Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

08-04-2019

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2019:72

Zaaknummer

18-1047/A/A

Inhoudsindicatie

Gegronde klacht over de eigen advocaat. Verweerder heeft zonder klaagster daarover adequaat te informeren de intake, de toevoegingsaanvraag en de beoordeling van de haalbaarheid van de zaak overgelaten aan de heer M, die geen advocaat is. De heer M heeft geen toevoeging voor klaagster aangevraagd en heeft pas na vele telefoontjes van klaagster ruim twee maanden na het eerste contact met har de haalbaarheid van de zaak beoordeeld. Berisping en kostenveroordeling.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam

van 8 april 2019

in de zaak 18-1047/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Bij brief van 21 maart 2018 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam een klacht ingediend over de heer M, juridisch medewerker bij het kantoor van verweerder. Aangezien verweerder tuchtrechtelijk verantwoordelijk is voor het handelen en/of nalaten van de heer M, is de klacht aangemerkt als een tegen verweerder gerichte klacht.

1.2    Bij brief aan de raad van 19 december 2018 met kenmerk 2018-573588, door de raad ontvangen op 20 december 2018, heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam de klacht ter kennis van de raad gebracht.

1.3    De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 11 maart 2019 in aanwezigheid van partijen. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    Voorafgaand aan de zitting heeft de griffier verweerder gevraagd om het onderliggende zaaksdossier aan de raad toe te sturen. In een e-mail van 5 maart 2019 heeft verweerder de raad meegedeeld dat er geen dossier van klaagsters zaak is aangemaakt. Op 11 maart 2019 heeft verweerder de raad per e-mail een beslissing van de klachtencommissie van GGZ Drenthe van 21 december 2017 toegestuurd inzake een door klaagster ingediende klacht.

1.5    De raad heeft kennisgenomen van de in 1.2 genoemde brief van de deken en de bijlagen 1 tot en met 12 en van de in 1.4 genoemde correspondentie.

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan.

2.1    Klaagster heeft op 27 december 2017 gebeld met het kantoor van verweerder, dat de naam X Advocatuur voert, in verband met een geschil dat zij heeft (gehad) met GGZ Drenthe. Zij had de naam van dit advocatenkantoor op een Antilliaanse radiozender gehoord waar reclame voor het kantoor van verweerder werd gemaakt.

2.2    Verweerder was de enige advocaat op dit kantoor.

2.3    In een e-mail van 27 december 2017 heeft de heer M klaagster geschreven:

“Bedankt voor uw vertrouwen in X Advocatuur Om uw zaak goed te kunnen beoordelen verzoeken wij u vriendelijk om de volgende stukken aan te leveren:

•    Kopie geldig legitimatiebewijs

•    Uw BSN nummer

•    Kopie van de door u ingediende klacht

•    Alle overige relevante stukken die op de zaak van toepassing zijn.

Namens u zal ik bij de Raad voor Rechtsbijstand een toevoeging aanvragen. (…) Nadat ik alle relevante stukken heb ontvangen, zal ik de zaak inhoudelijk beoordelen.”

De heer M heeft de e-mail ondertekend met jurist en de e-mail in cc aan verweerder gestuurd.

2.4    Klaagster heeft de door de heer M gevraagde informatie diezelfde dag opgestuurd.

2.5    Klaagster heeft in januari, februari en maart 2018 meerdere keren naar het kantoor van verweerder gebeld om te vragen hoe het met haar zaak ging. Klaagster heeft ook naar de Raad voor Rechtsbijstand gebeld om te vragen of haar toevoegingsaanvraag was ontvangen. De Raad voor Rechtsbijstand heeft klaagster meegedeeld dat er geen toevoegingsaanvraag van haar was ontvangen.

2.6    In een e-mail van 2 maart 2018 heeft de heer M klaagster onder meer geschreven:

“Heden heb ik van kantoor begrepen dat u wederom heeft gebeld. (…)

Begin januari 2018 hebben wij voor u een toevoeging aangevraagd. De Raad voor Rechtsbijstand heeft mij heden bericht dat de aanvraag wegens onbekende redenen niet is doorgekomen. Desalniettemin heb ik begin januari uw zaak bestuurd. Naar mijn optiek is de zaak niet haalbaar. Met andere woorden, ik acht niet dat er voldoende gronden aanwezig zijn om tegen de uitkomst van de klacht te ageren. Mijn bevindingen inzake uw dossier had ik eerder aan u kenbaar moeten maken en daarvoor bied ik mijn welgemeende excuses.

(…)

Op uw verzoek heb ik heden het dossier gesloten. Uw dossier wordt conform de geldende wettelijke bepalingen minimaal 7 jaar bewaard.”

De heer M heeft de e-mail ondertekend met jurist en de e-mail in cc aan verweerder gestuurd.

2.7    In een op 5 maart 2018 per e-mail gestuurde brief aan de heer M heeft klaagster zich er onder meer over beklaagd dat zij door hem aan het lijntje is gehouden. De heer M heeft klaagster per e-mail van dezelfde dag meegedeeld dat hij de brief heeft doorgezonden aan de klachtenfunctionaris, verweerder.

2.8    In een brief van 12 maart 2018 heeft verweerder de klacht van klaagster over de heer M gegrond verklaard. De brief van verweerder luidt, voor zover relevant:

“[De heer M] heeft onvoldoende adequaat gehandeld voor wat betreft de aanvraag van de toevoeging en inhoudelijke start analyse van uw dossier en had beter moeten communiceren met u. Ik heb hierover met [de heer M] een gesprek gehad en hem hierop gewezen. Wij hebben intern afgesproken dat wij de voortgang van zaken op een meer regelmatiger basis met elkaar bespreken zodat wij in de toekomst dit soort situaties kunnen vermijden.

Kortom, uw klacht is gegrond, dat [de heer M] uw dossier niet adequaat heeft opgepakt en onvoldoende met u communiceerde. (…)

Hierbij bied ik ook mijn excuses aan voor deze gang van zaken.”

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

a)    klaagster maanden lang door de heer M aan het lijntje is gehouden;

b)    de heer M zijn afspraken niet is nagekomen;

c)    klaagster niet serieus is genomen en niet netjes is behandeld.

4    VERWEER

4.1    Verweerder voert verweer dat hierna, voor zover van belang, zal worden weergegeven.

5    BEOORDELING

5.1    De klacht van klaagster komt er in feite op neer dat zij klaagt over de manier waarop (het kantoor van) verweerder met haar omgegaan is vanaf het moment dat zij voor het eerst naar het kantoor gebeld heeft (27 december 2017) tot en met de afhandeling van haar klacht over de heer M (12 maart 2018).

5.2    Uit de in deze beslissing onder 2 opgenomen feiten en hetgeen de raad op de zitting met partijen heeft besproken, volgt dat verweerder de intake van een nieuwe cliënt, het aanvragen van een toevoeging en de beoordeling van de haalbaarheid van een zaak in de regel door een juridisch medewerker, niet zijnde advocaat, laat doen. Klaagster heeft op de zitting verklaard dat verweerder en de heer M niet tegen haar hebben gezegd dat de heer M geen advocaat is. Zij dacht dat dat wel zo was en is er pas achter gekomen dat het niet zo was toen zij bij de deken een klacht over de heer M wilde indienen.

5.3    Op zich mag een advocaat leden van zijn personeel die geen advocaat zijn zaken laten behandelen wanneer dit onder zijn toezicht gebeurt (zie ook regel 38 van de Gedragsregels 1992), maar het ligt dan wel op de weg van de advocaat om de cliënt daarover te informeren en ieder misverstand daarover te voorkomen. Dat is in het geval van klaagster dus niet gebeurd. Het enkele feit dat de heer M zijn e-mails aan klaagster met jurist en niet met advocaat heeft ondertekend, is daartoe onvoldoende. De definitie van ‘jurist’ is daarvoor te onduidelijk. Overigens heeft verweerder de raad geen duidelijkheid kunnen geven over de vraag in hoeverre en op welke wijze de heer M zijn werkzaamheden daadwerkelijk onder verweerders toezicht (heeft) verricht.

5.4    Verweerder heeft op de zitting nog aangevoerd dat in de opdrachtbevestiging die aan een cliënt gestuurd wordt, staat dat verweerder de advocaat is en dat hij werkzaamheden kan uitbesteden aan de juridisch medewerker van zijn kantoor. Aan klaagster is echter geen opdrachtbevestiging gestuurd omdat er nog geen advocaat-cliënt relatie tot stand was gekomen. Indien voor klaagster een toevoeging aangevraagd is – verweerder kan dat niet met zekerheid zeggen – dan is dat een lichte advies toevoeging (LAT) geweest. Indien de Raad voor Rechtsbijstand de toevoeging afgegeven zou hebben, dan zou wel sprake geweest zijn van een advocaat-cliënt, aldus nog steeds verweerder.

5.5    De raad overweegt dat, indien door of namens een advocaat voor een cliënt een toevoeging wordt aangevraagd er sprake is van een advocaat-cliënt relatie. In de aanvraag voor een lichte toevoeging – waarbij het om een eenvoudig rechtskundig advies gaat dat naar schatting minder dan drie uur in beslag neemt – moeten ook persoonsgegevens van de cliënt worden vermeld en dient een omschrijving te worden gegeven van de aard van de werkzaamheden van de advocaat. De advocaat ondertekent de toevoegingsaanvraag als gemachtigde als de handtekening van de cliënt op de aanvraag ontbreekt. Het al dan niet afgeven van de verzochte toevoeging door de Raad voor Rechtsbijstand is voor het aannemen van een advocaat-cliënt relatie dan ook irrelevant zoals door verweerder ter zitting ook is erkend.

5.6    Blijkens de e-mail van 27 december 2017 zal X Advocatuur het dossier van klaagster bestuderen, erover adviseren en daar een toevoeging voor aanvragen. X Advocatuur heeft hiermee bevestigd de opdracht van klaagster te hebben aangenomen. In zijn latere e-mail van 2 maart 2018 heeft de heer M geschreven dat hij het dossier heeft gesloten en dat het dossier van klaagster minimaal zeven jaar bewaard wordt. Hieruit kan niet anders worden geconcludeerd dan dat klaagster cliënte was van X Advocatuur waarvan verweerder destijds de enige werkzame advocaat was.

5.7    Dat achteraf is gebleken dat klaagster ten onrechte meende dat de heer M advocaat was, hij helemaal geen dossier had aangemaakt en naar moet worden aangenomen ten onrechte heeft meegedeeld dat een toevoeging was aangevraagd zonder overigens te vermelden dat aan klaagster ook bij een lichte toevoeging een eigen bijdrage verschuldigd zal zijn maakt dit niet anders nu verweerder met de e-mails aan klaagster bekend was en verantwoordelijk was voor het handelen van de heer M. Nu tussen klaagster en (het kantoor van) verweerder een advocaat-cliënt relatie tot stand was gekomen, had verweerder (dan wel de heer M) klaagster onder meer moeten informeren over de door haar te betalen eigen bijdrage, die ook geldt bij een lichte advies toevoeging. Dat heeft hij niet gedaan.

5.8    Verweerder heeft verder erkend dat hij althans de heer M onvoldoende adequaat heeft gehandeld ten aanzien van de toevoegingsaanvraag en de inhoudelijke beoordeling van de zaak. Dat laatste heeft langer geduurd dan klaagster redelijkerwijs mocht verwachten. Ook heeft verweerder erkend dat hij, althans de heer M, hierover onvoldoende met klaagster heeft gecommuniceerd.

5.9    Al met al is de raad van oordeel dat het verweerder, die tuchtrechtelijk verantwoordelijk is voor het handelen en/of nalaten van de heer M, tuchtrechtelijk te verwijten valt dat de heer M zijn afspraken niet nagekomen is en klaagster twee maanden in het ongewisse gelaten heeft over haar zaak. (Het kantoor van) verweerder heeft klaagster niet serieus genomen en niet netjes behandeld, ook door haar in de waan te laten dat de heer M advocaat was. De klacht is dan ook gegrond.

6    MAATREGEL

6.1    Verweerder heeft zonder klaagster daarover adequaat te informeren de intake, de toevoegingsaanvraag en de beoordeling van de haalbaarheid van de zaak overgelaten aan de heer M, die geen advocaat is. De heer M heeft, anders dan hij aan klaagster toegezegd had en verweerder bekend was, geen toevoeging voor klaagster aangevraagd, althans de Raad voor Rechtsbijstand heeft geen toevoegingsaanvraag voor klaagster ontvangen. De heer M heeft klaagster ook niet geïnformeerd over de eigen bijdrage. Daarnaast heeft de heer M pas na vele telefoontjes van klaagster ruim twee maanden na het eerste contact met haar de haalbaarheid van de zaak beoordeeld. De heer M heeft verder aan klaagster gemaild, met verweerder in de cc, dat er een dossier was aangemaakt, terwijl dit niet het geval blijkt te zijn.

6.2    Een en ander is verre van hoe het zou moeten gaan. Verweerder heeft bewust zijn kantoor zo ingericht dat dit kon gebeuren en de raad vindt het verontrustend dat verweerder dat niet lijkt in te zien. Ook het door verweerder ter zitting ingenomen standpunt over de totstandkoming van een advocaat-cliënt relatie verontrust de raad.

6.3    De raad vindt de verwijten, die de kernwaardes integriteit en deskundigheid raken, zodanig ernstig dat ondanks het feit dat aan verweerder niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd is, aan hem een berisping opgelegd zal worden.

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1    Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e, vijfde lid, Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50 aan haar vergoeden.

7.2     Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 50 reiskosten van klaagster,

b) € 750 kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

c)  € 500 kosten van de Staat.

7.3     Verweerder moet het bedrag van € 50 reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden betalen aan klaagster. Klaagster geeft tijdig haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.4    Verweerder moet het bedrag van € 750 binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer IBAN:NL85 INGB 0000 079000, BIC:INGBNL2A, t.n.v. Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline” en het zaaknummer.

7.5    Verweerder moet het bedrag van € 500 binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer NL 05 INGB 0705 003981 t.n.v. Ministerie van Justitie en Veiligheid, onder vermelding van “Tuchtrechtelijke kostenveroordeling advocatuur, DGRR” en het zaaknummer.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht gegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van berisping op;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50 aan klaagster;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50 aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 750 aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 500 aan de Staat, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.5.

Aldus beslist door mr. Q.R.M. Falger, voorzitter, mrs. E.M.J. van Nieuwenhuizen en S. Wieberdink, leden, bijgestaan door mr. S. van Excel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 april 2019.

Griffier    Voorzitter

Mededelingen van de griffier ter informatie:

verzending

Deze beslissing is in afschrift op 8 april 2019

verzonden.