Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

04-03-2019

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2019:47

Zaaknummer

18-700

Inhoudsindicatie

Klacht tegen eigen advocaat. Advocaat is als “stroman” opgetreden voor een andere advocaat die geschorst was. De andere advocaat is doorgegaan met zijn werk in de zaak maar kon als gevolg van de schorsing niet naar buiten toe optreden, wat verweerster heeft gedaan. In die periode had klaagster geen advocaat die haar belangen volledig behartigde en die zij kon aanspreken voor eventuele fouten. Door mee te werken aan omzeiling van het tuchtrecht heeft verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Waarschuwing.

Uitspraak

 

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 4 maart 2019

in de zaak 18-700

naar aanleiding van de klacht van:

 

klaagster

tegen

verweerster

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Bij brief van 10 maart 2018 heeft klaagster bij de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.

1.2    Bij brief aan de raad van 4 september 2018 met kenmerk K 18/57, door de raad ontvangen op 4 september 2018, heeft de deken de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.3    De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 7 januari 2019 in aanwezigheid van klaagster en verweerster. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennis genomen van het van de deken ontvangen dossier.

 

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende vaststaande feiten uitgegaan.

2.2    In 2009 heeft klaagster mr. Z, toen advocaat te R., ingeschakeld om haar bij te staan bij de afwikkeling van de ontbinding van haar geregistreerd partnerschap. Kort na aanvang van zijn werkzaamheden heeft mr. Z aan klaagster laten weten dat hij de advocaat van de wederpartij niet meer kon aanschrijven omdat hij geschorst was.

2.3    Om die reden is verweerster als advocaat voor klaagster gaan optreden. Daarbij werd een constructie gehanteerd waarbij mr. Z het overgrote deel van het overleg met klaagster bleef voeren en de brieven aan de advocaat van de wederpartij en de processtukken bleef opstellen, die vervolgens door verweerster werden verzonden, respectievelijk ingediend. Oorspronkelijk declareerde verweerster aan mr. Z; in een latere fase is verweerster haar declaraties rechtstreeks aan klaagster gaan zenden.

2.4    In 2010 is mr. Z van het tableau geschrapt. Nadien is hij als juridisch adviseur bij de zaak betrokken gebleven. Feitelijk is er aan de gang van zaken niets veranderd.

2.5    Bij e-mail van 9 maart 2011 heeft verweerster het volgende aan klaagster en mr. Z geschreven:

“Laat ik je een oplossing aandragen voor jullie problemen met mijn wijze van werken. Ik stel voor dat de toezending van de stukken naar Riga mijn laatste verrichting in deze zaak is. Jullie kunnen ongetwijfeld wel een andere advocaat vinden die als “procureur” wil optreden.”

Na die e-mail is verweerster voor klaagster blijven optreden.

2.6    Bij e-mail van 18 mei 2012 heeft klaagster onder meer het volgende aan verweerster geschreven:

“En ik weet helemaal niets van jouw functioneren in welke rol dan ook naar mij, anders dan jij …. [mr.Z] vervangt in de wettelijke aanwijsbare noodzakelijkheid betreffende een juridische procedure. Ik heb amper een uitleg gehad van … [mr. Z] omtrent e.e.a……”

2.7    Bij e-mail van 3 februari 2014 heeft verweerster aan klaagster het volgende geschreven:

“(…) Alimentatie of wijziging daarvan is niet mijn vakgebied en zoals je weet stond ik jou vanuit het verleden bij als “procureur “ in die zin dat ik (vanaf het moment dat … [mr.Z] dat formeel niet meer kon) de processtukken indiende en de zittingen deed. De inhoudelijke stukken zijn altijd in overleg met jou opgesteld door … [mr.Z], die aanvankelijk jouw advocaat was en vervolgens jouw rechtsbijstandverlener. Gelet op de verstandhouding tussen jou en … [mr.Z] heb ik jou aangeraden om een andere advocaat deze zaak te laten doen en heb ik je aangegeven dat het wellicht handig is als de advocaat die nu bezig is met de inning van de alimentatie achterstanden ook deze zaak gaat doen. (…)”

2.8    Op 23 april 2014 heeft klaagster het volledige dossier bij verweerster opgehaald en de zaak aan een andere advocaat overgedragen

2.9    Bij beschikking van 19 juli 2011 heeft de rechtbank ter zake van de vermogensafwikkeling een deskundigenonderzoek gelast. Op 22 mei 2012 heeft de deskundige zijn concept rapport met begeleidende brief aan verweerster gezonden. De zaak is vervolgens ter zitting van 17 oktober 2013 behandeld, waarna de rechtbank op 18 februari 2014 einduitspraak heeft gedaan, die bij beschikking van 26 augustus 2014 is hersteld.

2.10    Bij e-mail van 25 maart 2015 heeft klaagster aan verweerster geschreven dat 1) verweerster als stroman voor mr. Z is opgetreden terwijl verweerster zich volledig bewust was dat mr. Z voor onbepaalde tijd was geschorst en van de reden daarvan 2) klaagster pas later is gebleken dat aanhoudende problemen tussen mr. Z, zijn cliënten en de Nederlandse Orde van Advocaten tot zijn schorsing hebben geleid en 3) de begeleiding bij het opstellen van het accountantsrapport voor wat betreft de waardering van de aandelen en bij de overige aanhangige procedures ernstig tekort is geschoten, waarvoor klaagster verweerster verantwoordelijk houdt.

2.11    De klacht is op 10 maart 2018 ingediend.

 

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a)    als stroman op te treden voor mr. Z die geschorst was en daarover niet duidelijk met klaagster te communiceren, zodat daarover onduidelijkheid bij haar bestond,

b)    niet voortvarend te werk te gaan, als gevolg waarvan de deskundige drie jaar heeft gedaan over het uitbrengen van zijn rapport,

c)    over onvoldoende kennis en vaardigheden te beschikken om in een zaak als deze juridische bijstand te verlenen waardoor het kon gebeuren dat de deskundige de aandelen op een te laag bedrag heeft gewaardeerd,

d)    tijdens een zitting van 17 oktober 2013 bij de rechtbank onvoldoende verweer te voeren tegen het verzoek van de ex echtgenoot van klaagster om de beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en tijdens de zitting ook geen bankgarantie te vragen,

e)    slecht met klaagster te communiceren en haar onheus te bejegenen,

f)    onvoldoende partijdig te zijn,

g)    de geheimhouding niet in acht te nemen.

 

4    VERWEER

4.1    Verweerster beroept zich op de niet-ontvankelijkheid van klaagster in haar klachten wegens het te laat indienen daarvan.

4.2    Verweerster werd eind 2009 benaderd door mr. Z met de mededeling dat hij problemen had met de Orde van Advocaten vanwege het niet voldoen aan de Boekhoudverordening en dat hij was geschorst. Mr. Z deed een dringend beroep op verweerster om tijdens zijn schorsing een aantal zaken waar te nemen; gaf aan dit in overleg met de deken te willen bewerkstelligen en dat de schorsing spoedig zou worden opgeheven. Verweerster heeft daarover contact gehad met de deken van het arrondissement waar mr. Z op dat moment werkzaam was en is vervolgens in de zaak van klaagster gaan optreden. Verweerster ging ervan uit dat mr. Z klaagster over de constructie en de reden daarvan had geïnformeerd.

4.3    Medio 2010 deelde mr. Z aan verweerster mede dat hij zich van het tableau had laten schrappen. Verweerster was ongelukkig met die gang van zaken omdat het altijd de bedoeling was geweest dat mr. Z zelf de zaak weer zou oppakken en klaagster  regelmatig problemen ondervond in haar communicatie met mr Z. en daardoor incidenteel ook met verweerster. Verweerster vond het echter haar plicht om de zaak af te maken. Wel heeft zij een aantal malen aan klaagster voorgesteld een andere advocaat te zoeken, hetgeen uiteindelijk in 2014 is gebeurd.

 

5    BEOORDELING

5.1    De klacht is 10 maart 2018 ingediend zodat de Advocatenwet zoals die sinds 1 januari 2015 geldt van toepassing is.

5.2    Ingevolge artikel 46g, eerste lid, onder a, Advocatenwet wordt een klacht niet-ontvankelijk verklaard indien de klacht (bij de deken) wordt ingediend na verloop van drie jaar na de dag waarop de klaagster kennis heeft genomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. Op deze regel bevat lid 2 van genoemd artikel een uitzondering voor het geval de gevolgen van het handelen of nalaten van de advocaat pas later bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar nadat de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken. De raad dient deze voorschriften ambtshalve toe te passen. Alleen onder (zeer) bijzondere omstandigheden kan een overschrijding van deze termijn verschoonbaar zijn.

5.3    Per onderdeel zal de raad beoordelen of de klacht ontvankelijk is en als dat het geval is de klacht vervolgens inhoudelijk beoordelen.

Ad klachtonderdeel a)

5.4    Verweerster heeft haar medewerking verleend aan een constructie waarin zij - om reden dat mr. Z was geschorst - naar buiten toe als advocaat is gaan optreden terwijl mr. Z intern de inhoudelijke werkzaamheden voor klaagster is blijven verrichten en daarover met klaagster heeft gecommuniceerd. Deze werkzaamheden heeft zij voortgezet ook nadat mr. Z van het tableau was geschrapt. Het gaat om werkzaamheden die in de periode 2010 tot maart 2014 zijn verricht.

5.5    Uit het klachtdossier blijkt dat er van aanvang af – eind 2009 – aan de zijde van klaagster  een zekere bekendheid was met de feiten. Zo staat vast dat klaagster door mr. Z op de hoogte werd gehouden van procedures, dat zij van mr. Z concept processtukken kreeg toegezonden en dat de facturen van verweerster via mr. Z naar haar werden gezonden, dit terwijl mr. Z voor onbepaalde tijd geschorst was en verweerster naar buiten toe optrad als haar advocaat. Evenwel acht de raad het aannemelijk dat klaagster zich pas veel later (door gesprekken met experts) is gaan realiseren dat deze constructie tuchtrechtelijk niet door de beugel kon. Het ging hier immers om een juridische constructie in verband met het tuchtrecht waarvan de reikwijdte niet aan een willekeurige leek direct helder zal zijn, zeker nu verweerster daarover zelf ook geen helderheid heeft verschaft en misschien ook zelf geen volstrekte helderheid had. Zij meende aanvankelijk immers ook dat deze constructie tuchtrechtelijk door de beugel kon. In de verhouding met klaagster komt een dergelijke mogelijke onwetendheid echter voor haar risico.

5.6    In haar email van 25 maart 2015 aan verweerster heeft klaagster er, voor zover de raad kan nagaan voor de eerste keer, blijk van gegeven de gevolgen van de handelwijze van verweerster in volle omvang te kennen. De raad gaat er dan ook van uit dat de gevolgen van het handelen van verweerster pas vanaf dat moment redelijkerwijs aan klaagster bekend zijn geworden, zodat vanaf deze datum de driejaarstermijn in de zin van art. 46g, eerste lid, onder a, Advocatenwet gaat lopen Vervolgens heeft klaagster haar klacht binnen drie jaar ingediend (10 maart 2018) zodat klaagster in haar klachtonderdeel kan worden ontvangen.

5.7    Verweerster heeft in de periode dat mr. Z voor onbepaalde tijd was geschorst meegewerkt aan het omzeilen van de tuchtrechtelijke maatregel die aan mr. Z was opgelegd. Dat heeft zij wellicht oorspronkelijk gedaan om een collega te helpen maar ter zitting heeft verweerster er zelf ook blijk van gegeven dat zij het principieel onjuiste van haar handelwijze in ziet. Mr. Z was nog advocaat maar kon als gevolg van de schorsing niet langer naar buiten toe optreden, terwijl verweerster wel naar buiten toe optrad als advocaat namens klaagster maar niet door klaagster kon worden aangesproken op fouten. In die periode had klaagster dus geen advocaat die haar belangen volledig behartigde en die zij kon aanspreken voor eventuele fouten. Verweerster had ofwel de zaak moeten overnemen van mr. Z ofwel de zaak moeten teruggeven aan mr. Z. Door mee te werken aan omzeiling van het tuchtrecht door mr. Z heeft verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

5.8    Het valt verweerster ook te verwijten dat zij  deze constructie niet duidelijk aanklaagster heeft uitgelegd en vastgelegd. Dat heeft zij aan het begin niet gedaan maar ook niet nadat haar rol veranderde toen mr. Z van het tableau was geschrapt.

5.9    Klachtonderdeel a) is derhalve gegrond.

Ad klachtonderdeel b)

5.10    In dit klachtonderdeel beklaagt klaagster zich over (het gebrek aan) werkzaamheden van klaagster rond het uitbrengen van het deskundigenrapport. Zij verwijt verweerster dat er vertraging is ontstaan bij het uitbrengen van het rapport en dat zij daar niets aan heeft gedaan. Uit de stukken blijkt dat het concept deskundigenrapport dateert van 22 mei 2012 en dat in de zaak waarin het deskundigenonderzoek was gelast op 18 februari 2014 uitspraak is gedaan. Volgens klaagster zou het definitieve deskundigenrapport op 1 februari 2013 zijn uitgebracht, hetgeen door verweerster niet is betwist zodat daarvan wordt uitgegaan. Op dat moment was klaagster dan ook op de hoogte van de feiten en het nalaten van verweerster. Vervolgens heeft klaagster meer dan drie jaar gewacht met het indienen van haar klacht. Het gaat hier om feiten die voor zich spreken en waarvan de gevolgen voor een ieder en dus ook voor klaagster onmiddellijk kenbaar waren. De klacht is op dit punt te laat ingediend, zodat klaagster niet-ontvankelijk is in dit klachtonderdeel.

Ad klachtonderdeel c)

5.11    In dit klachtonderdeel beklaagt klaagster zich over een gebrek aan deskundigheid van verweerster als gevolg waarvan de deskundige bij de waardering van aandelen een onjuiste waarderingsmaatstaf heeft gehanteerd waardoor klaagster schade zou hebben ondervonden

5.12    Klaagster heeft naar voren gebracht dat zij zich pas in 2015/2016 door een uitspraak van de Accountantskamer en in hoger beroep van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven  ervan bewust is geworden dat de waardering van de deskundige de toets der kritiek niet kon doorstaan. Verweerster heeft dit niet weersproken, zodat de raad daarvan uitgaat. Klaagster heeft vervolgens haar klacht tegen het optreden van verweerster betreffende deze materie begin 2018 ingediend zodat de raad klaagster in dit klachtonderdeel ontvankelijk verklaart.

5.13    De raad beoordeelt dit klachtonderdeel als volgt. Genoemde uitspraken van de Accountantskamer en het College van Beroep voor het Bedrijfsleven zijn door klaagster niet overgelegd, zodat onduidelijk blijft waarom sprake was van verkeerde waardering van de aandelen. Er zijn ook overigens door klaagster onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit geconcludeerd zou moeten  worden dat de deskundige van een foutieve waarderingsmethode is uitgegaan en dat verweerster daarvan op de hoogte was. Het is bovendien de vraag  of daarmee zou komen vast te staan dat verweerster daarin een aandeel heeft gehad of dat had kunnen en moeten voorkomen, waarvoor klaagster ook geen feiten en omstandigheden heeft aangedragen.

5.14    Klachtonderdeel c) is derhalve ongegrond bij gebrek aan feitelijke grondslag.

Ad klachtonderdeel d)

5.15    De feiten en omstandigheden waarop dit klachtonderdeel betrekking heeft, hebben zich voorgedaan tijdens een zitting bij de rechtbank op 17 oktober 2013. Ter zitting van de raad heeft klaagster aangegeven dat zij tijdens de zitting van 17 oktober 2013 aan verweerster heeft gevraagd of er geen verweer gevoerd moest worden tegen het verzoek van haar ex-echtgenoot om de uitspraak niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Op grond daarvan komt de raad tot het oordeel dat klaagster zich reeds tijdens de zitting voldoende bewust was van het belang van verweer tegen dit verzoek en daarmee van de gevolgen van enig nalaten van verweerster op dit punt.

5.16    Verweerster heeft nog gesteld dat zij zich pas tijdens gesprek met een oud rechter begin 2018 bewust is geworden van het onjuiste handelen van verweerster. Dit kan echter door de raad niet worden vastgesteld nu daarvoor elk bewijs ontbreekt en ook slecht te rijmen is met hetgeen door klaagster ter zitting van de raad naar voren is gebracht.

5.17    Dit klachtonderdeel is derhalve te laat ingediend, zodat klaagster  niet-ontvankelijk is in dit klachtonderdeel.

Ad klachtonderdeel e) f) en g)

5.18    Nu deze klachtonderdelen hetzelfde lot treffen, kunnen zijn gezamenlijk worden beoordeeld.

5.19    Door klaagster zijn onvoldoende feiten en/of omstandigheden naar voren gebracht waaruit zou moeten worden afgeleid dat verweerster zich schuldig heeft gemaakt aan een tuchtrechtrechtelijk verwijtbaar handelen zoals omschreven in bedoelde klachtonderdelen. De klachtonderdelen zijn niet komen vast te staan en derhalve ongegrond.

 

6    MAATREGEL

6.1    Klachtonderdeel a) is gegrond. Nu geen sprake is van een tuchtrechtelijk verleden kan volstaan worden met het opleggen van na te noemen maatregel.

 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, dient verweerster op grond van artikel 46e, vijfde lid, Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,00 aan haar te vergoeden.

7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a)    € 25,- in verband met de forfaitaire reiskosten van klaagster,

b)    € 750,00 in verband met de kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

c)    € 500,00 in verband met de kosten van de Staat.

7.3    Verweerster dient het bedrag van € 25,- reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden te betalen aan klaagster. Klaagster geeft tijdig haar rekeningnummer schriftelijk door aan verweerster.

7.4    Verweerster dient het bedrag van € 750,00 binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, over te maken naar rekeningnummer IBAN:NL85 INGB 0000 079000, BIC:INGBNL2A, t.n.v. Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline” en het zaaknummer 18-700.

7.5    Verweerster dient het bedrag van € 500,00 binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, over te maken naar rekeningnummer NL 05 INGB 0705 003981 t.n.v. Ministerie van Justitie en Veiligheid, onder vermelding van “tuchtrechtelijke kostenveroordeling advocatuur, DGRR” en het zaaknummer 18-700.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klachtonderdelen b) en d) niet-ontvankelijk;

-    verklaart klachtonderdeel a) gegrond;

-    verklaart de klachtonderdelen c), e), f) en g) ongegrond;

-    legt aan verweerster de maatregel van een waarschuwing op;

-    veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,00 aan klaagster;

-    veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 25,00 aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervoor bepaald in 7.3;

-    veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 750,00 aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervoor bepaald in 7.4;

-    veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 500,00 aan de Staat, op de manier en binnen de termijn als hiervoor bepaald in 7.5;

 

Aldus gewezen door mr.  K.H.A. Heenk, voorzitter, mrs. K.F. Leenhouts, H.H. Tan, P.P. Verdoorn, A.M.T. Weersink, leden, bijgestaan door mr. A.M. van Rossum als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2019.

 

Griffier                                                                           Voorzitter

 

Verzonden d.d. 4 maart 2019