Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

24-06-2019

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2019:136

Zaaknummer

19-120/DH/DH

Inhoudsindicatie

Raadbeslissing. Anders dan klaagster, verweerster en de deken ziet de raad redenen ontleend aan algemeen belang om klacht voort te zetten. De verweten gedragingen raken immers aan een andere kernwaarde dan die van deskundigheid, in het bijzonder integriteit. Daar komt bij dat verweerster de ongeoorloofdheid van haar handelwijze heeft betwist. De raad acht beide klachtonderdelen (excessief declareren en in de gegeven omstandigheden onvoldoende deugdelijke voorlichting over mogelijkheden toevoeging) gegrond. Berisping.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag

van 24 juni 2019

in de zaak 19-120/DH/DH

 

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

 

over:

 

verweerster

gemachtigde: mr. S.

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Bij brief van 16 september 2017 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag een klacht ingediend over verweerster.

1.2    Bij brief aan de raad van 31 januari 2019 met kenmerk K219 2017 ar/sh, door de raad ontvangen op 1 februari 2019, heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.3    De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 29 april 2019 in aanwezigheid van klaagster en verweerster, bijgestaan door haar gemachtigde. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennis genomen van het van de deken ontvangen dossier. De raad heeft voorts kennis genomen van de e-mail met bijlage van de gemachtigde van verweerster van 15 april 2019.

1.5    Na de sluiting van de behandeling ter zitting, maar vóór de ter zitting aangezegde uitspraakdatum 24 juni 2019, heeft klaagster bij e-mail van 30 mei 2019 de griffie van de raad bericht dat zij de klacht tegen verweerster wenst in te trekken. Uit die e-mail blijkt voorts dat tussen klaagster en het advocatenkantoor waar verweerster aan verbonden is, een overeenstemming is bereikt om de rekening ter hoogte van aanvankelijk

€ 121.000,-, daarna € 72.0000,- tot uiteindelijk € 15.000,- inclusief btw terug te brengen, onder de voorwaarde dat klaagster haar klacht zou intrekken.

1.6    Bij brief van 4 juni 2019 heeft verweerster de raad bericht dat zij geen voortzetting van de behandeling van de klacht wenst.

1.7    Bij brief van 5 juni 2019 heeft de deken de raad bericht dat hij geen aanleiding ziet om te verzoeken om voortzetting van de behandeling van de klacht om redenen van algemeen belang.

 

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan.

2.1    De vader en moeder van klaagster zijn respectievelijk in 2009 en 2013 overleden.

2.2    Klaagster heeft zich op 18 januari 2013 gewend tot mr. W., een kantoorgenoot van verweerster, verbonden aan [naam advocatenkantoor], omdat zij bijstand wenste bij de afwikkeling van de nalatenschap van haar overleden ouders.

2.3    Bij brief van 18 januari 2013 heeft mr. W. klaagster bevestigd dat zij klaagster, hoewel zij waarschijnlijk in aanmerking komt voor gefinancierde rechtsbijstand, op betalende basis zal bijstaan. Het uurtarief van mr. W. bedroeg in januari 2015 € 195,-.

2.4    Bij brief van 14 februari 2013 heeft mr. W. klaagster onder meer het volgende bericht:

    “(…) U heeft mij aangegeven af te zien van rechtsbijstand door [naam rechtsbijstandskantoor] en het dossier te willen laten behandelen door [naam advocatenkantoor] (…)” 

2.5    Enkele maanden later heeft verweerster, vanwege het vertrek van haar kantoorgenote mr. W., de zaak van klaagster overgenomen en daarbij hetzelfde uurtarief gehanteerd als haar voorgangster.

2.6    Bij e-mail van 3 februari 2015 heeft verweerster klaagster het volgende geschreven:

    “(…) Ik wijs u erop dat de schenkingen die aan u verricht zijn (welke u nog altijd betwist) van een dermate grote orde zijn (in vergelijking met de waarde van de schenkingen die aan uw broers en uw zuster zijn verricht) dat de waarde van het erfdeel/legitieme portie op nagenoeg nihil kan komen te staan. Graag spoedig overleg om te kijken of het nog zinvol is verder te gaan met deze zaak. Ik begrijp uw emotie, maar het kan mogelijk niet meer realistisch zijn in financieel opzicht (gezien de kosten) verder te gaan. De keuze is verder aan u (…)

2.7    Bij e-mail 25 januari 2016 heeft verweerster klaagster onder meer het volgende geschreven:

    “(…) Ik wijs je nogmaals – ondanks dat ik dat al herhaaldelijke malen mondeling heb gemeld – dat je een betaalovereenkomst bent aangegaan met kantoor. Jij blijft derhalve verantwoordelijk voor de voldoening van de facturen. Zoals ik je al heb gemeld, werk ik niet op toevoegingsbasis. Indien jij dit wel wenst in verband met de hoog opgelopen kosten (zie alle facturen die jij maandelijks ontvangt), dan kan ik je doorverwijzen naar een advocaat die op toevoegingsbasis werkt (…)”

2.8    Bij e-mail van 17 augustus 2016 heeft mevrouw B. namens verweerster klaagster onder meer het volgende geschreven:

“(…) Er staat op dit moment een bedrag van € 121.003,24 aan declaraties open. Van dit bedrag is door mijn kantoor een bedrag van € 20.000,-- aan BTW aan de fiscus afgedragen. Voormeld bedrag heeft kantoor dus voorgeschoten, aangezien mijn kantoor dit bedrag niet feitelijk op de kantoorrekening van jou heeft ontvangen. De onderhavige zaak is nog lang niet klaar en betaling van de openstaande declaraties zal dus niet binnen nu en voor het einde van het jaar uit de nalatenschappen van jouw ouders kunnen plaatsvinden. Dit bedrag is volgens mijn kantoorbeleid ontoelaatbaar hoog geworden en hierbij verzoek ik je mij aan te geven hoe deze declaraties voldaan zullen worden, even los gezien van een mogelijke uitkering in de nalatenschappen van jouw ouders. ls het mogelijk om een groot gedeelte van dit bedrag te voldoen? lk weet dat jij je in een lastige financiële positie bevindt, maar wellicht is het mogelijk om dit bedrag ergens te lenen?(…)”

2.9    Bij e-mail van 14 oktober 2016 heeft verweerster klaagster onder meer het volgende geschreven:

“(…) Voor wat betreft de openstaande facturen bericht ik je dat ik binnen kantoor overleg heb gehad en dat [naam advocatenkantoor] -op voorwaarde dat jij een bedrag van € 50.000,-- zult voldoen voor 31 december 2016- er tot 1 januari 2016 geen rechtsmaatregelen zullen worden getroffen.

Dit bedrag is gebaseerd op het bedrag dat [naam vriendin klaagster] en jij noemden gedurende voormelde bespreking. Jullie achtten het redelijk dat jij een dergelijk bedrag aan [naam advocatenkantoor] zou voldoen.

Er is een mogelijkheid dat we een korting verlenen op alle openstaande facturen. Dit zullen jij en ik nog in onderling overleg dienen te bespreken.

lk zal overigens na acceptatie van het voormelde voorstel mij nog volledig inspannen, zodat er hopelijk nog wat uit de nalatenschap van jouw ouders zal komen.(…)”

2.10    Bij e-mail van 1 maart 2017 heeft verweerster klaagster onder meer het volgende

geschreven:

“(…) ik zal jou volgende week het verzoekschrift tot ontslag executeur en benoeming vereffenaar toekomen. In dit kader lijkt het me goed te wijzen op het kostenaspect. Jij bent een betaalovereenkomst met [naam advocatenkantoor] aangegaan. Door de handelingen die ik verder zal gaan verrichten lopen de kosten op. Ik wijs je er nogmaals op dat wij (…) niet op toevoegingsbasis werken en dat ik derhalve geen toevoeging voor jou kan aanvragen (…) Indien jij dit in de toekomst wel zou willen, dan zal ik je doorverwijzen naar een in erfrecht gespecialiseerde advocaat die wel op toevoegingsbasis de zaak kan behandelen. (…)”

2.11    Op 12 september 2017 heeft er een gesprek plaatsgevonden ten kantore van [naam advocatenkantoor] in het bijzijn van klaagster, vergezeld van een vriendin van klaagster en twee gemachtigden van [naam advocatenkantoor]. Bij dat gesprek bleek dat [naam advocatenkantoor] een schikking wenste te bereiken.

 

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende.

a)    Verweerster heeft onzorgvuldig en onbehoorlijk gehandeld jegens klaagster omdat zij voor haar werkzaamheden klaagster te veel in rekening heeft gebracht en daarmee excessief heeft gedeclareerd.

b)    Toen bleek dat klaagster de declaraties niet kon voldoen, heeft verweerster  ten onrechte geen toevoeging voor klaagster aangevraagd.

3.2    Ter toelichting heeft klaagster naar voren gebracht dat zij als gevolg van het handelen van verweerster (onnodige) financiële schade heeft geleden. Telkens als klaagster verweerster er op wees dat haar (spaar)geld op was, gaf verweerster haar te kennen dat de declaraties aan het einde van de procedure zouden worden verrekend met het erfdeel dat aan klaagster zou worden toegewezen. Volgens klaagster had verweerster, die blijkens de lijst bij de Orde van Advocaten op toevoegingsbasis werkt, op enig moment een verzoek moeten indienen bij de Raad voor Rechtsbijstand.

3.4    Tijdens het (bemiddelings)gesprek ten kantore van [naam advocatenkantoor] werd namens [naam advocatenkantoor] heel veel druk op klaagster uitgeoefend om voor de vermeende vordering van € 120.000,- geld te lenen bij bijvoorbeeld familie, terwijl de werkzaamheden van verweerster zich juist richten tegen de familie(leden) van klaagster.

3.5    Ter zitting heeft klaagster naar voren gebracht dat zij op uitzendbasis werkzaam is (geweest), waardoor zij gedurende de behandeling van de procedure ook weleens geen inkomsten heeft gehad. Vanwege (de complexiteit van) het lijvige dossier wilde klaagster haar zaak niet aan een andere advocaat overdragen. Tot slot heeft klaagster medegedeeld dat de afwikkeling van de nalatenschappen nog steeds niet heeft plaatsgehad.

 

4    VERWEER

4.1    Verweerster betwist klachtwaardig te hebben gehandeld.

4.2    Volgens verweerster heeft zij, anders dan gebruikelijk, de werkzaamheden voor klaagster verricht tegen het (lagere) uurtarief dat haar voorgangster met klaagster was overeengekomen. Tot oktober 2016 heeft klaagster nooit geklaagd over de (hoogte van de) bij haar in rekening gebrachte werkzaamheden door verweerster. Daar komt bij dat de behandeling van de zaak van klaagster, vanwege diverse omstandigheden, veel tijd in beslag heeft genomen.

4.3    Verweerster heeft klaagster juist meermalen erop gewezen dat de declaraties opliepen en klaagster meerdere malen gewaarschuwd voor de kosten, haar handvatten aangereikt om de kosten te beperken dan wel oplossingen aangereikt om de declaraties anderszins te voldoen door bijvoorbeeld te lenen van familie en een betalingsovereenkomst aangeboden.

4.4    Voorts heeft verweerster klaagster meermalen erop gewezen dat [naam advocatenkantoor] geen toevoegingszaken behandelt en dat als klaagster gedurende de behandeling van de zaak recht had op een toevoeging en zij daarvan gebruik wilde maken, zij een toevoegingsadvocaat diende te benaderen. Immers, sinds verweerster bij [naam advocatenkantoor] werkt, behandelt zij geen zaken meer op toevoegingsbasis.

4.5    Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerster medegedeeld dat met tussenkomst van de deken en nadat een deskundige is geraadpleegd, de hoogte van het declaratiebedrag op € 60.000,- kan worden vastgesteld.

 

5    BEOORDELING

Voortzetting ex artikel 47a van de Advocatenwet?

5.1    De raad ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of ingevolge artikel 47a, tweede lid, onder b van de Advocatenwet de behandeling van de klachtzaak om redenen aan het algemeen belang ontleend, moet worden voortgezet.

5.2    Bij de beoordeling daarvan hanteert de raad de in de uitspraak van 23 november 2012, ECLI:NL:TAHVD:2012:YA3524, de navolgende, niet limitatieve uitgangspunten:

(i) indien de feitelijke grondslag van de klacht door de verweerder wordt betwist en prima facie verschillend kan worden gedacht over de waardering van het bewijs daarvan, zal voortzetting van de behandeling doorgaans niet in de rede liggen; met delicate bewijsbeslissingen is geen algemeen belang gemoeid;

(ii) indien de feitelijke grondslag van de klacht onbetwist is of prima facie geen twijfel bestaat dat deze bewezen is, dan is voornamelijk de aard van de geschonden norm bepalend voor de beslissing om de behandeling al dan niet voort te zetten;

(iii) is de aard van de gestelde normschending deze dat de advocaat tekort geschoten is bij de inhoudelijke behandeling van de hem door zijn cliënt toevertrouwde zaak, dan zal voortzetting van de behandeling doorgaans niet geïndiceerd zijn; in zodanig geval prevaleert het belang van de cliënt bij een minnelijke regeling (die doorgaans ten grondslag ligt aan de intrekking van de klacht) boven het algemeen belang dat door de tuchtrechter wordt vastgesteld dat de advocaat de kernwaarde van deskundigheid heeft

geschonden; de ernst van de gestelde tekortkoming zal daarbij van ondergeschikte betekenis zijn; deze zal immers zijn verdisconteerd in de met de cliënt getroffen regeling.

(iv) in andere gevallen zal de beslissing om de behandeling al dan niet voort te zetten afhankelijk zijn van de mate waarin de gestelde normschending raakt aan andere kernwaarden dan deskundigheid bij de behartiging van de belangen van de cliënt, en van de mate waarin het wenselijk voorkomt dat de tuchtrechter de desbetreffende norm (opnieuw) onder de aandacht brengt van de beroepsgroep in het algemeen en/of van de verwerende advocaat in het bijzonder.

(v) voortzetting van de behandeling zal in elk geval geïndiceerd zijn indien de verwerende advocaat de ongeoorloofdheid van zijn (vaststaande) handelwijze ten principale betwist en een beslissing op dat verweer precedentwaarde heeft voor de praktijk.

5.3    De raad overweegt het volgende.

5.4    De raad is ambtshalve ermee bekend dat eerder soortgelijke klachten zijn ingediend tegen verweerster, zodat onderhavige klacht niet op zichzelf staat. Bij beslissing van 7 januari 2019 heeft de raad in de klachtzaak bekend onder nummer 18-293/DH/DH het door klager ingestelde verzet ongegrond verklaard. In een klachtzaak, bij de raad bekend onder nummer 18-1017/DH/DH, heeft klager het ingestelde verzet ingetrokken. Voorts zal de raad in een andere (derde) klachtzaak tegen verweerster met nummer 18-1019/DH/RO bij eveneens vandaag genomen beslissing die klacht deels gegrond verklaren.

5.5    De raad stelt op basis van het klachtdossier en het verhandelde ter zitting vast dat de klacht is ingediend door klaagster over verweerster en dat daarmee sprake is van een klacht van een cliënt over haar eigen advocaat. Naar het oordeel van de raad is de klacht niet alleen terug te voeren op de kwaliteit van de dienstverlening en de communicatie, maar raakt de klacht met name aan de kernwaarde integriteit. Daarmee valt de klacht grotendeels onder het bereik van het hiervoor in 5.2 onder (iv) vooropgestelde uitgangspunt. Nu de verweten gedragingen raken aan een andere kernwaarde dan die van deskundigheid, in het bijzonder integriteit, ziet de raad, anders dan klaagster, verweerster en de deken, mede in aanmerking genomen dat verweerster de ongeoorloofdheid van haar handelwijze heeft betwist, redenen aan het algemeen belang ontleend tot voortzetting van de behandeling van de klacht.

Klachtonderdeel a)

5.6    In de kern komt het verwijt dat klaagster verweerster maakt erop neer dat zij excessief heeft gedeclareerd. Naar het oordeel van de raad is dit verwijt terecht en licht dit als volgt toe.

5.7    De raad stelt op basis van het klachtdossier en het verhandelde ter zitting vast dat verweerster sinds 2013 heeft geprobeerd om (de gerechtelijke procedures omtrent) de nalatenschappen van haar overleden ouders af te wikkelen en dat deze kwestie(s) thans nog niet is/zijn beëindigd. De raad stelt verder vast dat verweerster voor haar werkzaamheden klaagster reeds medio 2016 € 121.003,- in rekening heeft gebracht. Omdat klaagster verweerster te kennen had gegeven dit bedrag niet te kunnen betalen, is na meerdere bemiddelingspogingen dit bedrag terug gebracht naar € 60.000,- en vervolgens tot € 15.000,-.

5.8    Gelet op de hoogte van het aanvankelijke declaratiebedrag in samenhang met de hiervoor geschetste omstandigheden is de raad van oordeel dat het op de weg van verweerster had gelegen om, in weerwil van de (onzekere) uitkomst van de erfrechtprocedure, (eerder) te besluiten haar werkzaamheden voor klaagster te beëindigen of - in weerwil van het kantoorbeleid - op toevoegingsbasis te moeten voortzetten. Dit geldt te meer nu verweerster blijkens de in randnummer 2.6 genoemde brief reeds in februari 2015 bekend was met de omstandigheid dat de waarde van het erfdeel/legitieme portie (waarmee aanvankelijk de declaraties van verweerster zouden worden betaald) op nagenoeg nihil kon komen te staan. Verweerster had aldus minst genomen behoren te weten dat de betaling van de declaratie(s) voor klaagster problematisch zou worden. Dat de zaak van klaagster vanwege diverse omstandigheden complex en tijdrovend is geweest, doet daar niet aan af. Van verweerster had immers als professional een actieve opstelling mogen worden verwacht en zij had eerder maatregelen moeten treffen om klaagster tegen zichzelf in bescherming te nemen. De daartoe door verweerster gemaakte meldingen van de oplopende rekening, haar voorgestelde oplossingen en ondernomen inspanningen zijn naar het oordeel van de raad, de concrete omstandigheden van het geval in aanmerking nemend, volstrekt onvoldoende geweest. De raad is van oordeel dat verweerster door haar handelwijze de (financiële) belangen van klaagster niet zorgvuldig heeft behandeld en in strijd met de kernwaarde integriteit heeft gehandeld. Dit klachtonderdeel is dan ook gegrond.

Klachtonderdeel b)

5.9    Voor zover dit klachtonderdeel ziet op het verwijt van klaagster dat verweerster heeft nagelaten om - toen bleek dat de financiële middelen van klaagster waren uitgeput - een toevoeging voor haar aan te vragen, overweegt de raad als volgt.

5.10    Op basis van het klachtdossier en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht staat vast dat klaagster aanvankelijk met de voorgangster van verweerster, bij gelegenheid van het intakegesprek heeft gesproken over de mogelijkheid om een toevoeging aan te vragen en dat klaagster toen expliciet afstand heeft gedaan van rechtsbijstand op toevoegingsbasis. Gedurende de looptijd van de behandeling van de zaak van klaagster door verweerster verslechterde de financiële situatie van klaagster. Daarnaast bleek dat de waarde van het erfdeel/legitieme portie (waarmee aanvankelijk de declaraties van verweerster zouden worden betaald) op nagenoeg nihil kon komen te staan. Hoewel klaagster aanvankelijk niet voor door de overheid gefinancierde rechtsbijstand in aanmerking kwam en daar aanvankelijk ook uitdrukkelijk afstand van heeft gedaan, betekent zulks niet dat zij in de tussentijd vanwege haar verslechterde financiële situatie niet in aanmerking had kunnen komen voor rechtsbijstand op toevoegingsbasis. Het had op de weg van verweerster gelegen om bij de veranderde financiële situatie van klaagster, tussentijds klaagster daarover deugdelijk voor te lichten, de mogelijkheid om een toevoeging aan te vragen te onderzoeken en desnoods de zaak zelf neer te leggen. In weerwil van dit alles is verweerster op betalende basis met de zaak van klaagster (te lang) doorgegaan, zoals ook hiervoor in randnummer 5.9 overwogen. Dat klaagster haar zaak niet wenste over te dragen aan een andere advocaat vanwege de omvang en complexiteit van het dossier, maakt zulks niet anders. Klachtonderdeel b is derhalve gegrond.

 

6    MAATREGEL

6.1    Onder verwijzing naar het vorenstaande oordeelt de raad beide klachtonderdelen gegrond. Daaruit blijkt dat verweerster onvoldoende besef lijkt te hebben van de kernwaarde (financiële) integriteit in de behandeling van de zaak van klaagster. Weliswaar is inmiddels een schikking bereikt, maar uit verweersters in de klachtzaak ingenomen standpunten en haar houding ter zitting is de raad onvoldoende gebleken dat zij zich de ernst van de gemaakte verwijten realiseer

6.2    Op grond van de ernst van de gedragingen van verweerster en de (financiële) gevolgen daarvan voor klaagster, acht de raad een maatregel van berisping passend en geboden.

 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1    Omdat de raad de klacht in beide onderdelen gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e, vijfde lid, Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50 aan haar vergoeden.

7.2     Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten, bestaande uit € 1.000 kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten.

7.3     Verweerster moet het bedrag van € 1.000 binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer IBAN:NL85 INGB 0000 079000, BIC:INGBNL2A, t.n.v. Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline” en het zaaknummer.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    bepaalt dat de behandeling van de klachtzaak wordt voortgezet;

-    verklaart klachtonderdelen a en b gegrond;

-    legt aan verweerster de maatregel van berisping op;

-    veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50 aan klaagster;

-    veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1000 aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3.

Aldus beslist door mr. M.P.J.G. Göbbels, voorzitter, mrs. A. Schaberg, P.J.E.M. Nuiten, M. van den Boogerd en M.P. de Klerk, leden, bijgestaan door mr. D.L. van Lijf als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2019.