Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

13-07-2012

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2012:YA3590

Zaaknummer

6191

Inhoudsindicatie

Verwijt geen goede bijstand te hebben verleend, conclusie niet in concept te hebben voorgelegd en een te hoge declaratie te hebben gestuurd. Ongegrond.

Uitspraak

                                   

Beslissing van 13 juli 2012

in de zaak 6191

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klager

tegen:

verweerster

1    HET GEDING IN EERSTE AANLEG

Het hof verwijst naar de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s Gravenhage (verder: de raad) van 22 augustus 2011, onder nummer R.3571/10.201, aan partijen toegezonden op 24 augustus 2011, waarbij een klacht van klager tegen verweerster ongegrond is verklaard.

2    HET GEDING IN HOGER BEROEP

2.1    De memorie waarbij klager van deze beslissing in hoger beroep is gekomen, is op 20 september 2011 ter griffie van het hof ontvangen.

2.2    Het hof heeft voorts kennis genomen van:

-    de stukken van de eerste aanleg;

-    de brief van klager aan het hof van 4 mei 2012.

2.3    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld ter openbare zitting van 21 mei 2012, waar klager is verschenen. Verweerster is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

3    KLACHT

De klacht houdt in dat verweerster de belangen van klager in het geschil met de verzekeringsmaatschappij niet naar behoren heeft behartigd. Verweerster heeft de conclusie van antwoord niet eerst aan klager voorgelegd. Verweerster heeft niet gehandeld zoals was afgesproken en zij heeft klager een te hoge declaratie gestuurd. Ook heeft verweerster klager niet het eerste half uur gratis bijstand toegestaan.

4    FEITEN

4.1    Het volgende is komen vast te staan:

4.2    Klager heeft zich op 4 januari 2010 telefonisch tot klaagster gewend met het verzoek hem bij te staan in een geschil met X. over de hoogte van de aan klager toekomende bonus-malus korting en over naar de mening van X. door klager verschuldigde achterstallige premies ten bedrage van  € 232,67, tot betaling waarvan klager inmiddels was gedagvaard bij de sector kanton van de rechtbank Rotterdam. Verweerster heeft bij brief aan klager van 7 januari 2010 het telefoongesprek met klager bevestigd en klager gevraagd om toezending van de stukken, aan de hand waarvan zij klager “nader” zou adviseren. Tegelijkertijd heeft verweerster aan klager een voorschotnota toegezonden ten bedrage van € 595,00. Bij fax van 26 januari 2010 heeft klager aan verweerster bevestigd dat het voorschot zou worden betaald en heeft hij verweerster  verzocht om beide kwesties gezamenlijk te behandelen (van beide kwesties “een combinatie” te maken).

4.3    Na ontvangst van het voorschot heeft verweerster bij brief van 4 februari 2010 aan klager (opnieuw) verzocht om toezending van (aanvullende)  stukken omdat zij klager zonder deze stukken niet kon adviseren, respectievelijk geen behoorlijk verweer voor klager kon voeren in de aanhangige procedure. Verweerster heeft klager in deze brief gewezen op het geringe financiële belang in de zaak waarin klager was gedagvaard. Zij heeft daaraan toegevoegd dat betaling van de “vordering” voor klager “de goedkoopste optie” zou zijn. Voorts heeft verweerster aan klager laten weten dat zij van 14 februari tot 17 maart 2010 wegens vakantie afwezig zou zijn.

4.4    Nadat klager nog aanvullende informatie aan verweerster had toegezonden heeft verweerster klager op 30 maart 2010 telefonisch benaderd en heeft zij hem de tekst voorgelezen van de door haar opgestelde conclusie van antwoord, die uiterlijk op 1 april 2010 moest worden ingediend. Bij haar brief van 31 maart 2010 heeft verweerster aan klager meegedeeld dat zij de conclusie van antwoord na  “instemming” van klager had ingediend en daarbij vermeld dat zij nog steeds niet beschikte over voldoende gegevens met betrekking tot de bonus-malus kwestie. Een afschrift van de conclusie heeft verweerster op 8 april 2010 aan klager verzonden onder gelijktijdige toezending aan klager van een niet gespecificeerde “interim nota” ter hoogte van  € 1.334,67, voor de tot dan toe door verweerster bestede tijd.

4.5    Bij fax van 9 april 2010 heeft klager zowel tegen de uitvoering van de opdracht door verweerster als ook tegen de declaratie van verweerster geprotesteerd, waarna verweerster bij brief aan klager van 12 mei 2010 de relatie met klager heeft beëindigd.  Een persoonlijk gesprek tussen klager en verweerster in de periode dat verweerster voor klager optrad, heeft niet plaatsgevonden. Alle contacten werden telefonisch of schriftelijk afgedaan.  

5    BEOORDELING

5.1    Het bezwaar van klager houdt – kort samengevat – in dat de raad de klacht van klager ten onrechte ongegrond heeft verklaard.

5.2    Vaststaat  dat de (niet complexe) vordering van X. terzake van achterstallige premies een zeer gering bedrag betrof. Verweerster heeft in haar brief aan klager van 4 februari 2010 weliswaar op deze omstandigheid gewezen, maar zij heeft klager niet, althans  niet duidelijk, gewaarschuwd voor de (relatief) zeer hoge kosten voor klager, indien verweerster (tegen haar tarief van € 160,00 per uur, exclusief kosten en BTW) klager in de aanhangige procedure zou als advocaat zou blijven bijstaan. Zij heeft klager de voortzetting van haar rechtsbijstand in de procedure niet ontraden en heeft klager evenmin gewezen op het alternatief voor klager om (in de eenvoudige kwestie van de achterstallige premies) zelf verweer te voeren. Tenslotte heeft zij niet, althans niet voldoende, duidelijk aan klager gemaakt dat de door klager verlangde “combinatie” (gezamenlijke behandeling) van beide kwesties in haar opvatting niet mogelijk was. 

5.3    Verweerster had – bijvoorbeeld in een persoonlijk gesprek met klager - tenminste moeten proberen om klager  er van te overtuigen dat de bijstand van verweerster in de aanhangige procedure alleen al uit het oogpunt van kosten niet zinvol was. Verweerster had klager voorts duidelijk moeten voorhouden (en schriftelijk moeten bevestigen) dat haar kosten bij voortzetting van de bijstand in de aanhangige procedure in geen enkele verhouding zouden staan tot het bedrag waarop X. jegens klager aanspraak maakte. In plaats daarvan heeft verweerster, zonder dat bij klager te verifiëren en daarom ten onrechte, uit het uitblijven van een andersluidende instructie van klager na de brief van verweerster van 4 februari 2010, aangenomen dat klager voortzetting van de bijstand door verweerster aan klager in beide kwesties wenste.

5.4    Reeds op grond van hetgeen hiervoor onder 5.3 en 5.4 is overwogen komt het hof, anders dan de raad, tot het oordeel dat verweerster de belangen van klager onvoldoende heeft behartigd en daarmee in strijd heeft gehandeld met de zorg die verweerster jegens klager had moeten betrachten. In het midden kan blijven of verweerster klager voldoende gelegenheid heeft geboden om het concept van de conclusie van antwoord te beoordelen en of de door verweerster in rekening gebrachte kosten te hoog waren. Dat klager recht had op een half uur kosteloze  bijstand is het hof overigens niet gebleken.

5.5    Het hof zal de beslissing van de raad vernietigen en de klacht alsnog gegrond verklaren. Aan verweerster zal de maatregel van enkele waarschuwing worden opgelegd. 

 

    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

-    vernietigt de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ’s Gravenhage van 22 augustus 2011, gewezen onder nummer R. 3571/10.201;

en, opnieuw rechtdoende:

-    verklaart de klacht alsnog gegrond;

-    legt aan verweerster op de maatregel van enkele waarschuwing.

Aldus gewezen door mr. G.J. Driessen-Poortvliet , voorzitter, mrs. W.M. Poelmann, J.H.J.M. Mertens-Steeghs, G.J.S. Bouwens en D.J. Markx, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.E. Muller, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2012.