieden. Het hof oordeelt dat de deken het verzoek op juiste gronden heeft afgewezen en verklaart het beklag ongegrond.

Uitspraak

BESLISSING

van 25 maart 2019

in de zaak 180316

 

naar aanleiding van het beklag van:

klaagster

tegen:

de Deken van de Orde van Advocaten

in het arrondissement Amsterdam

de deken

 

1    HET VERZOEK ALS BEDOELD IN ART. 13 LID 1 ADVOCATENWET

Klaagster heeft bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam, verder te noemen ‘de deken’, een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. Per brief van 22 november 2018 heeft de deken dit verzoek afgewezen. In een klaagschrift gedateerd 5 december 2018 heeft klaagster zich beklaagd over het feit dat de deken haar verzoek heeft afgewezen.

 

2    HET GEDING BIJ HET HOF

2.1    Het klaagschrift is op 7 december 2018 ter griffie van het hof ontvangen.

2.2    Het hof heeft voorts kennisgenomen van:

- het e-mailbericht van 7 december 2018, met bijlage, van klaagster;

- de brief van 20 december 2018, met bijlagen, van de deken.

2.3    Het hof heeft de zaak in raadkamer behandeld op 25 februari 2019.

 

3    FEITEN

3.1    Klaagster heeft een klacht ingediend tegen haar voormalige advocaat. De (plaatsvervangend) voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam heeft de klacht van klaagster bij voorzittersbeslissing van 17 september 2018 ten dele kennelijk niet-ontvankelijk en voor het overige kennelijk ongegrond verklaard. Klaagster heeft verzet ingesteld tegen deze beslissing bij de Raad van Discipline (hierna: de raad).

3.2    Verder heeft klaagster een geschil met [woningcorporatie]. In dit geschil is een hoorzitting bij de huurcommissie gepland op 29 november 2018.

3.3    Op 19 november 2018 heeft klaagster de deken verzocht aan haar een advocaat aan te wijzen voor het verlenen van rechtsbijstand in voornoemde kwesties.

3.4    Ter toelichting op dit verzoek heeft klaagster aangevoerd dat zij een klacht tegen haar voormalige advocaat heeft ingediend. Bij de beoordeling van de klacht heeft de raad volgens klaagster echter geen rekening gehouden met de omstandigheid dat klaagster geen rechten heeft gestudeerd en dat zij zich dient te verdedigen tegen een doorgewinterde advocaat. Klaagster heeft om uitstel van het verzet moeten vragen, welk verzoek is toegewezen tot januari 2019. Ten aanzien van de procedure bij de huurcommissie heeft klaagster opgemerkt dat zij hard heeft moeten vechten om bij de huurcommissie terecht te komen. De zitting bij de huurcommissie is op korte termijn en klaagster zal de huurcommissie benaderen voor een mogelijk uitstel. Als klaagster het zonder advocaat tegen woningcorporatie Ymere moet opnemen is geen sprake van een eerlijke procedure.

3.5    Het verzoek tot aanwijzing van een advocaat is bij beslissing van 22 november 2018 door de deken afgewezen. De deken heeft de afwijzing gemotiveerd door te overwegen dat uit artikel 13, eerste lid, van de Advocatenwet volgt, dat het moet gaan om een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven, dan wel uitsluitend door een advocaat kan geschieden. Die situatie doet zich niet voor.

 

4    BEOORDELING

4.1    Het beklag van klaagster houdt in dat het haar niet lukt om in haar zaken bijstand van een advocaat te krijgen. Klaagster voelt zich overgelaten aan willekeur van individuen en instanties, terwijl zij dringend duidelijkheid en hulp nodig heeft. Klaagster wijst erop dat zij geen rechten heeft gestudeerd, het Nederlands niet haar moedertaal is en zij niet op begrip van [woningcorporatie] hoeft te rekenen, en daarom haar eigen belangen in de procedure bij de huurcommissie niet kan verdedigen. Ten aanzien van de klachtprocedure tegen haar voormalige advocaat is klaagster eveneens van mening dat zij de benodigde juridische kennis ontbeert en dat de raad daarmee ten onrechte geen rekening heeft gehouden.

4.2    De deken stelt in zijn verweer van 20 december 2018, kort samengevat, dat de wetgever in de wet heeft vastgelegd in welke voorkomende gevallen vertegenwoordiging in een procedure door een advocaat is vereist. De door klaagster genoemde procedures bij de raad en de huurcommissie vallen daar niet onder. Deze procedures zijn niet complex en een burger wordt in staat geacht om zijn eigen belangen in voldoende mate te vertegenwoordigen. De deken heeft er voorts op gewezen dat een advocaat voor deze procedures geen toevoeging kan krijgen, hetgeen betekent dat verweerster de kosten voor haar rekening dient te nemen.

4.3    Ingevolge genoemd artikel van de Advocatenwet kan een verzoek tot aanwijzing van een advocaat worden gedaan door de rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bijstand te verlenen in een zaak, waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de deken het verzoek alleen wegens gegronde redenen kan afwijzen.

4.4    Het hof oordeelt dat de deken het verzoek van klaagster op juiste gronden heeft afgewezen, nu de procedures waarvoor zij bijstand van een advocaat wenst (bijstand in een tuchtprocedure bij de raad en bijstand in een procedure bij de huurcommissie), geen procedures betreffen waarin verplichte bijstand van een advocaat is voorgeschreven, of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden. De deken was daarom niet gehouden aan klaagster een advocaat toe te wijzen.

4.5    Het beklag tegen de afwijzende beslissing van de deken moet daarom ongegrond worden verklaard.

 

BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- verklaart het beklag van 5 december 2018 van klaagster tegen de beslissing van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam ongegrond.

 

Aldus gewezen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. T. Zuidema en R.H. Broekhuijsen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Bijleveld, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2019.