Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

17-09-2012

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2012:YA3481

Zaaknummer

6325

Inhoudsindicatie

Verweerder maakte op onzorgvuldige wijze gebruik van een boedelvolmacht, waardoor medegerechtigden (potentieel) werden benadeeld. Gegrond, schorsing van één week.

Uitspraak

                                       

Beslissing van 17 september 2012

in de zaak 6325

naar aanleiding van het hoger beroep van:

                                       verweerder

tegen:

       

        klagers

1    HET GEDING IN EERSTE AANLEG

Het hof verwijst naar de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ’s Gravenhage (verder : de raad ) van 9 januari 2012, gewezen onder nummer R.3731/11.33, aan partijen toegezonden op 13 januari 2012, waarbij van een klacht van klagers tegen verweerder de klachtonderdelen b en c gegrond zijn  verklaard en de maatregel van schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van een maand is opgelegd.

2    HET GEDING IN HOGER BEROEP

2.1    De memorie waarbij verweerder van deze beslissing in hoger beroep is gekomen, is op 3 februari 2012 ter griffie van het hof ontvangen .

2.2    Het hof heeft voorts kennisgenomen van :

-    de stukken van de eerste aanleg;

-    de antwoord memorie van klagers.

2.3    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld ter openbare zitting van 9 juli 2012, waar klagers zijn verschenen bij hun gemachtigde de heer Z. en verweerder in persoon. Klagers en verweerder hebben gepleit aan de hand van een pleitnota.

3    DE KLACHT

De klacht houdt het navolgende in :

a.    verweerder heeft niet gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt door aan zijn cliënt B een onjuiste boedelvolmacht te verstrekken en door zijn cliënt vervolgens te instrueren hiervan gebruik te maken bij twee banken;

b.    verweerder heeft niet gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt door op 11 augustus 2009 onder gebruikmaking van een onjuiste boedelvolmacht de stichting C te bewegen om € 547.000,-- op zijn derdenrekening te laten storten;

c.    verweerder heeft zich begeven in belangenverstrengeling nu hij tegen klagers optreedt, terwijl het notariaat van verweerders kantoor eerder voor klagers, althans de erfgenamen van mevrouw H-V, werkzaamheden heeft verricht met betrekking tot diezelfde nalatenschap.

4    FEITEN

4.1    Het hof gaat uit van de navolgende feiten:

4.2    Klagers zijn erfgenamen van mevrouw V, die is overleden te W. op 30 juli 2009.

4.3    Mevrouw V heeft op 19 maart 2003 aan mevrouw H-V volmacht verleend.

4.4    Op 21 maart 2003 heeft mevrouw V bij notariële akte  een derde als gevolmachtigde aangewezen en daarbij “bij deze voor heden door haar aan wie dan ook verstekte volmachten,in welke vorm dan ook, te herroepen”.

4.5    Bij beschikking van 13 mei 2003 heeft de kantonrechter een bewind ingesteld over de goederen van mevrouw V. Als bewindvoerder werd aangesteld de stichting C.

4.6    Op 22 augustus 2008 heeft mevrouw H-V een brief ondertekend, waarin zij instemde met de toekenning van een kostenvergoeding aan de heer B ten bedrage van € 609.081,46 te betalen uit de nalatenschap van mevrouw V na haar overlijden.

4.7    In 2009 heeft mevrouw H-V aan een medewerker van haar voormalige kantoor een volmacht gegeven om haar zaken te regelen.

4.8    Op 3 augustus 2009, enkele dagen na het overlijden van mevrouw V, is een boedelvolmacht door mevrouw H-V ondertekend, waarin de heer B en zijn echtgenote mevrouw L gevolmachtigd werden om mevrouw H-V te vertegenwoordigen terzake de nalatenschap van mevrouw V. In het slot van de boedelvolmacht is vermeld dat deze diende te worden voorzien van een legalisatieverklaring en een kopie van een geldig legitimatie bewijs. De handtekening van mevrouw H-V op dit stuk is niet gelegaliseerd. De volmacht is opgemaakt op kantoorpapier van de notarissen verbonden aan het kantoor van verweerder, X advocaten en notarissen.

4.9    Bij brief van 10 augustus 2009 van de onder 4.7 bedoelde gevolmachtigde van mevrouw H-V aan X advocaten en notarissen is de laatstgenoemde boedelvolmacht ingetrokken. Dit is meegedeeld aan verweerder met daaraan toegevoegd de mededeling dat de notariële bemoeiingen werden opgeschort.

4.10    Vanaf 10 augustus 2009 is verweerder opgetreden als advocaat van de heer B en diens echtgenote inzake de nalatenschap van mevrouw V. Verweerder had voordien de belangen behartigd van de heer B in andere aangelegenheden.

4.11    Bij brief van 11 augustus 2009 heeft verweerder, onder verwijzing naar de boedelvolmacht van 3 augustus 2009, aan de stichting verzocht om rekening en verantwoording af te leggen over het gevoerde bewind, om aan verweerder alle gegevens ter beschikking te stellen welke de stichting ten behoeve van mevrouw V onder zich had en om een bedrag van meer dan € 547.000,-, welk bedrag de stichting C volgens verweerder onder zich had, over te maken op de rekening van de Stichting Derdengelden van het kantoor van verweerder.

4.12    Bij brief van eveneens 11 augustus 2009 heeft verweerder aan mevrouw H-V meegedeeld de belangen van heer en mevrouw B te behartigen. In die brief maakte verweerder melding van het feit dat een collega van hem bericht had ontvangen dat de volmacht aan de heer en mevrouw B door mevrouw H-V was ingetrokken. Verweerder verzocht mevrouw H-V te bevestigen dat zij de volmacht aan de heer en mevrouw B in stand wilde houden, zodat de afwikkeling van de nalatenschap van mevrouw V zou kunnen worden voortgezet.

4.13    De stichting C heeft geweigerd het door verweerder verzocht bedrag over te maken op de derdenrekening van zijn kantoor.

4.14    Uit een op 9 maart 2010 opgemaakte verklaring van erfrecht blijkt dat mevrouw H-V een van de erfgenamen is van mevrouw V.

5    BEOORDELING

5.1    Het hoger beroep van verweerder richt zich tegen de gegrondverklaring van de raad ten aanzien van de klachtonderdelen b en c.

5.2    Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat klagers niet ontvankelijk zijn, omdat zij niet zijn aan te merken als degenen die door zijn handelen rechtstreeks in hun belangen zijn getroffen of konden worden getroffen.

5.3    Het hof verwerpt het beroep op de niet ontvankelijkheid. De brief van 11 augustus 2009 gericht aan de stichting C dient geen ander doel dan deze stichting, zijnde de bewindvoerder over het vermogen van mevrouw V te bewegen om uit de nalatenschap van mevrouw V een bedrag van € 547.000,- naar een andere rekening over te maken, over welke rekening de bewindvoerder en/of gerechtigden tot die nalatenschap niet zouden kunnen beschikken. Dat daardoor de erfgenamen van mevrouw V, de klagers in deze procedure, benadeeld zouden kunnen worden en daarmee rechtstreeks in hun belangen konden worden getroffen staat naar het oordeel van het hof onmiskenbaar vast. Klagers zijn dan ook ontvankelijk in hun klacht jegens verweerder.

5.4     Voorts is verweerder het niet eens met de beslissing van de raad, omdat hij van oordeel is dat hem in de behandeling van de zaak geen verwijt treft.

Verweerder voert daartoe in hoger beroep aan, kort samengevat: “mijn handelwijze was gericht op veiligstelling van de nalatenschap. Directe actie was nodig.” Ook betwist hij dat sprake is geweest van tegenstrijdig belang. Verweerder stelt dat hij optrad voor de nalatenschap in opdracht van mevrouw H-V en niet voor de heer en mevrouw B.

        Tenslotte maakt verweerder bezwaar tegen de opgelegde maatregel.

5.5    Het hof is met de raad van oordeel dat de handelwijze van verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Verweerder heeft in zijn appelschrift (onder 12) aangegeven dat hij besloot tot verzending van de brief aan de bewindvoerder toen hij al op de hoogte was van het gegeven dat mevrouw O, de  door mevrouw H-V aangewezen gevolmachtigde, de volmacht van de heer B (zijn cliënt in deze ) had ingetrokken en dat die mededeling van mevrouw O voor zijn notariële collega aanleiding vormde “pas op de plaats te maken”.

Verweerder voert aan dat zijn handelwijze was ingegeven door zijn vrees voor fraude met groot risico voor de nalatenschap. Een deugdelijke onderbouwing van die vrees is ook in hoger beroep niet naar voren gebracht en blijkt ook overigens niet uit de stukken. Door een derde te bewegen een aanzienlijk bedrag deel uitmakende van een nalatenschap over te maken op basis van een volmacht waarvan op dat moment de rechtsgeldigheid betwist werd terwijl er geen spoedeisend belang aanwezig was en zonder daarbij enig nader onderzoek te doen naar de rechthebbenden ten aanzien van die nalatenschap handelde verweerder in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt.

Het hof verwerpt het hoger beroep gericht tegen de gegrondverklaring van klachtonderdeel b.

5.6    Ook het hoger beroep van klager tegen de gegrondverklaring van klachtonderdeel c treft geen doel .

De brief van 11 augustus 2009 gericht aan mevrouw H-V opent met de zin: “Al geruime tijd behartig ik de belangen van de heer en mevrouw B” en in de brief aan de bewindvoerder van gelijke datum schrijft verweerder: “Ik verzoek u namens de heer B”. Ook zijn declaratie over augustus 2009 is gericht aan de heer B. Hieruit blijkt naar het oordeel van het hof genoegzaam  dat verweerder handelde voor de heer B, met het kennelijke doel diens vermeende vordering op de nalatenschap veilig te stellen. Vaststaat dat voordien bemoeienis is geweest met de nalatenschap van mevrouw V door een notaris verbonden aan het kantoor van verweerder. Deze heeft een boedelvolmacht ter afwikkeling van de nalatenschap van mevrouw V opgesteld. Dat de belangen van de gerechtigden tot de nalatenschap strijdig zouden kunnen zijn met die van de heer B had, gezien de hoogte van de vordering, voor verweerder duidelijk moeten zijn en hij had zich, gezien de eerdere bemoeiingen van zijn kantoor met deze nalatenschap moeten onthouden van optreden voor de heer B. Door dat desondanks toch te doen heeft verweerder ook in dit opzicht in strijd gehandeld met hetgeen een goed advocaat betaamt.

Verweerder heeft tenslotte bezwaar gemaakt tegen de opgelegde maatregel.

Het hof is van oordeel dat gezien de ernst van het tuchtrechtelijk verwijt niet kan worden volstaan met een andere maatregel dan die van een onvoorwaardelijke schorsing in de uitoefening van de praktijk. In het gegeven dat aan verweerder in de ruim dertig jaar dat hij advocaat is geweest slechts eenmaal eerder een maatregel is opgelegd en wel die van een enkele waarschuwing ziet het hof aanleiding de schorsing te beperken tot een week.

   

    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

-    bekrachtigt de beslissing van van de Raad van Discipline in het ressort ’s Gravenhage behoudens de daarbij opgelegde maatregel;

-    legt als maatregel op de schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van een week ,met bepaling dat de schorsing ingaat op de dag dat verweerder eventueel weer als advocaat op het tableau zal zijn ingeschreven.

Aldus gewezen  door mr.J.C.van Dijk,voorzitter, mrs. A.Beker, J.H.J.M.Mertens –Steeghs, H.van Loo en C.A.M.J. Raymakers,leden in tegenwoordigheid van mr.I.F.Schouwink,griffier en in het openbaar uitgesproken  op 17 september 2012.