Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

13-05-2019

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2019:106

Zaaknummer

19-118/A/A/D

Inhoudsindicatie

Ongegrond dekenbezwaar. De raad is van oordeel dat verweerder er van mocht uitgaan dat de betalingen destijds aan hem met instemming van de schoonmoeder van zijn cliënte, die nadien onder bewind is gesteld, zijn verricht en dat er op hem geen verplichting rustte om de door hem ontvangen bedragen, die betrekking hadden op zijn declaraties, terug te betalen. Kernwaarde integriteit niet geschonden.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam

van 13 mei 2019

in de zaak 19-118/A/A/D

naar aanleiding van het bezwaar van:

de heer mr. E.J. Henrichs in zijn hoedanigheid van deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam

 

over:

 

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Bij brief aan de raad van 28 februari 2019 met kenmerk 2019-794417, door de raad ontvangen op 1 maart 2019, heeft de deken zijn bezwaar ter kennis van de raad gebracht. Het bezwaar is behandeld ter zitting van de raad van 15 april 2019 in aanwezigheid van de deken, vergezeld van mevrouw mr. Y. Heslinga, stafmedewerker, en verweerder. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.2    De raad heeft kennisgenomen van de hiervoor genoemde brief van de deken met de bijlagen 1 tot en met 16. Tevens heeft de raad kennisgenomen van de faxbrief met bijlagen van verweerder aan de raad van 1 april 2019.

2    FEITEN

Voor de beoordeling van het bezwaar wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan.

2.1    De moeder van de gebroeders G is bij beschikking van 9 januari 2017 door de rechtbank onder bewind gesteld. Eén van haar zoons (hierna: E) had daartoe op 17 november 2016 een verzoek ingediend. De andere zoon (hierna: R) en diens echtgenote hebben zich met het verzoek van E akkoord verklaard.

2.2    De bewindvoerder heeft tegen R en diens echtgenote een civiele procedure aanhangig gemaakt, omdat zij geld en sieraden van de moeder zouden hebben verduisterd. Verweerder staat R en diens echtgenote in die procedure bij.

2.3    E heeft op enig moment geconstateerd dat van de bankrekening van de moeder op 22 maart 2016 en 3 augustus 2016 twee bedragen, een bedrag van € 3.277,16 en een bedrag van € 168, naar het rekeningnummer van verweerder zijn overgemaakt.

2.4    Bij e-mail van 13 juli 2017 heeft de advocaat van de bewindvoerder verweerder onder meer geschreven:

“Naar aanleiding van uw e-mail d.d. 7 juli jl. bericht ik u als volgt. Uit uw e-mail maak ik op dat u optreedt voor [R]. Ik begreep van cliënt dat er een tweetal facturen voor uw werkzaamheden zijn betaald van de bankrekening van [de moeder]. (…)

[De moeder] staat onder bewind (…) Er bestaat dan ook onduidelijkheid aan de zijde van mijn cliënt voor wie u werkzaamheden heeft verricht. Ik verzoek u vriendelijk mij te berichten of u optreedt voor [R] of dat u optreedt voor [de moeder].”

2.5    Bij e-mail van 14 juli 2017 heeft verweerder de advocaat van de bewindvoerder meegedeeld dat hij optreedt voor R.

2.6    Bij e-mail van 29 augustus 2017 heeft de advocaat van de bewindvoerder verweerder onder meer geschreven:

“U vertelde mij inmiddels te hebben gezien dat er betalingen van uw nota’s vanaf de bankrekening van moeder (…) hebben plaatsgevonden maar dat u nimmer voor haar heeft opgetreden, noch haar heeft bijgestaan.”

2.7    Bij brief van 2 februari 2018 heeft E verweerder verzocht de in 2.3 genoemde bedragen terug te storten. Op 20 februari 2018 heeft E verweerder een rappel gestuurd. Verweerder heeft geen gehoor gegeven aan het verzoek van E.

2.8    Bij brief van 7 maart 2018 heeft E bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

2.9    Bij brief van 5 april 2018 heeft verweerder, als reactie op de klacht van E, de deken onder meer meegedeeld dat de omstandigheid dat iemand declaraties van een familielid betaalt niet ongebruikelijk is en dat hij de deken desgewenst separaat kan informeren waarop de in 2.3 genoemde betalingen zien.

2.10    Op 23 april 2018 heeft verweerder de deken een kopie van de pleitnotities inzake een procedure in kort geding opgestuurd, waarin hij voor de echtgenote van R optrad, en op 9 mei 2018 ook de declaraties die betrekking hebben op die zaak. In de begeleide brief van verweerder van 9 mei 2018 staat onder meer:

“Ik heb bij het aanvaarden van de opdracht niet met cliënte besproken, dat de declaraties door een derde/familielid zouden worden betaald. Dat werd voor het eerst kenbaar toen er betaald werd, waarbij ik opmerk dat het ook toen niet aan mij is opgevallen. Na binnenkomst van de betalingen zijn de declaraties door de boekhouder als betaald geboekt. Dat de betalingen afkomstig waren van [de moeder] kwam pas onder mijn aandacht door de brief van [E] van 2 februari 2018.” 

2.11    Bij brief van 23 mei 2018 heeft de stafmedewerkster van de deken namens de deken verweerder geschreven:

“Ik begrijp inmiddels dat u erkent dat de declaraties van uw cliënte (…) zijn voldaan door een derde/familielid (…) Dat hieraan een uitdrukkelijke instemming van [de moeder] aan ten grondslag ligt, leid ik uit de stukken niet af. Gelet op de bezwaren die [E] maakt tegen de betaling van uw declaraties door [de moeder] zou het voor de hand liggen om de betalingen terug te storten en alsnog aanspraak te maken op betalingen door uw cliënte (…)”

2.12    Bij e-mail van 27 juni 2018 heeft verweerder de stafmedewerkster van de deken onder meer geschreven:

“Ik meen dat het enkele gegeven, dat [E], die in deze geen partij is (…) bezwaar maakt tegen de omstandigheid dat de declaraties door [de moeder] werden betaald, onvoldoende grond is om terug te storten. Dat neemt niet weg dat ik aan [de echtgenote van R] zal kunnen vragen of de bereidheid bestaat om de bedragen van de declaraties aan haar schoonmoeder te betalen. Dat lijkt mij een pragmatische oplossing. Ik voeg hieraan toe dat het weldegelijk zo is dat die betalingen aan mij gedaan konden worden. Dat blijkt ook uit een volmacht, die een rol speelt in de familiekwestie, die pas later (medio 2017) begon te spelen en waarin op 25 september 2017 is gedagvaard.”

2.13    Bij e-mail van 12 juli 2018 heeft verweerder de stafmedewerkster van de deken onder meer geschreven:

“[De echtgenote van R] is van mening dat er geen enkele reden is om tot terugbetaling over te gaan, nu de betalingen met volledige instemming van de zijde van haar schoonmoeder zijn verricht. Desalniettemin heeft zij aangegeven er over te willen nadenken, maar zolang de door de bewindvoerder gelegde beslagen liggen, is er –zo laat zij mij weten- sprake van een zodanige krapte dat het niet eens zou kunnen.”

2.14    Bij e-mail van 26 juli 2018 heeft verweerder de stafmedewerkster van de deken meegedeeld dat de echtgenote van R de in 2.3 genoemde bedragen op de bankrekening van de moeder zal storten, de helft voor 1 september en de andere helft voor 1 oktober 2018.

2.15    De echtgenote van R heeft de in 2.3 genoemde bedragen uiteindelijk terugbetaald, de eerste helft op 13 september 2018 en de tweede helft op 11 oktober 2018.

2.16    De klacht van E over verweerder, met zaaknummer 19-117/A/A, is door de voorzitter van de raad op 15 april 2019 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

3    BEZWAAR

3.1    Het bezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder in strijd heeft gehandeld met artikel 46 Advocatenwet en de kernwaarde integriteit doordat hij – nadat hij meer dan eens was gewezen op de onjuiste betalingen van zijn declaraties – niet adequaat heeft gehandeld en niet voortvarend tot terugbetaling aan de rechthebbende is overgegaan. Hiermee heeft hij het vertrouwen in de advocatuur geschaad.

4    VERWEER

4.1    Verweerder voert verweer dat hierna, voor zover van belang, zal worden weergegeven.

5    BEOORDELING

5.1    De deken verwijt verweerder dat hij geen of onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de mededelingen van de advocaat van de bewindvoerder en van klager over de betalingen van de declaraties uit naam van een onder bewind gestelde derde. Tevens verwijt de deken verweerder dat hij vervolgens, nadat hij heeft geconstateerd dat betaling van zijn declaraties door een niet bevoegde had plaatsgevonden, niet voortvarend de betalingen heeft geretourneerd aan de rechthebbende en, nadat hij door de deken was gewezen op het feit dat de betaling als niet terecht zou kunnen worden aangemerkt, heeft nagelaten een en ander terstond en adequaat recht te zetten.

5.2    De raad overweegt als volgt. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat hij in de zomer van 2017 bij zijn cliënten, R en diens echtgenote, navraag heeft gedaan over de betalingen door de moeder. Zijn cliënten hebben hem toen verteld dat R destijds beschikte over een volmacht van de moeder, dat de moeder ten tijde van de betalingen in maart en augustus 2016 nog volledig bij zinnen was en dat zij met de betalingen heeft ingestemd, aldus verweerder. De raad kan niet vaststellen dat verweerder dit niet heeft gedaan.

5.3    Het is vaste rechtspraak van het Hof van Discipline dat een advocaat in beginsel mag uitgaan van de juistheid van het feitenmateriaal dat een cliënt hem verschaft en slechts in uitzonderingsgevallen is gehouden de juistheid daarvan te verifiëren. Van een dergelijk uitzonderingsgeval is hier geen sprake. Zoals verweerder terecht heeft aangevoerd is het niet ongebruikelijk dat een declaratie door een familielid wordt betaald. Op het moment dat de betalingen aan verweerder zijn verricht, in maart en augustus 2016, was de moeder nog niet onder bewind gesteld en was het verzoek om haar onder bewind te stellen ook nog niet ingediend. Uit het klachtdossier en het verhandelde ter zitting is voorts niet gebleken dat er ten tijde van de betalingen aan verweerder al een conflict was tussen de broers E en R. Ook heeft verweerder na de e-mails van 13 juli en 29 augustus 2017 (zie hiervoor, 2.4 en 2.6) niets meer gehoord van (de advocaat van) de bewindvoerder over de betalingen.

5.4    De raad is van oordeel dat verweerder er van mocht uitgaan dat de betalingen destijds aan hem met instemming van de moeder zijn verricht en dat er op hem geen verplichting rustte om de door hem ontvangen bedragen, die betrekking hadden op zijn declaraties, terug te betalen. De raad neemt daarbij in overweging dat de advocaat van de bewindvoerder van de moeder of de bewindvoerder niet hebben verzocht om terugbetaling van de bedragen omdat de betalingen ten onrechte van die rekening zouden zijn gedaan. De advocaat van de bewindvoerder concludeert in zijn e-mail van 29 augustus 2017 aan verweerder slechts dat alhoewel de nota’s van verweerder vanaf de bankrekening van de moeder zijn betaald verweerder niet voor de moeder heeft opgetreden noch haar heeft bijgestaan (zie hiervoor, 2.6). Nadien is een dergelijk verzoek voor zover bekend evenmin door de bewindvoerder of diens advocaat gedaan. Verweerder heeft, nadat de deken hem de suggestie had gedaan de bedragen aan de moeder terug te betalen, de echtgenote van R, op wie de declaraties betrekking hadden, verzocht de bedragen aan de moeder terug te betalen. Dat is uiteindelijk ook gebeurd. Dat de bedragen niet op de door verweerder aan de deken genoemde data zijn terugbetaald, valt hem niet te verwijten. De raad kan op grond van de hem bekende feiten en omstandigheden niet constateren dat de kernwaarde integriteit door verweerder is geschonden.

5.5    Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het dekenbezwaar ongegrond is.

5.6    De raad overweegt ten overvloede nog dat verweerder op de zitting heeft erkend dat hij, anders dan hij in zijn brief aan de deken van 9 mei 2018 heeft geschreven (zie hiervoor, 2.10), al in de zomer van 2017 ervan op de hoogte was dat zijn declaraties door de moeder waren betaald. Verweerder heeft de deken derhalve onjuist geïnformeerd. Dit verwijt is echter door de deken eerst ter zitting gemaakt en maakt geen deel uit van het dekenbezwaar zodat de raad hierover geen oordeel zal geven.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart het bezwaar ongegrond.

Aldus beslist door mr. P.M. Wamsteker, voorzitter, mrs. S. van Andel, A.S. Kamphuis, H.B. de Regt en E.M.J. van Nieuwenhuizen, leden, bijgestaan door mr. S. van Excel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2019.

Griffier    Voorzitter

 

mededelingen van de griffier ter informatie:

verzending

Deze beslissing is in afschrift op 13 mei 2019 verzonden.