Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

03-06-2019

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2019:42

Zaaknummer

180321

Inhoudsindicatie

Klacht tegen advocaat wederpartij. Verweerster zou de geheimhoudingsverplichting hebben geschonden van de tussen klaagster en verweersters cliënte gesloten mediationovereenkomst, door hetgeen verweerster heeft gesteld in de arbeidsrechtelijke procedure. Het hof overweegt dat verweerster blijkens de processtukken heeft geciteerd uit een brief van de advocaat van klaagster aan verweersters cliënte, welke brief, blijkens de inhoud ervan, valt onder de geheimhouding omtrent de inhoud van de mediation. Het was verweerster dus niet toegestaan om in de gerechtelijke procedure in eerste aanleg en in hoger beroep melding te maken van het bestaan en de inhoud van deze brief. Dit klemt te meer nu de advocaat van klaagster tevoren nadrukkelijk haar aandacht heeft gevraagd voor de geheimhouding van de mediation. Door niet aan deze verplichting te voldoen en ontoelaatbare mededelingen te doen over de inhoud van de mediation, heeft verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Gedeeltelijke bekrachtiging beslissing van de raad, bekrachtiging waarschuwing. Proceskostenveroordeling.

Uitspraak

BESLISSING                                   

van 3 juni 2019

in de zaak 180321

naar aanleiding van het hoger beroep van:

verweerster

tegen:

klaagster

1    HET GEDING IN EERSTE AANLEG

Het hof verwijst naar de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (verder: de raad) van 13 november 2018, gewezen onder nummer          18-719/A/A, aan partijen toegezonden op 13 november 2018. In deze beslissing heeft de raad de klacht van klaagster tegen verweerster gegrond verklaard en aan verweerster de maatregel van waarschuwing opgelegd. De raad heeft verweerster tevens veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

De beslissing is gepubliceerd op tuchtrecht.nl als ECLI:NL:TADRAMS:2018:214.

 

2    HET GEDING IN HOGER BEROEP

2.1    Het beroepschrift waarmee verweerster tegen deze beslissing in hoger beroep is gekomen, is op 11 december 2018 ter griffie van het hof ontvangen.

2.2    Het hof heeft voorts kennis genomen van:

-    de stukken van de eerste aanleg;

-    het verweerschrift van klaagster van 28 januari 2019.

2.3    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld ter openbare zitting van 11 februari 2019, waar [naam bestuurder van klaagster] (bestuurder van klaagster) en verweerster zijn verschenen.

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat zij de geheimhoudingsverplichting ingevolge de mediation heeft geschonden door in de    hierna in 4.9 en 4.11 genoemde passages uit haar verweerschrift en haar beroepsschrift gebruik en melding te maken van verslagbevindingen uit de mediationgesprekken.

4    FEITEN

Voor zover in hoger beroep van belang is het volgende komen vast te staan:

4.1     Klaagster, een kinderdagverblijf, heeft een geschil gehad met een (inmiddels ex-) werkneemster (hierna: de werkneemster). Klaagster is in de loop van 2015 bekend geworden met het feit dat er volgens de politie een dreiging zou kunnen bestaan op het leven van de werkneemster.

4.2    In een e-mail van 30 november 2015 schreef werkneemster aan klaagster onder meer:

“Ik wil u vragen wat u nu van mij verwacht. U geeft aan in uw vorige email dat ik niet open sta voor een gesprek terwijl ik geen opties heb gekregen. Het enige wat ik te horen heb gekregen tijdens het gesprek (hof: kennelijk op 18 november 2015) dat moest gaan over mijn ziekteverzuim en ontwikkeling voor re-integratie is dat u afscheid van mij wilt nemen.”. 

4.3    In een brief van 4 december 2015 schreef klaagster aan werkneemster onder meer:

“We hebben je geïnformeerd dat wij niet zien hoe jij nog aanwezig kan zijn in een omgeving met een kwetsbare groep kleine kinderen, nu je op een dodenlijst staat. Op basis hiervan hebben we op 18 november jl. (ook) de optie afscheid nemen ter sprake gebracht.”

4.4     Op 13 januari 2016 en 10 februari 2016 hebben, (mede) op advies van de bedrijfsarts, mediationgesprekken plaatsgevonden tussen klaagster en de werkneemster. De mediationgesprekken hebben niet tot een oplossing voor de ontstane situatie geleid.

4.5     Bij brief van 15 februari 2016 heeft de advocaat van klaagster de werkneemster een beëindigingsvoorstel gedaan. De brief luidt, voor zover van belang:

“Onder verwijzing naar de tweede mediationbijeenkomst die u afgelopen woensdag 10 februari jl. (…) heeft gehad (…) stuur ik u conform afspraak in de bijlage een voorstel voor een beëindigingsregeling.

Het voorstel bestaat er in essentie uit dat u de komende 2 ½ maand – tot 1 mei a.s. – met behoud van uw salaris bent vrijgesteld van werkzaamheden, zodat u die periode desgewenst kunt gebruik om vanuit een lopend dienstverband op zoek te gaan naar ander werk. (…) Ervan uitgaande dat partijen de beëindigingsregeling deze maand tekenen, zou u aansluitend aan het einde van uw dienstverband een WW-uitkering kunnen aanvragen. Het Kinderdagverblijf gaat er daarbij wel vanuit dat u hersteld bent; om aanspraak te kunnen maken op een WW-uitkering dient u namelijk beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt. Het Kinderdagverblijf stelt als voorwaarde voor de regeling dat u zich op het moment van tekenen hersteld meldt en houdt (tot tenminste 4 weken na de einddatum). Indien u niet hersteld (gemeld) bent zou het kunnen zijn dat het UWV een (Ziektewet- en/of Werkeloosheids)uitkering weigert. (…)

Het Kinderdagverblijf vindt het – voor beide partijen – een bijzonder vervelende situatie en spreekt de hoop en verwachting uit dat partijen, in de beslotenheid van de mediation en met geheimhouding, samen een beëindigingsregeling kunnen sluiten Mocht dit om welke reden dan ook niet lukken, dan zal het Kinderdagverblijf dat betreuren. In dat geval zal zij zich geen andere keuze zien dan de mediation te beëindigen en de kwestie aan de rechter voor te leggen.

Onder voorbehoud van rechten en weren. Voor vragen en overleg – bij voorkeur via uw jurist – ben ik beschikbaar (…)”.

4.6     De werkneemster heeft zich op 23 februari 2016, tot verweerster gewend met het verzoek haar bij te staan in het geschil met klaagster.

4.7     Bij e-mail van 26 februari 2016 heeft de advocaat van klaagster verweerster onder meer geschreven:   

“Ik begrijp dat u door uw cliënte geïnformeerd bent over de mediation. In dat kader spreekt het voor zich dat de geheimhouding van de mediation ook voor u geldt, en ik vertrouw erop dat u die geheimhouding respecteert. (…) Verder wil ik u vragen te overwegen om op korte termijn een bijeenkomst met de mediator in te planen, waarbij u en ik aanwezig zijn.”

4.8     Op 7 april 2016 heeft klaagster bij de rechtbank Amsterdam, sector Kanton, (hierna: de kantonrechter) een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werkneemster ingediend. Bij beschikking van 8 april 2016 heeft de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam de zaak verwezen naar de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem.

4.9     Verweerster heeft op 17 mei 2016 namens de werkneemster een verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk tegenverzoek bij de kantonrechter ingediend (hierna: het verweerschrift). In het verweerschrift staat onder meer het volgende:

“(…)

80. Ook de mediation was een schijnvertoning, die Werkgever enkel is ingegaan om een ontslag te bewerkstelligen. Namens Werkgever is uitdrukkelijk aangegeven dat als [de werkneemster] niet akkoord zou gaan met haar ontslag, Werkgever de gang naar de rechter zou maken. Toen [de werkneemster] liet weten er niet mee akkoord te gaan en nog te wachten op nadere informatie van diverse instanties, heeft Werkgever daar niet op willen wachten en heeft de daad bij het woord gevoegd. Werkgever is dus nooit van plan geweest met [de werkneemster] tot een oplossing te komen.”

4.10     Bij beschikking van 14 juni 2016 heeft de kantonrechter het verzoek tot ontbinding toegewezen, de arbeidsovereenkomst ontbonden en klaagster veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding aan de werkneemster.

4.11     Op 12 september 2016 heeft verweerster namens de werkneemster hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 14 juni 2016. Het hoger beroepsschrift luidt, voor zover relevant:

“(…)

69. Al tijdens het eerste mediation overleg stuurde Werkgever rechtstreeks aan op een verdere verstoring van de arbeidsrelatie. Partijen zouden in de gelegenheid zijn gesteld om nadere informatie in te winnen bij de politie. Maar in feite werd van [de werkneemster] geëist aan te tonen dat er geen sprake (meer) zou zijn van een dreiging op haar leven. Een eis waaraan zij uiteraard niet kon voldoen. [De werkneemster] ontving dan ook al op 15 februari 2016 een brief van de advocaat van Werkgever waarin hij bevestigt hetgeen reeds tijdens de bespreking op 18 november 2015 aan de orde kwam: het ontslag van [de werkneemster].

Nogmaals ontslag

70. Namens Werkgever werd meegedeeld dat [de werkneemster] per 1 mei 2016 uit dienst zou gaan en tot die datum vrijgesteld zou zijn van werkzaamheden mits zij zich op het moment van ondertekenen hersteld zou melden en gemeld zou houden tot minimaal 4 weken na de einddatum. Gedreigd werd dat als zij zich niet hersteld zou melden, het UWV haar een uitkering zou kunnen weigeren. Indien [de werkneemster] zich hier niet in kon vinden, dan zou Werkgever naar de rechter stappen.

(…)

75. Omdat [de werkneemster] niet wenste in te stemmen met het onkiese voorstel van Werkgever om per direct en zonder enige vergoeding uit dienst te gaan (…)”

4.12     Het gerechtshof heeft de ontbinding van de arbeidsovereenkomst bekrachtigd.

5    BEOORDELING

5.1    Met grief 1 klaagt verweerster erover dat de raad ten onrechte een citaat, te weten  randnummer 75 van het hoger beroepschrift (zie 4.9, slot, hierboven), aan de klachtomschrijving heeft toegevoegd.

5.1.2     Het hof ontleent aan het proces-verbaal van de behandeling door de raad op 16 oktober 2018 het volgende:

“ Voorzitter: “De deken heeft op pagina 2 en 3 van de aanbiedingsbrief twee citaten genoemd waarover wordt geklaagd. (hof: het gaat hier kennelijk om randnummers 80 van het verweerschrift en 69 van het beroepschrift). Volgens mij (de voorzitter, hof) wordt er ook geklaagd over de twee citaten op pagina 14 (bedoeld zal zijn: 15, hof) van het dossier (uit de e-mail van [naam bestuurder van klaagster] van 24 mei 2018 aan de deken)”.

[Naam bestuurder van klaagster] (bestuurder van klaagster, hof): Dat klopt.

Verweerster: Ik ben ermee akkoord dat ook de twee door u genoemde citaten onder de klacht vallen.”.

Omdat het hof op pagina 14 van het klachtdossier geen volledig citaat, althans geen verwijzing naar een ander citaat dan verwoord in de randnummers 80 van het verweerschrift en 69 van het hoger beroepschrift – beide randnummers worden reeds volledig geciteerd op de pagina’s 2 en 3 van de aanbiedingsbrief van de deken – heeft aangetroffen, kan het niet anders zijn dan dat de voorzitter heeft gedoeld op de tekst van op pagina 15 van het klachtdossier weergegeven randnummers 70 en 75 van het hoger beroepschrift. Met het van de klachtomschrijving deel uitmaken van (ook) randnummer 75 van het hoger beroepschrift heeft verweerster tijdens de behandeling door de raad ingestemd, zodat zij daarop in hoger beroep niet kan terugkomen. Feiten en omstandigheden die dat anders zouden kunnen maken, zijn gesteld noch gebleken.

Grief I wordt dus verworpen.

5.2    Met de raad neemt het hof bij de beoordeling van de klacht het volgende in aanmerking.

5.2.1    De klacht heeft betrekking op het handelen van een advocaat van een wederpartij. Uitgangspunt is dat aan die advocaat een grote mate van vrijheid toekomt om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beknot, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad.

5.2.2     Onweersproken staat vast dat in de mediation tussen klaagster en de werkneemster geheimhouding was overeengekomen. De uit hoofde van een mediationovereenkomst tussen partijen geldende geheimhoudingsverplichting zou op onaanvaardbare wijze aan waarde inboeten als het de advocaat steeds zou vrijstaan om naar eigen goeddunken, op grond van een eigen opvatting omtrent hetgeen het belang van zijn cliënt(e) meebrengt en zonder de wederpartij daarin te kennen, te bepalen dat in de procedure gebruik zal worden gemaakt van (ook voor de rechter geheim te houden) stukken uit de mediation of zich anderszins uit te laten over het vermeende doel, de inhoud en/of de uitkomst van de mediation. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan dit anders zijn.

5.2.3    De in 5.2.2 geformuleerde tuchtrechtsregel vindt eveneens toepassing als – zoals hier – verweerster zelf geen partij bij de mediation is geweest. Deze regel geldt ook onverkort wanneer – zoals ook tussen partijen vaststaat – verweerster geen stukken uit de mediation heeft geopenbaard of in een procedure heeft ingebracht, omdat de geheimhoudingsverplichting ook kan worden geschonden doordat mededelingen over het vermeende doel, de inhoud en/of de uitkomst van de mediation worden gedaan.

5.3    Het hof heeft niet kunnen vaststellen dat verweerster in een van de vier citaten de geheimhoudingsverplichting heeft geschonden door het doen van mededelingen over het vermeende doel of de uitkomst van de mediation. Het hof merkt hierbij op dat van bedoelde schending geen sprake kan zijn als de uitkomst van de mediation is dat – zoals hier - deze niet tot een oplossing heeft geleid. Bij deze stand van zaken resteert de vraag of verweerster de geheimhoudingsverplichting heeft geschonden door het doen van ontoelaatbare mededelingen over de inhoud van de mediation. In het hiernavolgende zal het hof bij elk van de vier citaten nagaan in hoeverre deze vraag bevestigend moet worden beantwoord.

5.4    Verweerster heeft bij herhaling betoogd dat hetgeen zij in de vier in geding zijnde citaten heeft verwoord niet is gebaseerd op de inhoud van de mediation maar op hetgeen vóór en na de mediation tussen klaagster en werkneemster is voorgevallen. In de onder 4.2 weergegeven correspondentie d.d. 30 november 2015 en 4 december 2015 tussen klaagster en werkneemster wordt telkens gesproken over “(de optie tot) afscheid nemen van elkaar”. In redelijkheid heeft werkneemster dan ook kunnen en mogen begrijpen dat reeds begin december 2015 (dus op het moment dat de mediation nog niet was gestart) duidelijk was dat klaagster (mede) aanstuurde op ontslag van werkneemster, althans op ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen die partijen. In dit licht bezien kan het hof niet vaststellen dat verweerster in randnummer 80 van haar verweerschrift in eerste aanleg, voor zover zij daarin namens werkneemster stelt dat de mediation een schijnvertoning was, die enkel is ingegaan om een ontslag te bewerkstelligen (eerste volzin) en dat werkgever (klaagster) nooit van plan is geweest met de werkneemster tot een oplossing te komen (laatste volzin), mededelingen heeft gedaan over de inhoud van de mediation. In zoverre is grief VII gegrond. De vraag of verweerster met de tweede en derde volzin van randnummer 80 de geheimhoudingsplicht heeft geschonden zal hierna bij de bespreking van de andere randnummers aan de orde komen.

5.5    Zoals volgt uit randnummer 5.69 van het inleidende verzoekschrift van klaagster hebben zij en werkneemster tijdens de mediation afgesproken dat zij beiden de gelegenheid krijgen om nader onderzoek te doen bij justitie en politie naar de juistheid van de door de Nationale Politie over werkneemster afgegeven verklaring, nu werkneemster die verklaring heeft betwist, en dat dit onderzoek buiten de geheimhouding van de mediation valt. Bij die stand van zaken valt niet in te zien dat verweerster met haar in de eerste vier volzinnen van randnummer 69 van het hoger beroepschrift de geheimhoudingsplicht heeft geschonden. Het hof acht immers de stelling van verweerster dat werkneemster niet zou kunnen aantonen dat geen sprake (meer) was van een dreiging op haar leven, niet onbegrijpelijk en acht, in het licht hiervan, haar stelling dat klaagster al tijdens het eerste mediation overleg rechtstreeks aanstuurde op een verdere verstoring van de arbeidsrelatie, niet ontoelaatbaar. Grief VII is ook in zoverre gegrond. De vraag of de laatste volzin van randnummer 69 schending van de geheimhoudingsplicht oplevert, zal hierna bij de gecombineerde bespreking van de randnummers 70 en 75 van het hoger beroepschrift aan de orde komen.

5.6    Verweerster heeft niet (gemotiveerd) bestreden dat de hiervoor onder 4.5 genoemde brief van 15 februari 2016 van de advocaat van klaagster aan werkneemster, blijkens de inhoud van die brief, valt onder de geheimhouding omtrent de inhoud van de mediation. Hieruit volgt dat het verweerster niet was toegestaan om in de gerechtelijke procedure tussen klaagster en werkneemster in eerste aanleg en in hoger beroep melding te maken van het bestaan en van de inhoud van die brief. Verweerster stelt nu wel dat, nu de mediation ten tijde van het eerste contact tussen haar en haar cliënte reeds was beëindigd, zijzelf en haar cliënte genoemde brief van verweerster niet (meer) hoefden te verwachten, maar dat laat onverlet dat werkneemster die brief (kort) vóór bedoeld eerste contact moet hebben ontvangen en dat verweerster van het bestaan van die brief en van de in die brief verwoorde inhoud van bedoeld voorstel bij of kort na het eerste contact tussen verweerster en haar cliënte, in ieder geval vóór het opstellen van de gedingstukken in de gerechtelijke ontslagprocedure, op de hoogte moet zijn geweest. Mogelijk heeft haar cliënte de inhoud van dat voorstel mondeling (bijvoorbeeld door voorlezing) of schriftelijk aan verweerster meegedeeld zonder die brief aan verweerster ter hand te stellen. Dit kan worden afgeleid uit de inhoud van randnummer 70 van het hoger beroepschrift, waarin nauwkeurig en volledig de elementen van het in de brief van de advocaat van klaagster aan verweerster omschreven voorstel worden weergegeven. Wat hiervan zij, verweerster had er hoe dan ook voor moeten zorgen dat haar de aan haar cliënte gerichte brief van 15 februari 2016 van de advocaat van klaagster uiterlijk bij het opstellen van het verweerschrift in eerste aanleg c.q. het hoger beroepschrift onder ogen kwam. Zij had dan tijdig kunnen en moeten vaststellen dat die brief onder de geheimhouding van de mediation viel. Deze verplichting van verweerster klemt in deze zaak temeer, nu de advocaat van klaagster in zijn hiervoor onder 4.7 weergegeven brief van 26 februari 2016 nadrukkelijk haar aandacht heeft gevraagd voor de geheimhouding van de mediation. Door niet aan genoemde verplichting te voldoen heeft verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Het verweer dat verweerster er door het tijdsverloop niet aan gedacht heeft haar cliënte alsnog te vragen die brief aan haar af te geven, kan verweerster niet baten. Van een redelijk bekwaam advocaat moet immers worden gevergd dat zijn/haar dossier steeds tijdig alle voor de behoorlijke behandeling van een zaak van belang zijnde stukken bevat. Grief VII, voor zover deze betrekking heeft op de tweede en derde volzin van randnummer 80 van het verweerschrift in eerste aanleg, de laatste volzin van randnummer 69 en de randnummers 70 en 75 van het hoger beroepschrift, faalt dus.

5.7    De conclusie uit het voorgaande is dat de klacht gegrond is voor zover deze inhoudt dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld doordat zij de geheimhoudingsverplichting ingevolge de mediation heeft geschonden door hetgeen zij in de tweede en derde volzin van randnummer 80 van haar verweerschrift in eerste aanleg, de laatste volzin van randnummer 69 en de randnummers 70 en 75 van haar hoger beroepschrift heeft gesteld.

Over de tweede en derde volzin van randnummer 80 overweegt het hof nog dat deze zowel aldus kunnen worden begrepen dat hetgeen daarin is aangevoerd is gebaseerd op hetgeen tussen klaagster en werkneemster tijdens de mediationbesprekingen aan de orde is geweest als dat dat is ontleend aan de brief van de advocaat van klaagster van 15 februari 2016. Wat hiervan zij, in beide gevallen is sprake van schending van de geheimhoudingsplicht.

Voor zover de klacht meer of anders omvat dan in de eervorige alinea gegrond is geoordeeld, wordt deze ongegrond verklaard.

Tussenconclusie

5.8     Grief I is verworpen. Grief VII is deels gegrond, deels ongegrond. Bij deze stand van zaken missen de grieven II tot en met VI en grief VIII zelfstandige betekenis en kan bespreking van deze grieven achterwege blijven.

5.9    Grief IX is gericht tegen randnummer 5.8 waarin uitsluitend overwegingen ten overvloede zijn opgenomen die niet dragend zijn voor enige door de raad gegeven beslissing. Bespreking van deze grief blijft dus achterwege. Opgemerkt wordt slechts dat het hof die overwegingen niet overneemt en tot de zijne maakt.

5.10    Het is niet duidelijk tegen welke overweging van, vaststelling door of beslissing van de raad grief X zich richt, zodat bespreking van deze grief eveneens achterwege blijft.

5.11    In verband met de vraag of en zo ja welke maatregel zal worden opgelegd geldt dat het hof, anders dan de raad, de klacht slechts ten dele gegrond acht. Bovendien is de ernst (van de gevolgen) van het klachtwaardig handelen door verweerster relatief beperkt. Daarbij moet worden bedacht dat in dit geval de kern van het in de brief van 15 februari 2016 van de advocaat van klaagster aan werkneemster omschreven voorstel – te weten dat hoe dan ook het dienstverband tussen klaagster en werkneemster op korte termijn zou worden beëindigd – geheel in lijn ligt met de inhoud van de reeds in november/begin december 2015 – dus vóór de start van de mediation - tussen die partijen gevoerde correspondentie.

Niettemin zal het hof – evenals de raad – aan verweerster de maatregel van waarschuwing opleggen, omdat het hof de bevestiging van de norm dat, tenzij partijen anders zijn overeengekomen, al hetgeen in het kader van een mediation tussen partijen aan de orde komt is onderworpen aan de geheimhoudingsplicht, van groot belang acht.

5.12    Aan alle wettelijke voorwaarden voor het uitspreken van een kostenveroordeling is zowel in de eerste aanleg als in hoger beroep voldaan. Hetgeen verweerster in de randnummers 55 en 56 aanvoert maakt deze vaststelling niet anders, zodat grief XI faalt.

Conclusie

5.13    De grieven I en XI zijn ongegrond, grief VII is deels gegrond, deels ongegrond en de bespreking van de overige grieven blijft achterwege.

5.14    Het hof zal de beslissing van de raad waarvan hoger beroep vernietigen voor zover daarbij de klacht geheel gegrond is verklaard en, opnieuw recht doende de klacht slechts gegrond verklaren zoals hiervoor in randnummer 5.7, eerste alinea, is vastgesteld, de beslissing van de raad voor het overige bekrachtigen en verweerster veroordelen in de proceskosten in hoger beroep zoals hierna te melden.

5.15    Omdat het hof een maatregel oplegt/bekrachtigt, zal het hof verweerster op   grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten in hoger beroep:                                                                                                                                 

a) € 25 reiskosten van klaagster;

b) € 750 kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;

c) € 750 kosten van de Staat.

5.16    Verweerster moet op grond van artikel 48ac, vierde lid, Advocatenwet het bedrag van € 25 reiskosten binnen vier weken na deze uitspraak betalen aan klaagster. Klaagster moet daarvoor tijdig haar rekeningnummer schriftelijk doorgeven aan verweerster.

5.17    Verweerster moet op grond van artikel 48ac, vierde lid, Advocatenwet het bedrag van € 750 binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer IBAN:NL85 INGB 0000 079000, BIC:INGBNL2A, t.n.v. Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline” en het zaaknummer.

5.18    Verweerster moet op grond van artikel 48ac, vierde lid, Advocatenwet het bedrag van € 750 binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer NL05 INGB 0705 003981, t.n.v. Ministerie van Justitie en Veiligheid, onder vermelding van “Tuchtrechtelijke kostenveroordeling advocatuur, DGRR” en het zaaknummer.

     

BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- vernietigt de beslissing van 13 november 2018 van de Raad van Disciplinein het ressort Amsterdam, gewezen onder nummer 18-719/A/A, voor zover daarbij de klacht geheel gegrond is verklaard;

in zoverre opnieuw recht doende:

- verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond zoals hiervoor in randnummer 5.7, eerste alinea, is vastgesteld;

- bekrachtigt genoemde beslissing van de raad voor het overige;

- veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten in hoger beroep van € 25 aan klaagster, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;

- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten in hoger beroep van € 750 aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;

- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten in hoger beroep

van € 750 aan de Staat, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

Aldus gewezen door mr. T. Zuidema, voorzitter, mrs. P.T. Gründemann, C.A.M.J. Raymakers, A.J. Louter en J.M. Atema, leden, in tegenwoordigheid van mr. V.H. Wagner, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2019.

griffier    voorzitter                 

De beslissing is verzonden op 3 juni 2019.