Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

09-12-2016

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2016:226

Zaaknummer

160154

Inhoudsindicatie

Klacht dat verweerder zich onvoldoende heeft ingezet voor de belangen van klager en daardoor onvoldoende resultaat heeft bereikt, is ook in hoger beroep ongegrond. Uit de (proces)stukken blijkt dat verweerder deugdelijke standpunten heeft ingenomen, dat getracht is om regelingen in der minne te treffen en dat verweerder zich heeft ingespannen op een wijze die van hem verwacht mocht worden. Dat de opvolgende advocaat in een later stadium wel resultaten heeft weten te bereiken, maakt dit niet anders, omdat sprake was van andere omstandigheden en deels ook andere uitgangspunten. 

Uitspraak

Beslissing

van 9 december 2016   

in de zaak 160154

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klager

tegen:

verweerder

1    HET GEDING IN EERSTE AANLEG

Het hof verwijst naar de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s Hertogenbosch (verder: de raad) van 30 mei 2016, onder nummer 15-561/DB/ZWB, aan partijen toegezonden op 30 mei 2016, waarbij de klacht van klager tegen verweerder ongegrond is verklaard.

De beslissing is gepubliceerd op tuchtrecht.nl als ECLI:NL:TADRSHE:2016:93. 

2    HET GEDING IN HOGER BEROEP

2.1    De memorie waarbij klager van deze beslissing in hoger beroep is gekomen, is op 15 juni 2016 ter griffie van het hof ontvangen.

2.2    Het hof heeft voorts kennis genomen van:

-    de stukken van de eerste aanleg;

-    de antwoordmemorie van verweerder;

-    de e-mail van klager van 14 oktober 2016.

2.3    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld ter openbare zitting van 17 oktober 2016, waar klager en verweerder zijn verschenen.

3    KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

verweerder zich onvoldoende voor de belangen van klager heeft ingezet en daardoor onvoldoende resultaat heeft bereikt.

4    FEITEN

Het volgende is komen vast te staan:

4.1    Verweerder heeft klager in de periode 2010 tot en met 2013 bijgestaan in meerdere procedures. Verweerder heeft de achterliggende dossierstukken van die procedures bij de deken overgelegd.

4.2    Ten eerste zijn procedures gevoerd over de omgang met een zoon van klager uit een eerdere (niet huwelijks)relatie. Klager wilde bovendien zijn zoon erkennen, gezag krijgen en zijn achternaam laten wijzigen. De vordering tot nakoming van de omgangsregeling is in kort geding afgewezen. De vorderingen van klager in de bodemprocedure met betrekking tot de omgangsregeling, de erkenning en het gezag zijn zowel in eerste instantie als in hoger beroep toegewezen. Wel moest klager kinderalimentatie voor zijn zoon gaan betalen.

4.3    Hangende de procedures over zijn zoon besloot klager van zijn toenmalige echtgenote te gaan scheiden. Ook met haar had klager een zoon. Over de alimentatie voor deze echtgenote en de zoon is geprocedeerd. Voor de duur van de procedure was een tijdelijke regeling getroffen. De door de rechtbank vastgestelde alimentatie viel hoger uit dan verwacht. Wel werd rekening gehouden met het feit dat klager al alimentatie betaalde voor zijn eerste ex-echtgenote.

4.4    Vervolgens is een procedure gevoerd tegen de eerste ex-echtgenote in verband met verlaging voor de aan haar te betalen alimentatie. Zij wenste niet mee te werken aan nihilstelling van de alimentatie, maar over een verlaging is overeenstemming bereikt die door de rechtbank is vastgelegd.

4.5    Tot slot ontstond een conflict met de belastingdienst in verband met ten onrechte opgegeven persoonlijke aftrek. De aangiften waren gedaan door een door klager ingeschakelde tussenpersoon. Verweerder heeft namens klager bezwaar gemaakt tegen de terugvordering door de belastingdienst en de opgelegde boetes. Dit heeft geleid tot een verlaging van de opgelegde boetes.

4.6    Verweerder heeft zich in mei 2013 als advocaat van klager onttrokken vanwege openstaande declaraties.

4.7    Klager heeft zich daarna tot een andere advocaat gewend. Deze advocaat heeft kunnen bewerkstelligen dat zowel met de eerste als met de tweede ex-echtgenote overeenstemming is bereikt over respectievelijk nihilstelling en verlaging van de eerder vastgestelde alimentatie en dat dit door de rechtbank in beschikkingen is vastgelegd.

5    BEOORDELING

5.1    De raad heeft de Advocatenwet zoals deze gold tot 1 januari 2015 op de onderhavige zaak toegepast. Omdat de klacht is ingediend voor 1 januari 2015 zal ook het hof de Advocatenwet toepassen die gold tot genoemde datum.

5.2    Klager heeft zijn klacht – kort weergegeven – onderbouwd door erop te wijzen dat zijn opvolgende advocaat in acht maanden tijd de zaken voor klager heeft geregeld en zo een resultaat heeft weten te bereiken dat verweerder in de jaren voordien niet is gelukt.

5.3    De raad heeft de klacht ongegrond verklaard en daarbij onder meer overwogen dat het feit dat de opvolgend advocaat voor klager positieve resultaten heeft weten te bereiken nog niet betekent dat verweerder bij de eerdere behandeling van de zaken tuchtrechtelijk verwijtbaar is tekort geschoten. De raad is mede op grond van de beoordeling van de stukken tot de conclusie gekomen dat niet is komen vast te staan dat verweerder zich onvoldoende voor klager heeft ingespannen.

5.4    Klager heeft in zijn appelschrift aangevoerd dat hij zich door de raad niet serieus genomen voelde, onder meer omdat hij maar kort aan het woord kon komen. Voorts heeft hij er nogmaals op gewezen dat zijn opvolgend advocaat de zaken één voor één voor hem heeft opgelost. Tot slot heeft klager aangevoerd dat verweerder in zijn verweer bij de deken verschillende fouten heeft gemaakt, namelijk de naam van klager verkeerd heeft geschreven en het openstaande bedrag aan declaraties heeft omgewisseld met het bedrag dat door klager was voldaan. Dit laatste acht klager bewijs van tekortschieten door verweerder.

5.5    De door klager aangevoerde grieven falen. Ter zitting van het hof heeft klager ruimschoots de gelegenheid gekregen zijn grieven toe te lichten. Het hof is met de raad van oordeel dat voor de beoordeling van de werkzaamheden van verweerder bepalend is op welk moment die werkzaamheden zijn verricht en de omstandigheden waaronder die werkzaamheden zijn verricht. Uit de overgelegde (proces)stukken blijkt dat verweerder deugdelijke standpunten heeft ingenomen, dat getracht is om regelingen in der minne te treffen en dat verweerder zich heeft ingespannen op een wijze die van hem verwacht mocht worden. De stukken geven het hof geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder jegens klager bij de behandeling van de zaken is tekortgeschoten.

5.6    Het gegeven dat de opvolgend advocaat in een later stadium wel resultaten heeft weten te bereiken, waar dat verweerder in mindere mate is gelukt, maakt dit niet anders, omdat sprake was van andere omstandigheden en deels ook andere uitgangspunten. Alleen al het tijdsverloop kan bijdragen aan het ontstaan van mogelijkheden tot het treffen van regelingen die er eerder niet waren. Ook het feit dat verweerder in zijn verweer tegen de onderhavige klacht enkele vergissingen heeft gemaakt leidt niet tot een ander oordeel, omdat de beoordeling van de werkzaamheden van verweerder plaats vindt aan de hand van die werkzaamheden zelf en niet aan de hand van de door verweerder in het kader van de klacht gegeven toelichting daarop.

5.7    De beslissing van de raad dient te worden bekrachtigd.

BESLISSING

Het Hof van Discipline:

bekrachtigt de uitspraak van de Raad van Discipline in het ressort ’s Hertogenbosch van 30 mei 2016 in de zaak 15-561/DB/ZWB.

Aldus gewezen door mr. J.C van Dijk, voorzitter, mrs. G.W.S. de Groot, M.L. Weerkamp, J. Italianer, J.A. Schaap, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2016.

griffier    voorzitter    

       

De beslissing is verzonden op 9 december 2016.