Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

03-06-2019

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2019:118

Zaaknummer

18-1038/DH/ZWB

Inhoudsindicatie

Raadbeslissing. De klacht dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat zij zich in strijd met gedragsregel 25 rechtstreeks tot de assurantietussenpersoon van klaagster heeft gewend, terwijl zij wist dat klaagster werd bijgestaan door een advocaat (haar huidige gemachtigde), ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag

van 3 juni 2019

in de zaak 18-1038/DH/ZWB

 

naar aanleiding van de klacht van:

 

gemachtigde: mr. (…)

klaagster

 

over:

 

gemachtigde: mr. (…)

verweerster

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Bij brief van 8 juni 2018 heeft de gemachtigde van klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland – West-Brabant een klacht ingediend over verweerster.

1.2    Bij e-mail van 6 december 2018 met kenmerk K18-068 heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland – West-Brabant de klacht ter kennis van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch gebracht.

1.3    Bij brief aan het Hof van Discipline van 7 december 2018 met kenmerk 18-966/DB/ZWB, door het hof ontvangen op 11 december 2018, heeft de griffier van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch de klacht ter kennisneming van het hof gebracht met het verzoek om een verwijzingsbeslissing vanwege het lidmaatschap van verweerster van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch.

1.4    Bij beslissing van 18 december 2018 heeft de voorzitter van het Hof van Discipline de Raad van Discipline in het ressort Den Haag (hierna: “de raad”) aangewezen voor de behandeling van de klacht.

1.5    De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 8 april 2019 in aanwezigheid van de heer S. namens klaagster, vergezeld van mr. (…), en verweerster vergezeld van mr. (…).

1.6    De raad heeft kennisgenomen van de processtukken, bedoeld in artikel 49 lid 2 Advocatenwet.

 

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan.

2.1    Tussen klaagster en de firma HV, de buurman van klaagster, bestond in 2017 een geschil over aan auto’s van werknemers van HV ontstane schade. Klaagster werd daarin bijgestaan haar huidige gemachtigde.

2.2    De eerdere advocaat van HV, mr. S., heeft klaagster bij brief van 16 november 2017 aansprakelijk gesteld voor de geleden schade. Klaagster heeft deze aansprakelijkstelling doorgeleid naar haar assurantietussenpersoon, M.

2.3    Op 20 november 2017 heeft de gemachtigde van klaagster namens klaagster aan verweerster bericht dat er bezwaar bestond tegen het optreden van mr. S, waarna verweerster het dossier heeft overgenomen.

2.4    Op 27 november 2017 heeft een medewerker van M., de heer R., zich bij mr. S. gemeld met de mededeling dat zijn brief was doorgestuurd naar de verzekeraars van klaagster en dat hij na ontvangst van diens berichten op de zaak zou terugkomen.

2.5    De heer R. heeft zich vervolgens per e-mail van 7 december 2017 “namens onderliggende verzekeraar” tot verweerster gewend met het verzoek hem te informeren over de schade.

2.6    Verweerster heeft zich dezelfde dag bij de gemachtigde van klaagster als opvolgend advocaat van HV gemeld en hem verzocht om een inhoudelijke reactie op de aansprakelijkstelling. Zij heeft ook melding gemaakt van het feit dat de heer R. zich tot haar had gewend.

2.7    Verweerster heeft de gemachtigde van klaagster op 7 december 2017 per e-mail een rapportage toegestuurd en deze e-mail in cc aan de heer R. gestuurd aangezien hij (ook) had gevraagd om een onderbouwing van de schade.

2.8    De gemachtigde van klaagster heeft verweerster bij e-mail van 14 december 2017 medegedeeld dat klaagster de aansprakelijkheid betwist, dat de zaak ter afwikkeling was voorgelegd aan de verzekeraar van klaagster en dat klaagster zich refereerde aan het standpunt van de verzekeraar, zonder evenwel aansprakelijkheid te erkennen of enig schadebedrag als zijnde verschuldigd te aanvaarden. Hij stelde voor rustig af te wachten tot de verzekeraar de zaak had afgewikkeld.

2.9    Nadat verweerster een aantal malen bij de heer R. naar de stand van zaken had geïnformeerd berichtte hij haar op 12 maart 2018 dat hij de zaak met de verzekeraar had besproken en aan klaagster had voorgelegd, maar haar vanwege de afwezigheid van de beslissingsbevoegde personen “pas donderdag” nader kon berichten.

2.10    Op donderdag 15 maart 2018 berichtte de heer R. onder meer aan verweerster: “(...) Hiermee heeft u de aansprakelijkheid van mijn client niet aangetoond. Om uit de impasse te geraken heb ik mijn cliënt ervan kunnen overtuigen om deze zaak met u te regelen. De vordering van betrokkenen ten bedrage EURO 4.641,95 inclusief BTW en de door u gemaakte kosten voor expertise ten bedrage van EURO 520 exclusief BTW zullen door mijn client op een nog op te geven bankrekeningnummer worden overgemaakt zonder enige erkenning van aansprakelijkheid. Deze betaling zal op geen enkele wijze leiden tot enige precedentwerking.” Daarbij werd een betalingstoezegging gedaan.

2.11    Verweerster heeft per e-mail van 25 maart 2018 het rekeningnummer van haar cliënte aan de heer R. doorgegeven en gevraagd wanneer zij betaling kon verwachten. In reactie daarop berichtte de heer R. haar diezelfde dag: “Uw client kan het bedrag uiterlijk volgende week verwachten op zijn bankrekening. Ik sluit mijn dossier.”

2.12    Bij e-mail van 28 maart 2018 aan verweerster kwam de gemachtigde van klaagster namens klaagster op de betalingstoezegging terug; uitbetaling van de vastgestelde schade werd afhankelijk gesteld van de door HV over te leggen bewijsstukken dat daadwerkelijk schadeherstel was uitgevoerd. Als dat niet zou worden aangetoond, zou klaagster zich beperken tot uitbetaling van een bedrag van EURO 2.661,95 (zijnde het bedrag van EURO 4.641,95 minus het eigen risico van EURO 2.500).

2.13    Betaling binnen de door de heer R. genoemde termijn bleef uit. Verweerster heeft hem daarom op 30 maart 2018 nogmaals aangeschreven.

2.14    De heer R. heeft verweerster in reactie daarop bij e-mail van 30 maart 2018 bericht dat klaagster in de periode dat hij, de heer R., met verweerster in onderhandeling was “toch anders had besloten”.

2.15    Verweerster heeft bij brief van 4 april 2018 zowel M. als (de gemachtigde van) klaagster gesommeerd het toegezegde bedrag van EURO 5.161,95 over te maken.

2.16    Op 7 juni 2018 heeft verweerster aan M. en de gemachtigde van klaagster een concept dagvaarding toegezonden met de mededeling dat het uitbrengen van de dagvaarding alleen kon worden voorkomen als er uiterlijk dezelfde dag een bedrag van EURO 2.500 zou worden voldaan.

2.17    De gemachtigde van klaagster heeft op 8 juni 2018 een klacht ingediend tegen verweerster.

 

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat zij zich in strijd met gedragsregel 25 rechtstreeks tot de assurantietussenpersoon van klaagster heeft gewend, terwijl zij wist dat klaagster werd bijgestaan door een advocaat (haar huidige gemachtigde).

 

4    VERWEER

Verweerster heeft zich tegen de klacht verweerd, op welk verweer de raad hierna zo nodig zal ingaan.

 

5    BEOORDELING

5.1    Klaagster kan in haar klacht worden ontvangen. Gedragsregel 25 verbiedt het rechtstreeks benaderen van een partij waarvan de advocaat weet dat deze door een advocaat wordt bijgestaan. Deze regel heeft tot doel het evenwicht tussen partijen in een juridisch geschil te bewaren. De strekking ervan is om te voorkomen dat de advocaat van de wederpartij een partij overrompelt zonder bijstand van zijn eigen advocaat. Klaagster heeft bij naleving van deze gedragsregel dus een rechtstreeks belang.

5.2    De raad stelt voorop dat de situatie waarop gedragsregel 25 ziet, zich hier niet heeft voorgedaan en dat overigens ook niet is gebleken dat de geest van gedragsregel 25 in gevaar is gekomen. Naar het oordeel van de raad heeft verweerster dan ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Zij heeft contact gehad met de heer R., die de assurantietussenpersoon vertegenwoordigde. De assurantietussenpersoon werd niet bijgestaan door een advocaat. De gemachtigde van klaagster had verweerster op 14 december 2017 voorgesteld af te wachten tot de verzekeraar de zaak had afgewikkeld. De heer R. heeft verweerster vervolgens op 15 maart 2018 het standpunt van de verzekeraars overgebracht en namens zijn cliënt een betalingstoezegging gedaan. Verweerster mocht er gelet daarop van uit gaan dat die toezegging (mede) namens klaagster werd gedaan en onvoorwaardelijk was. Zij heeft daarover verder niet inhoudelijk met de heer R. gecorrespondeerd maar hem slechts het rekeningnummer van haar cliënte doorgegeven. De vervolgens ontstane discussie over het al dan niet onvoorwaardelijk zijn van de toezegging als zodanig vond tussen de beide gemachtigden plaats; de heer R. was daarbij niet betrokken. Daaraan doet niet af dat verweerster ervan op de hoogte was dat klaagster zelf werd bijgestaan door haar huidige gemachtigde, nu het aankomt op het contact met de assurantietussenpersoon die als zodanig op 15 maart 2018 het standpunt van verzekeraars over bracht en namens zijn cliënte een betalingstoezegging heeft gedaan.

5.3    De raad acht de klacht in het licht van bovenstaande ongegrond.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. G.A.F.M. Wouters, voorzitter, mrs.  P. Rijpstra, P.S. Kamminga, C.A. de Weerdt en M. Laning, leden, bijgestaan door mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2019.